De brenger van de vrede
door Niels van der Plas
Hoofdstuk 1
de droom en het bos
'Rovinna! Wakker worden!' Rovinna opende een oog en zag in de deuropening
haar moeder staan. 'Wasser? Hoelaat's het?' bracht ze moeizaam en slaperig
naar buiten. 'Het is al half acht. Over een uur moet je op school zijn.
kom, sta op. je ontbijt staat al klaar.'
Traag kleedde Rovinna zich om en daarna liep ze langzaam de trap af, naar de
tafel en at haar
cornflakes op. Altijd weer vervelend als het weekend weer voorbij is. Heb je
eerst een aantal
dagen rustig aan kunnen doen, moet je de dag erna weer vroeg naar school.
Rovinna nam een hap en dacht na over haar droom. Ze had een mooie droom
gehad; ze stond
in een groene vallei, met veel bomen, bloemen en gras. En er stroomden
heldere beekjes, die
uitkwamen in meertjes die wel van glas leken. Heel in de verte straalde een
licht haar
tegemoet. Ze kon niet anders dan er naar toe lopen en toen ze er was, bleek
het een vrouw te
zijn, gekleed in een witte jurk. Ze keek vriendelijk naar Rovinna en haar
blonde haar
wapperde in de wind. Opeens was de vrouw weg, Rovinna draaide zich om en
achter haar
bloeide een roos, een rode en hij gaf licht. Ze plukte hem en toen kwam er
een koets
aanrijden. Een witte koets, met tien witte paarden ervoor en in die koets
zat zijzelf.
Aangekleed als een prinses.
Maar ja. Dromen zijn nu eenmaal bedrog en de harde werkelijkheid is weer
begonnen. Want
ieder kind, hoe klein of groot dan ook, moet naar school en moet sommen
maken, lezen,
schrijven en andere dingen leren. Ook Rovinna, dus.
Gelukkig had haar moeder haar op tijd wakker gemaakt, want anders was ze
vast en zeker te
laat gekomen. Kijk, daar was Marleen. Marleen is een heel goede vriendin van
haar. Ze praten
altijd over van alles en nog wat.
'Marleen! Hier sta ik!' Marleen hoorde haar en rende op haar af.
'Hoi,' zei Marleen,' hoe is het ermee?'
'Goed,' antwoordde Rovinna, 'Ik heb namelijk heel leuk gedroomd vannacht. Ik
wou, dat ik
die nogmaals kon dromen.' Ze vertelde Marleen wat ze gedroomd had.
'Jammer dat zo'n droom niet echt is, hè,' zei Rovinna.
'Ja, dat zou leuk zijn. Dat we echt prinsessen waren en alles konden kopen
wat we leuk
vonden. En mooie prinsen en paleizen en prachtige feesten met lakeien en...
ooh, dat lijkt me
zo geweldig.'
Ze liepen naar hun geheime plek op het schoolplein. Dat deden ze altijd als
ze het over zoiets
hadden. Aan de rand van het plein stonden namelijk hele grote
rododendronstruiken. Dat zijn
hele grote struiken, maar vaak zit er onder de bladeren, dus bij de stam,
een hele grote open
plaats. Daar konden ze makkelijk allebei zitten. Voorzichtig, zodat ze niet
vies zouden
worden, kropen ze onder de struik door en gingen allebei op een tak zitten.
En terwijl zij zo zaten te praten werd het steeds drukker op het plein. Over
een minuut of 2, 3
zou de bel gaan.
'We moeten maar weer terug naar het plein.' zei Marleen toen ze allemaal
mooie dingen
hadden besproken.'
'Ja, dat is goed. He, vind jij ook niet dat het opeens zo ontzettend rustig
is geworden?'
'Ja, nou je't zegt. Je hoort gewoon niemand meer praten. Alsof er niemand op
het schoolplein
is.' antwoordde Marleen.
Ze kropen onder de takken door en schrokken zich bijna lam. Hun hele
schoolplein was
verdwenen en alle kinderen en juffrouwen en meesters waren er niet. In
plaats daarvan
stonden ze in een bos, vol met dennenbomen, sparren en struiken.
'Wat is dit?' schreeuwde Marleen geschrokken. 'Waar zijn we? Waar is alles?'
'Ik weet het niet. Ik weet het niet! Misschien is dit nog een droom. Wil jij
me eens knijpen?
AUW! Niet zo hard!'
