Het zwarte kasteel
door Steven van Dinther
Er zijn al veel verhalen verteld over het zwarte kasteel. Géén
van deze verhalen berust op waarheid. Dat kan ook niet, want er is
niemand die de gruwelijke geheimen van het kasteel heeft overleeft.
Het zwarte kasteel is naar schatting duizend jaar oud. Het is gebouwd
uit zwart graniet; één van de sterkste steensoorten
die er bestaat. Het kasteel bevind zich in Wit- Rusland. Het ligt
in de buurt van het plaatsje Stolin, in de Pinsk moerassen. De verhalen
die de ronde gaan, zijn vaak uit de duim gezogen. Niemand weet wat
voor geheimen het kasteel verbergt. Het enige wat er wordt verteld,
is dat er veel mensen gestorven zijn. Ach, al die verhalen. Maar waarom
begin ik er eigenlijk over, vraag je je misschien af. Misschien ben
ik wel één van de weinigen die weet wat zich afspeelt
tussen de muren van het kasteel. Misschien heb ik wel het gevaar overleefd.
Mocht je geen stalen zenuwen hebben, stop dan met lezen en neem een
ander verhaal tot je. Mijn naam is Herman Koch. Ik ben ingenieur en
hoogleraar aan de universiteit van Utrecht. Ik heb mij, net als mijn
collega Josef Mandenmaker, verdiept in de geschiedenis van het kasteel.
Mijn collega, die geschiedenis heeft gestudeerd, kijkt via een andere
invalshoek naar het kasteel. Ik ben meer geïnteresseerd in de
steensoorten waar het kasteel uit bestaat. Ik probeer te achterhalen
hoe mensen duizenden jaren geleden dit bouwwerk uit de grond wist
te stampen. Dat zoiets tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat,
fascineert me. Zoals ik al zei zijn Josef en ik geïnteresseerd
in het kasteel. Dit zette ons ook aan om er naartoe te gaan. Hier
volgt mijn verhaal, en natuurlijk ook dat van mijn goede vriend Josef.

Het was maandagmorgen zeven januari. Josef en ik hadden afgesproken
op het Centraal Station van Utrecht. Van hieruit zouden wij de trein
naar Duitsland nemen. Daar zouden wij, via een overstap, naar Polen
gaan, en dan door naar Wit-Rusland.
Herman, hier ben ik, klonk een bekende stem bij de ingang
van het station. Hallo, Josef. Heb je de kaartjes? O nee,
de kaartjes. Je gaat me toch niet vertellen... Geintje,
ha ha. Natuurlijk ben ik ze niet vergeten. Zullen we eerst een kop
koffie gaan drinken? De trein vertrekt pas over een halfuur.
Josef was altijd al in voor grapjes. Ik kon er niet zo goed tegen,
hoewel ik het van Josef wel kon hebben.
Daar zaten we dan, gespannen als twee scholieren die naar hun eindexamen
gingen. Heb je het nieuws nog gehoord?
Er is in Rusland extreem koud weer voorspeld. Het kon wel ééns
min achttien worden. Laten we hopen dat de reis zonder
problemen verloopt. Na een kwartiertje besloten we om onze coupé
op te zoeken. We reisden eerste klasse. De conducteur gaf het teken
voor vertrek. Daar gaan we, Herman. Op goed geluk,
Josef, op goed geluk. Het zou een lange reis worden. De rit
door Duitsland duurde alleen al vijf uur. We gingen via Dortmund en
Göttingen naar Leipzig. Hier maakten wij onze eerste overstap.
Er kwam iemand van de staatspolitie op ons afgelopen. Goedendag
heren. Mag ik uw paspoort, alstublieft? Natuurlijk, meneer,
alstublieft. Waar gaat u heen? Wij gaan naar
Wit-Rusland. Gaat u voor zaken of vakantie? Wij
gaan op vakantie. Prettige reis verder. Dank
u wel, meneer. Op perron drie staat onze trein, Herman.
De reis ging verder. We gingen bij Frankfurt de grens over en reden
via Poznan naar Warschau. Hier maakten wij onze tweede overstap. Deze
trein bracht ons naar onze eindbestemming in Wit-Rusland: het plaatsje
Yelsk. Het was een klein, vervallen station. Binnen troffen we één
loket aan. Kan ik u helpen? vroeg een oud mannetje, vanachter
het loket. Wij willen graag naar Stolin. Kunt u ons vertellen,
of er een bus heen gaat? Sorry, maar er rijden hier geen
bussen. Het enige vervoer dat er is, is de koets. Buiten staat
vast wel iemand die u wil brengen.