Verdwaasd keken ze om zich heen. Het was loeistil in het bos; geen vogel
floot, geen dier
bewoog, geen bij zoemde en geen mens maakte geluid. Er was werkelijk niets
te horen.
'Kom mee.' fluisterde Marleen, 'laten we eens kijken waar we zijn.'
'Waar wil je heen, dan?' vroeg Rovinna.
'Maakt niet uit. Als we maar iemand tegenkomen aan wie we het kunnen vragen.
'
En dus liepen ze van de struik af, die hen op een wonderbaarlijke wijze het
bos had in
getoverd. Dennennaalden en -takjes kraakten onder hun voeten. Toen ze een
eind gelopen
hadden veranderde het bos. De bomen groeiden minder dicht op elkaar en ook
groeide hier
meer gras en zo af en toe - zo meende Rovinna - hoorde ze een dier
trappelen. Ze schrok er
wel van, het kon namelijk een zwijn zijn of misschien wel een wolf, maar
toch was ze blij, dat
ze weer een geluid hoorde op de brekende takjes na. Na nog een kilometer of
wat (hun voeten
deden erge pijn) schrokken ze zich wild. Er kwam iemand aan. Nee, wel
meerdere personen.
Op paarden, heel in de verte.
'Snel, naar een struikje' gilde Rovinna en ze verstopten zich achter een
grote struik.
De paarden kwamen snel dichterbij. Grote zwarte paarden, sterk en nobel om
te zien. Op hen
zaten grote ridders, met harnassen en zwaarden en schilden. Twee van hen
hadden fakkels bij
zich. Toen Marleen het gezicht zag van een van de ruiters schrok ze; hij
keek woest en
dreigend en haat was van z'n gezicht af te lezen. Gelukkig waren ze snel
voorbij en na een
paar minuten durfden de meisjes weer van achter de struiken vandaan te komen
en fluisterden
met elkaar.
'Zag je dat? Ridders! Hoe kan dat nou?' zei Marleen.
'Weet je, ik denk dat we terug in de tijd zijn.' antwoordde Rovinna.
'Of.... misschien wel in een andere wereld!'
'Dat kan ook, misschien.'
'Tjonge he. Zag je hoe die ruiters keken? Hartstikke woest. ik denk niet dat
zij veel goeds in
de zin hadden, wel?' zei Marleen weer.
'Ik denk het ook niet. Kom zullen we maar weer verder gaan? Gaan we die kant
op, waar de
ruiters vandaan kwamen.'
Het terrein waar ze liepen werd wat hobbeliger en de wereld zag er somber
uit, zo in de grijze
lucht. Overal heerste de stilte nog en bij iedere bocht verwachtten de
kinderen iemand tegen te
komen, die niet veel goeds in de zin had.
'KIJK!' schreeuwde Rovinna, 'Daar komen weer mensen aan' Het was waar. In de
verte liep
een groepje mensen en een magere ezel. Marleen en Rovinna waren veel minder
bang, deze
keer; ze zagen er lang niet zo gevaarlijk uit als die ridders van daarnet.
Toen de mensen
dichterbij kwamen zagen de meisjes, dat er een grote man, een vrouw en twee
kinderen waren.
Ze hadden hen nu ook gezien en keken verschrikt, maar toen ze zagen dat het
slechts twee
meisjes waren, maakte de man een vriendelijk gebaar en liep op hen af.
'Hallo,' zei de man in een taal die beide meisjes niet kenden, maar wonder
boven wonder toch
konden verstaan. Hij zag er moe en verslagen uit.
'Hallo,' zeiden de meisjes, 'Wie zijn jullie?'
'Ik,' antwoordde de man weer, 'ben Ales. Dit is mijn vrouw, Warie en dat
zijn mijn zonen.'
Rovinna keek naar de vrouw en zag, dat ze gehuild had.
'Wij zijn boeren uit de omgeving. Niet ver hier vandaan stond onze
boerderij, maar hij is in
brand gestoken door de vijandelijke ridders. We zijn al onze bezittingen
kwijt.'
'Wat erg, zei Rovinna en keek naar de grond.'
'Maar wat doen jullie hier alleen in het bos?' zei een van de zonen.
'Dat weten wij ook niet. We waren bij ons op school, en toen opeens hier in
het bos. Ik denk
dat we naar een andere wereld zijn gegaan, of terug in de tijd.'
'Dit is het jaar 59 na het stichten van Horta.'
'Het stichten van wat?'
'Horta, het land van koning Mawerub.'
'Daar heb ik nog nooit van gehoord,' zei Rovinna, die erg goed was in
geschiedenis en
aardrijkskunde.
'Pap,' sprak de langste zoon, 'Mag ik wat zeggen?' De vader knikte. 'Ik
kreeg vannacht een
droom. Ik droomde van een meisje, dat eruit zag als zij.' zei hij, naar
Rovinna wijzend, 'en
iemand, een vrouw in witte kleren, zei tegen haar: "Je hebt een taak. Ik zal
hulp geven, maar
jij zult hem volbrengen." Toen zag ik een roos, en daarna een koets en ik
werd wakker.'
'Ik heb ook iets gedroomd, dat er wel wat op lijkt,' zei Rovinna en vertelde
haar droom.
Hoofdstuk 2
de Wijzen van Horta
'Dit kan geen toeval zijn,' zei de vrouw met een beverig stemmetje, 'dat kan
niet. Hier moet
een reden voor zijn.'
'Ongetwijfeld. Ik denk, dat jullie hier moesten komen. Kom mee. We brengen
jullie naar de
Wijzen toe.'
'De Wijzen?'
'Ja. Mensen en Elfen, die veel weten. Zij kunnen jullie vast wel helpen.'
'Elfen?'
'Ja, Elfen. Kennen jullie geen Elfen dan? Twintig centimeter groot, met
vleugels als van een
libel. Jullie komen echt van een andere wereld, denk ik.'
Met z'n zessen liepen ze de lange weg af. Na een halfuur zagen ze een
bijna-afgebrande
boerderij. De vrouw begon spontaan weer te huilen en de jongens probeerden
haar te troosten.
Het was een droevig gezicht: wolken rook rezen op uit de puinhopen en
vervuilden de lucht.
De zon was niet meer te zien.
Ze liepen verder en na een uur te hebben gelopen kwamen ze bij een groot
gebouw aan. Een
mooi gebouw, net een kasteel, met torens en vlaggen. Ze mochten naar binnen
en daar
moesten ze in een kamer staan wachten. Wachten tot de wijzen binnen zouden
komen en dat
duurde gelukkig niet al te lang. Vijf grote lange mannen met grijze baarde
stapten de kamer
binnen. Hun lange gewaden sleepten over de grond. Achter hen vlogen vier
elfjes.
'Mijn vrienden,' sprak de man, 'Ik vernam dat jullie iets te vertellen
hebben?'
'Ja,' zij Ales, 'Wij moeten iets heel belangrijks zeggen.' En hij begon over
de dromen te
vertellen die Rovinna en z'n zoon hadden gehad. De Wijzen toonden erg veel
belangstelling.
Ze vroegen naar details zoals: Hoe zag die vrouw er precies uit? En hoe kwam
je in deze
wereld? Kan je die vallei beschrijven?
Rovinna vertelde alles en daarna overlegden de wijzen in een andere kamer.
Het wachten duurde lang, maar toen ze eenmaal terug kwamen begonnen ze te
vertellen.
'Rovinna. Jouw droom is van groot belang voor ons. En ook die van Kiam (zo
heet de zoon)
om de waarheid te bewijzen.
Ik zal je vertellen over de toestand in het werelddeel Ùlmónìb. Toen de
Mensen en Elfen van
over de zee hier aankwamen woonden zij korte tijd in vrede. Zij verdeelden
het land, maar
velen waren ontevreden, en ook de oorspronkelijke bewoners waren kwaad op de
nieuwe
heersers. Er braken oorlogen uit, die in het zuiden en het midden het
hevigst waren.
Duizenden slachtoffers zijn gevallen en nog steeds duurt de oorlog voort.
Ook hier in Horta,
het land van koning Mawerub. Hij wilde dit land het mooiste van de wereld
maken. Met zijn
toverkrachten kwam hij ver, maar een burgeroorlog bracht vernieling aan, en
hij was niet in
staat de oorlog te stoppen. Vernielingen gaan door, alles dat mooi is gaat
ten onder. Geheime
groepen stoken iedereen op.'
'Net zoals die ruiters die we pas zagen en die hun huis in brand hebben
gestoken,' onderbrak
Marleen hem.'
'Dat kan heel goed, meisje. Ze vernielen dingen, omdat hun zelf eens pijn is
aangedaan. Ze
kunnen hun leed verzachten door anderen te pijnigen.