We liepen naar buiten. Hier troffen we twee kinderen aan die zaten
te bedelen. Meneer, heeft u misschien wat kleingeld. Mijn broertje
en ik kunnen dan wat eten kopen. Hoe heten jullie?
Ik ben Katharina en dit is mijn broertje Micha. Als
jullie ons helpen een koets te vinden, dan geef ik jullie allebei
wat geld. Onze vader heeft een koets. Hij wil u vast wel
helpen. We liepen achter de kinderen aan.
We gingen naar een oude, vervallen schuur.
Er kwam een klein mannetje naar buiten. Het eerste wat opviel, was
zijn grote zwarte snor; deze bedekte bijna heel zijn gezicht. Hallo,
ik hoorde dat u vervoer zocht. Wij willen graag naar Stolin.
Kunt u ons brengen? Waarvoor gaat u naar Stolin?
Vakantie, meneer. Ja, ja... jullie gaan naar het
zwarte kasteel, hè? Kent u het zwarte kasteel?
Wie kent het niet. Het is niet pluis daar, heren.
Het kwaad zit daar. Wilt u ons brengen? Het
gaat u wel geld kosten.
Noemt u maar een prijs. Na wat onderhandelingen, was het
tijd om te gaan. De reis zou zeker een dag in beslag nemen. De twee
kinderen gingen ook mee.
Het was een zware tocht, met veel gevaar. De kou deed een aanslag
op ons. Gaat het nog, Josef? Ja, Herman, het gaat.
Misschien kunnen we zo even stoppen.
De koetsier zette zijn koets aan de zijkant van de weg.
Hij maakte een kampvuur, zodat iedereen zich kon opwarmen. Plotseling
hoorden we gehuil. Wolven! We kunnen niet lang blijven, heren.
De wolven komen eraan. Pappa, kijk!
Op het midden van de weg stond een reusachtig beest. Zijn bloeddoorlopen
ogen staarden ons aan. Zijn bovenlip stond hoog, zodat zijn vlijmscherpe
tanden goed te zien waren. Langzaam stapte hij op ons af. Wat
nu? vroeg Josef. Rustig naar de koets lopen. De
koetsier pakte een brandende stok en gooide deze naar het beest. Het
schrok en sprong opzij. Vlug, mensen, de koets in. Waar
is hij gebleven?We keken in het rond. Het beest was weg.
Ondanks het feit dat de schrik er goed in zat, zetten we onze reis
voort. Toch bleef dat afschuwelijke beest maar in mijn hoofd dwalen.
Wat was het? Een wolf? Nee, daar was het te groot voor. Ik had nog
nooit zoiets gezien. We reden de hele nacht door. De volgende dag
kwamen we bij het plaatsje Stolin. Het dorp was uitgestorven. Niemand
te zien. Het leek wel of het dorp in tijd stil was blijven staan.
Het deed me denken aan de middeleeuwen. We reden door de smalle straatjes
naar het dorpsplein. Daar stopte de koetsier bij een café.
Hier kunnen jullie verblijven. De eigenaar is een neef van mij.
De koetsier liep naar binnen. Even later kwam hij samen met een andere
man naar buiten. Heren, dit is Jeltsa, mijn neef. Jeltsa
was een lange, magere jongeman van een jaar of dertig. Hij kwam een
beetje onnozel over, maar was erg behulpzaam. We kregen een kamer
met uitzicht op het plein.
Er werd op de deur geklopt. Binnen. Het was de koetsier.
Ik kom afscheid nemen, heren. Ik ga weer terug naar Yelsk.
Josef stond op. Wilt u de reis niet met ons voortzetten?
Ik weet wat voor gevaren er in het zwarte kasteel zijn. Ik ga
niet mee. We betalen u er goed voor. De koetsier
riep zijn twee kinderen bij zich. Na enkele minuten kwam hij naar
ons toe en knikte. Oké, ik ga mee. Mijn kinderen zullen ook
meereizen, als u dat goed vindt. Josef en ik keken elkaar aan.
Natuurlijk mogen zij mee. Hoe meer zielen, hoe meer vreugde.