Maar weer verder met het verhaal:
Mawerub heeft tijdenlang machteloos toegekeken. Hij is vertrokken naar
andere landen om
oplossingen te zoeken, maar vond ze niet. Uiteindelijk heeft hij gezegd, dat
hij het land zal
verlaten totdat er vrede zal heersen en dan richt hij het op en zal het een
paradijs maken, zoals
hij eens van plan was. Niemand weet waar hij nu is, maar zijn mensen zeggen,
dat hij werkt
aan een plan.
Er gaat immers een legende over de Vallei van Vrede, Pàrtébì, waar de
Sleutel van Vrede is.
De vallei kan alleen door kinderen worden gevonden en betreden. Jullie zijn
de
uitverkorenen.' Hij wees naar Marleen, Rovinna, Kiam en Kascum met zijn
rimpelige vinger.
'Jullie moeten de vrede herstellen.'
'Maar wij weten niet waar die vallei is! Hoe kunnen wij dan ooit de Sleutel
van Vrede
vinden?' vroeg Rovinna
'Kijk eens op deze kaart. Wij zijn hier.' Hij tikte op een plek op de kaart,
waar met mooie
letters - zij kenden de letters niet, maar konden ze wel lezen - Horta
stond. En daar, zegt men,
ligt de Pàrtébì, de Vallei van Vrede.
'Dat is een heel eind. Meer dan....' zei Kascum verbaasd, maar hij werd
onderbroken door de
oude man: 'Ja, inderdaad. Maar we kunnen jullie een heel eind helpen. Jullie
moeten naar de
Goudbergen. Wij zullen zo ver meegaan als mogelijk is.
Die avond kregen ze een goed diner, en een warm bed. Alle vier droomden ze
over hun reis.
De vader en de moeder praatten nog lang na met de Wijzen.
Hoofdstuk 3
de reis
Vroeg werden ze gewekt. 'Opstaan, er gaan geruchten van een aanval van
vijanden in deze
streek. Nergens is het meer veilig, maar hier zal het waarschijnlijk het
minst veilig zijn de
komende dagen. Vandaag moet het gebeuren. Jullie moeten vertrekken.'
Het ontbijt smaakte goed, maar toch kreeg geen van de kinderen veel op.
Allen kregen ze een paard. Rovinna een bruine (ze had altijd al een paard
gewild) en een
beetje moeizaam reden ze langzaam voort. Ze leerden snel en al gauw konden
ze goed
paardrijden. de wijzen verwonderden zich over hun kunnen, maar waren blij
dat het tot zover
goed ging. Rond neger uur vertrokken ze. De lucht was grijs en zo af en toe
regende het
zachtjes. Dagen lang reden tien ruiters (Rovinna, Marleen, Kiam, Kascum,
Ales, Warie en
vier Wijzen) uit Horta naar het noordwesten. Rovinna genoot van het
landschap, ondanks dat
ze soms vernielde schuren en huizen zag staan. Geen van allen zei veel.
Op de vijfde dag schrokken ze allemaal; ze waren net Horta uit, reden een
steile heuvel over
en zagen aan de andere kant twee grote legers staan. Zwaarden klonken en
mannen
schreeuwden. Rovinna vond het vreselijk om te zien. Dode lichamen lagen
overal en het stonk
er verschrikkelijk. Toen besloot ze dat ze alles zou doen om de vrede te
doen terugkeren.
Alles om deze verschrikking maar weer te laten stoppen.
'Omkeren! Voor wij ook in deze strijd betrokken raken!' schreeuwde de oude
Wijze. Ze
draaiden om en reden verder. Nog een keer keek Rovinna naar het
verschrikkelijke
schouwspel en rilde.
De reis was lang, maar zonder al te veel obstakels kwamen ze bij de Lange
Rivier aan. Er was
geen vlot of boot en dus konden ze de rivier niet over.
'Daar staan we dan,' jammerde Marleen, 'Zo ver, en toch kunnen we niet
verder.'
'We moeten de moed absoluut niet opgeven.' zei Ales, 'Misschien krijgen we
onverwacht
hulp. Want als Mawerub de Tovenaar ons deze taak heeft gegeven zal hij ons
niet op de helft
laten stranden.'
'Daar zit wat in,' mompelde de Wijzen en ze verwonderden zich over Ales'
wijsheid. 'Kom,
we lopen tegen de stroom van de rivier in naar het noorden. Misschien kunnen
we daar meer.'
En dus liepen de tien figuren op de oever naar het noorden. Jammer genoeg
was dit een
dunbevolkt gebied. Kilometers lang was er geen ziel te bekennen, maar (wat
weer positief
was) ook geen vernielde woningen en de lucht was zelfs eventjes blauw.
'Stil!' fluisterde Kascum, 'ik hoor iets. Muziek of zo.'
Allen spanden zich in en tot hun verrassing hoorden zij inderdaad muziek.
Zacht, zuiver en
warm. Ze liepen iets van de rivier af en in een kring van bomen vierden een
grote groep elfen
feest.
'He, kijk daar eens!' schreeuwde een van de elfen. 'Mensen.' Een wild gejoel
klonk en
allemaal blije elfen vlogen naar hen toe en nog eens honderden zaten,
stonden en lagen op de
grond.
'Wees welkom en wees onze gasten voor vanavond, vermoeide reizigers. We
hebben vlees en
wijn en melk en honing. Luister naar onze muziek en vier het feest met ons.'
Dat lieten ze zich absoluut geen twee keer zeggen en dus zaten ze weldra in
de kring van
bomen rond een vuur te smullen van de lekkernijen en te luisteren naar de
muziek. Elfen zijn
goede eters, ze hebben altijd voedsel in overvloed, dus was er genoeg voor
onze reizigers.
'Wat brengt jullie hier?' vroeg een grote Elf die blijkbaar de baas was. Het
hele verhaal werd
weer van voren tot achteren verteld en met open monden luisterde iedereen.
'En nu kunnen jullie de rivier niet over? Kom, kom. Wij zullen jullie
helpen. Voor de Vrede
doen we alles. Maar rust eerst uit. Morgen komt de oversteek.'
De nacht was warm, maar de ochtend begon fris. De elfen waren al vroeg in de
weer geweest.
Ze hadden duizenden bladeren van bomen geplukt uit de omgeving. Grote
bladeren van
bomen die bij ons niet groeien. Met fijne steekjes naaiden ze die aan
elkaar.
'Kom beste vrienden, dit wordt jullie boot.'
'Ik denk niet dat dit zal drijven.' zei de oude wijze.
'Wie had het dan over "drijven"? De Mensen keken de grote Elf verbaasd aan,
maar brachten
er niets tegenin.
Vroeg in de middag was alles klaar. Vier grote dekens van bladeren lagen aan
de oever van de
Lange Rivier.
'We beginnen met jullie,' zei de grote Elf en wees naar de kinderen.
'Wij?'
'Ja jullie! en een van die ouderen daar. Goed. Ga er nu maar op staan.' Dat
deden ze, dus met
z'n vijven stonden ze op een deken. Honderden Elfen gingen aan de rand staan
en pakten de
deken op, zoemden met hun vleugels en trokken de deken mee omhoog. Marleen
gilde en
pakte zich vast aan Kiam. Ze vlogen over de rivier heen, langzaam maar
vloeiend. Aan de
overkant werden ze weer neergezet, en zo deden de elfen dat met iedereen,
ook met de
paarden, maar dat kostte wat meer moeite.
'Ongelofelijk,' zei Ales, 'Dat dit mogelijk is.' De Elfen zwaaiden naar hen
en vlogen snel
weer weg, zodat ze weer alleen achterbleven, maar nu aan de andere kant van
de rivier.
Nog eens drie dagen reden ze naar het noordwesten en toen ze aan de voet van
de Goudbergen
stonden sloegen ze hun kamp op.
'De Goudbergen zijn zo genoemd omdat men zegt dat er goud te vinden is,' zei
een van de
Wijzen, 'maar niemand weet of dat wel waar is. Niemand die er geweest is, is
ooit
teruggekeerd.'
'Waar zijn die mensen dan gebleven?' vroeg Kiam.
'Men denkt dat ze de ingang naar de Vallei van Vrede door zijn gegaan en je
weet, dat alleen
kinderen die mogen betreden. Morgen moeten jullie gaan. Alleen, wij gaan
niet verder mee,
maar we zullen op jullie wachten.'
En zo werd het een onrustige nacht voor hen. Niemand had veel slaap en allen
lagen in
spanning, voor wat komen zou.