De volgende dag waren we vroeg uit de veren.
Na een stevig ontbijt gingen we op pad. Met een beetje geluk,
zijn we aan het eind van de ochtend bij het kasteel. Ik
hoop dat je gelijk hebt, Josef. We moeten ook nog door het moeras,
en wie weet wat we daar tegenkomen. Ik had niets te veel gezegd.
Bij het moeras begonnen de moeilijkheden. De koetsier gaf ons mondkapjes,
tegen de sterke zwavellucht die rond het moeras hing. Hij zette de
koets aan de kant. Heren, vanaf hier wordt het lopen.
We stapten uit en volgden de koetsier. Het moeras sloot zich als
een net om ons heen. De drassige aarde maakt het bijna onmogelijk
om ons voort te bewegen. Je werd vastgezogen in de grond. De geur
was niet te harden! Josef kreeg het benauwd. Ik moet even gaan
zitten, Herman. Ik kan niet meer.
Toen hoorden we weer het gehuil van een wolf. De koetsier gaf aan
dat we door moesten lopen. Daar stond het beest weer. Ditmaal konden
we niet vluchten. Wat moeten we doen? vroeg ik aan de
koetsier. Rustig blijven. De twee kinderen renden naar
hun vader toe. Pappa, ik ben bang. Tranen rolden over
de wangen van Micha en Katharina. Rustig maar, kinderen, het
komt allemaal goed. Nu kon ik voor het eerst het beest goed zien.
Het was toch een wolf! Het eerste wat opviel was de sneeuwwitte vacht
van het dier en zijn helderblauwe ogen. Je zou bijna denken dat het
je geen kwaad wilde doen. De ogen straalden onschuld uit. Maar die
bek en tanden. Afschuwelijk. Het beest kwam dichterbij. het leek wel
of hij ons in een bepaalde richting wilde sturen.
Herman, kijk! schreeuwde Josef. Ik draaide mijn hoofd
naar links. Ik liet al mijn spullen op de grond vallen en was totaal
van slag. Het zwarte kasteel, fluisterde ik zachtjes.
Ik kon het niet geloven. Nog geen kilometer bij ons vandaan lag het
in mist gehulde kasteel. We liepen zo snel als we konden, richting
het kasteel. We zijn er bijna, Josef. Ik kreeg geen antwoord.
Ik draaide me om. Waar was Josef? Josef! Schreeuwde ik
hard. Geen reactie. De koetsier kwam naar me toe gerend. Hij trok
me aan mijn arm mee. Het beest heeft hem te pakken, Herman,
we moeten opschieten. Ik kon het niet geloven. Josef dood? Nee,
ik loop terug. Ga jij met de kinderen maar vooruit. Herman,
nee! Ik luisterde niet en liep terug. Ik heb Josef niet meer
kunnen vinden. Wel zag ik wat op de grond liggen. Langzaam zakte ik
door mijn knieën. Het enige wat er lag, was een met bloed besmeurde
schoen. Josef, mijn goede vriend. Ik stond op, draaide
me om, en liep weer richting het kasteel.
Ik trof de koetsier met zijn kinderen aan, bij de poort van het kasteel.
Is Josef..? Ik heb hem niet kunnen vinden.
We besloten om naar binnen te gaan. Het eerste wat ons opviel was
de stilte. Het kasteel gaf ons een beangstigend gevoel. We wisten
niet wie of wat er was, maar er was iemand aanwezig. We voelden ons
begluurd. Op datzelfde moment kwam er een klein meisje aanlopen. Jullie
moeten hier weg! Als hij komt, dan... Als wie komt? vroeg
ik aan het kind. Jullie moeten hier heel snel weg! Hij zal ook
jullie tot zich nemen. Wie is het dan? Hij
heeft vele namen, jullie moeten gaan. Dit is de plaats van de eeuwige
straf. Hier heerst hij! Plotseling stond het meisje stijf van
angst. We draaiden ons om. Het was het beest. Ga liggen!
schreeuwde iemand. De wolf ging liggen. Er kwam iemand aanlopen. De
lucht werd vuurrood, de temperatuur steeg. De hekken van de poorten
sloten zich. We zaten als ratten in de val. Niemand kon ons nu nog
helpen.
Ik kon het niet geloven, maar daar stond toch echt... EINDE
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home