Hoofdstuk 4
Het goud
De zon scheen af en toe door de grijze wolken heen. De kinderen kregen
proviand mee en
kregen tips van de Wijzen. Ze werden uitgezwaaid toen ze de eerste rotsen
over klommen. Het
was niet moeilijk lopen tot zover; het ging zelfs vrij gemakkelijk. De
rotsen lagen vast en er
groeiden ook nog veel bomen. Toch keken ze bij elke stap uit, want ze
moesten natuurlijk
zonder kleerscheuren aankomen. En ook een botbreuk of zoiets ergs konden ze
zeker niet
gebruiken. Koude beekjes koelden hun voeten af en ze zongen liederen met
elkaar.
De bergen, de bergen.
Hoog op het land.
Met bomen, met bomen,
sierlijk gepland.
De bergen hoog, de paden lang,
het water koud, wij zijn niet bang.
De bergen, de bergen,
wij komen er an.
'Hoor je dat?' zei Marleen, 'er fluiten weer vogels.' Ze hoorden het
allemaal, grote en kleine
vogels floten een prachtig lied en vlogen door de lucht. Waarschijnlijk vind
jij het helemaal
niet bijzonder als je een vogel ziet, maar als je een paar weken in een
vijandig landschap hebt
geleefd en al die tijd geen vogel hebt gezien, is het geweldig als je er
weer een ziet en hoort
fluiten. Ze stonden dan ook zeker een kwartier alleen te luisteren naar het
gezang, maar toen
werd het toch weer tijd om verder te gaan. Ze namen een broodje en liepen
verder.
'Oh, oh. De weg loopt dood.' zei Kascum.
'Hoe moeten we nu verder?' riep Rovinna.
'Kom,' zei Kiam en griste een touw uit zijn zak. 'Hiermee moeten we deze
rots opklimmen.'
Hij wierp het touw de lucht in en na een paar keer bleef het bovenaan achter
een tak steken.
'Ik ga eerst, jongens,' zei hij. Voorzichtig trok hij aan het touw en zette
een stap op de rots
voor hem. Het touw hield en toen maakte hij zijn andere voet los van de
grond. Z'n hart
bonkte bij elke stap harder. Toen hij bijna bovenaan was gleed het touw los,
hij schreeuwde
en greep met z'n hand nog net de tak beet waar het touw aan vast zat.
'Alle mensen,' zuchtte hij, 'dat ging maar net goed.'
Hij klom op de rots, die erg plat was van de boven kant en bond het touw aan
een boom.
'Oké, hij zit goed vast. Volgende.'
Rovinna ging, daarna Marleen en als laatste Kascum. De eerste etappe hadden
ze gehaald.
Onder een paar struiken sliepen ze die nacht en de volgende dag liepen ze
door. Onderweg
plukten ze vruchten van de bomen en zongen liederen.
'Dat beekje daar. Zie je waar dat vandaan komt?' zei Kascum. 'Het stroomt
vanuit die rots
daar.
'Ja, ik zie het. Er zit een grot in. we zouden er makkelijk in kunnen.' zei
Rovinna.
'En zien jullie wat ik zie?' Ze draaiden allemaal naar Marleen toe.
'In dit water zitten allemaal glinsterende dingen.' Ze haalde een hand vol
steen en zand uit het
water en spoelde toen het zand weg. Tussen de stenen zaten kleine klompjes
goud. 'Het zijn
dus echt Goudbergen.'
'Kom, we gaan die grot in. daar zal nog wel veel meer liggen.' Ze renden
naar de grot en
waadden door het ondiepe water. Het was pikdonker in de grot, maar ze liepen
door.
'Het water wordt steeds ondieper, ' merkte Kiam op, 'Ik ben nu zelfs uit het
water. Op dat
moment zag hij voor zich allemaal glinsterende dingen. 'DAAR! GOUD!'
schreeuwde hij en
trok Rovinna aan haar arm mee en rende naar het goud toe.
'Kijk uit, gek!' schreeuwden Marleen en Kascum, maar de goudkoorts had
toegeslagen bij
Kiam. Hij rende naar het goud toe, maar viel in een diepe kuil van zeker 10
meter diep.
'Kiam? Kiam! Zeg wat.'
'Ik ben niet erg gewond,' kreunde Kiam.
'Met mij gaat het best,' zei Rovinna, 'Er staat hier water.' Marleen pakte
het touw aan dat
Kiam naar boven gooide en trok hen uit het gat.
'Zo zijn dus de ander goudzoekers aan hun einde gekomen,' griezelde ze,
'Arme mensen.'
'We moesten maar weer teruggaan,' zei Kiam.
'Nee, ik denk het niet,' sprak Rovinna hem tegen, 'Zie je dit? Kijk,' zei ze
terwijl ze iets van
de muur krabde. Een gladde achthoekige steen, zo groot als je hand, had ze
vast. Het straalde
een flauw licht uit.
'Wat mooi....'
'Dat ding is vast veel waard,' zei Kiam die weer aan geld dacht. Op dat
moment klonk er een
boel lawaai. Stenen vielen en de muren scheurden. Rovinna liet haar steen
per ongeluk vallen
en het rolde het gat in samen met nog honderden andere grote stenen van de
afbrokkelende
wanden. Gelukkig werden de kinderen niet geraakt. Het leek wel alsof het
bedoeld was op
deze manier in te storten. Het gat waar ze ingevallen waren lag opeens vol
met stenen. 'We
kunnen eroverheen.'
Opnieuw liepen ze verder de grot in. Het goud dat Kiam gezien had was ook de
kuil in
gevallen, maar dat maakte hem nu niet meer uit. Uiteindelijk zagen ze licht.
De uitgang was
bereikt.
'Ooh, wat mooi,' zei Marleen, 'Dit moet wel de Vallei van Vrede zijn.'
'Ja, dit is net als in mijn droom,' stemde Rovinna in. Een gevoel van vrede
kwam in hun. Zo'n
gevoel als wanneer je jarig bent en cadeaus mag uitpakken.
De vallei lag zacht glooiend tussen de bergen in. Veel gras, bomen struiken
en bloemen
groeiden er. Rivieren, mooier dan je je kunt voorstellen.
'Dit is nog mooier dan in mijn droom,' zuchtte ze. Er liep een hert naar hen
toe, tammer dan
een kat en speelser dan een jong hondje.
'Daar, een licht!' Ze liepen erheen, het duurde uren, maar leken slechts
seconden, en zagen dat
het een schone vrouw was in een witte jurk. Ze straalde licht uit en haar
blauwe ogen
doordrongen hen.
'Rovinna,' zei ze met een zachte, warme stem, 'je bent er. Welkom in
Pàrtébì. Je hebt me niet
teleurgesteld.'
'Wist u dat ik zou komen?'
'Ik wist het, en nog meer weet ik. Dingen die gaan gebeuren zijn niet voor
mij geheim. De
vrede die jij gaat brengen zal lang duren... zal mooi en goed zijn.'
'Kan ik niet voor altijd hier blijven?' zei ze en ze voelde zich alsof ze
droomde.
'Nee, dat kan niet. Jij bent nodig, niet hier, maar buiten deze vallei. Jij
zult de Brenger van de
Vrede zijn. Zo zal ik jou ook noemen " Pàrlíkrùsédí ".
Op dat moment verdween alles. Haar vrienden, de mooie vallei en haar
gedachten. Alleen de
vrouw bleef er nog en ze kon haar blik niet van haar af richten. Alles was
wit, maar toch was
zij witter.
'Dochter, Pàrlíkrùsédí, neem dit. Plant dit zaadje in Horta, en mijn vrede
zal daar voor
eeuwen zijn. Ga, en maak je naam waar. Dit is de Sleutel van Vrede, de
Yùgèpàrtìlí. Ga.....
Ga..... Ga......'
Toen verdween de stem, maar Rovinna kon haar omgeving weer zien. Ze stond
niet in de
vallei, maar buiten bij de rots waar ze het riviertje achterna de grot in
gegaan waren. Maar de
grot was verdwenen en het riviertje had een andere loop gekregen. Marleen,
Kiam en Kascum
stonden weer bij haar.
'Was dit nou een droom?' zei Marleen slaperig.
'Nee,' antwoordde Rovinna, 'Kijk eens wat ik bij me heb. Een zaadje van de
Sleutel van
Vrede.'
Het Zaadje glom en straalde een prachtig licht uit. Het had duidelijk de
vrede van de Vallei in
zich. De kinderen voelden zich warm van binnen. Overal waar zij kwamen
klaarde de lucht
op. Vogels floten en dieren kwamen naar hen toe als makke lammetjes. Daar
waren vader,
moeder en de Wijzen weer. Bezorgdheid stond op hun gezicht, maar zodra ze de
kinderen
zagen vielen alle moeilijkheden van hen af.
De reis terug naar Horta duurde niet lang en de rivier oversteken was een
peulenschilletje; er
stonden toevallig twee boten klaar. De mensen die erin zaten waren erg
vriendelijk (dat kwam
vast ook de Sleutel van Vrede) en met hen hadden ze een overvloedig maal. In
het Hart van
Horta heeft de Brenger van Vrede het Zaadje geplant. En toen zijn ze in het
kasteel wezen
slapen. Het kasteel, dat eens toebehoorde aan Mawerub.
Hoofdstuk 5
alles goed
De ochtend was al bijna voorbij toen Rovinna wakker werd.
'Alle mensen, wat heb ik heerlijk geslapen.' Ze liep naar het raam en opende
de gordijnen. In
de grote paleistuin stonden veel bomen, planten en struiken. Het was zo
ongeveer het enige
stukje van Horta, dat nog onbeschadigd was gebleven. De lucht was
helderblauw en de zon
fel.
Wat is dat? dacht ze bij zichzelf. Vanuit de tuin wierp een rode gloed zich
de lucht in.
'Nee, hebben ze hier nu ook al brand gesticht?' Ze rende naar beneden, lange
gangen door,
over de koude stenen van het paleis, de deur door en de tuin in.
'Nee, ze hebben geen brand gesticht,' riep ze uit, 'het ruikt hier niet
vies.' In plaats daarvan
kwam haar een geur tegemoet, die leek op zoete rozen, maar dan wel duizend
bij elkaar. Toen
zag ze het pas. Op de plaats waar ze het Zaadje had geplant stond een grote
roos. Er kwamen
veel Mensen toegelopen en Elfen aangevlogen. De Sleutel van Vrede is
uitgekomen. Het licht
verspreidde zich en iedereen voelde zich blij. Mensen sloten vrede en Elfen
vierde feest.
De mensen die eens zo verbitterd waren (Zoals die ruiters die Marleen en
Rovinna zagen)
voelden zich weer kalm en vredig. Alles was goed. Alles in Horta en ver
daarbuiten.
'Hé, Rovinna.' Kiam kwam op haar aanrennen. 'het is ons gelukt.' 'Gaaf,
he? echt wel.'
In het paleis werd feest gevierd en de verassingen bleven maar komen. Om zes
uur 's Avonds
precies klonken trompetters en daar kwam.... Koning Mawerub zelf. Hij kwam
terug.
'Rovinna. Ik weet wat je voor ons hebt betekend,' sprak hij, 'Ik kan je
alles geven wat je wilt.
Alles.'
Rovinna keek naar Marleen en naar Kiam en naar Kascum. Er was zo veel, dat
ze eigenlijk
wel zou willen. Zo veel. Geld, juwelen, kleren, pracht, praal, hele
koninkrijken. ALLES! Ze
dacht aan haar droom. Dat ze in een prachtige koets zou zitten, met witte
paarden en mooie
kleren. Ze kon een leven leiden als dat van een prinses. Maar toen dacht ze
aan haar huis,
want eigenlijk miste ze haar eigen wereld en haar moeder, haar school, haar
vrienden. Zelfs
enorme rijkdom is niet meer waard.
'Koning,' zei ze, 'Ik wil boven alles graag terug naar huis. Naar m'n eigen
wereld.'
'Kind,' zei hij, 'Dat kan. Dat zal gebeuren, maar neem dit van mij aan!'
Hij gaf haar een armband van goud, bezet met prachtige stenen en haar naam
stond er in
sierlijke letters op.
'Dank u wel. Nog een ding, dan. Als het mag. Majesteit, wilt u zorgen voor
Ales, Warie,
Kiam en Kascum?'
De koning lachte en zei toen luid: 'Ik zal ze behandelen als m'n eigen
familie.'
Op dat moment verdween de gezelligheid in het kasteel. Het geluid van
pratende mensen bleef, maar er waren geen stenen wanden meer met wandtapijten.
Geen dure borden. Geen wapens. Rovinna stond met Marleen in een koepel
van groene bladeren. Een rododendron op het schoolplein. DING DING.
'Rovinna, de bel,' zei Marleen. 'kom, we moeten opschieten.' Rovinna
voelde in haar broekzak. Een gouden armband zat erin. Marleen wist niets
meer van wat ze allemaal beleefd hadden, maar Rovinna dacht nog vaak
terug aan die andere wereld, waar nu vrede was. Misschien kom ik er
nog eens terug, dacht ze. En elke keer als ze iets leuks, iets moois
droomde hoopte ze maar, dat ze weer naar die wereld mocht, want dromen
zijn niet altijd bedrog.
Je kunt Niels mailen op niemax@planet.nl
of ga naar zijn website www.niemax.tk
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home
|