www.kinderverhalen.nl, de site voor en door liefhebbers van kinderverhalen
De brenger van de vrede
door Niels van der Plas

Hoofdstuk 1
de droom en het bos

'Rovinna! Wakker worden!' Rovinna opende een oog en zag in de deuropening haar moeder staan. 'Wasser? Hoelaat's het?' bracht ze moeizaam en slaperig naar buiten. 'Het is al half acht. Over een uur moet je op school zijn. kom, sta op. je ontbijt staat al klaar.'
Traag kleedde Rovinna zich om en daarna liep ze langzaam de trap af, naar de tafel en at haar cornflakes op. Altijd weer vervelend als het weekend weer voorbij is. Heb je eerst een aantal dagen rustig aan kunnen doen, moet je de dag erna weer vroeg naar school. Rovinna nam een hap en dacht na over haar droom. Ze had een mooie droom gehad; ze stond in een groene vallei, met veel bomen, bloemen en gras. En er stroomden heldere beekjes, die uitkwamen in meertjes die wel van glas leken. Heel in de verte straalde een licht haar tegemoet. Ze kon niet anders dan er naar toe lopen en toen ze er was, bleek het een vrouw te zijn, gekleed in een witte jurk. Ze keek vriendelijk naar Rovinna en haar blonde haar wapperde in de wind. Opeens was de vrouw weg, Rovinna draaide zich om en achter haar bloeide een roos, een rode en hij gaf licht. Ze plukte hem en toen kwam er een koets aanrijden. Een witte koets, met tien witte paarden ervoor en in die koets zat zijzelf. Aangekleed als een prinses.

Maar ja. Dromen zijn nu eenmaal bedrog en de harde werkelijkheid is weer begonnen. Want ieder kind, hoe klein of groot dan ook, moet naar school en moet sommen maken, lezen, schrijven en andere dingen leren. Ook Rovinna, dus. Gelukkig had haar moeder haar op tijd wakker gemaakt, want anders was ze vast en zeker te laat gekomen. Kijk, daar was Marleen. Marleen is een heel goede vriendin van haar. Ze praten altijd over van alles en nog wat. 'Marleen! Hier sta ik!' Marleen hoorde haar en rende op haar af. 'Hoi,' zei Marleen,' hoe is het ermee?' 'Goed,' antwoordde Rovinna, 'Ik heb namelijk heel leuk gedroomd vannacht. Ik wou, dat ik die nogmaals kon dromen.' Ze vertelde Marleen wat ze gedroomd had. 'Jammer dat zo'n droom niet echt is, hè,' zei Rovinna. 'Ja, dat zou leuk zijn. Dat we echt prinsessen waren en alles konden kopen wat we leuk vonden. En mooie prinsen en paleizen en prachtige feesten met lakeien en... ooh, dat lijkt me zo geweldig.' Ze liepen naar hun geheime plek op het schoolplein. Dat deden ze altijd als ze het over zoiets hadden. Aan de rand van het plein stonden namelijk hele grote rododendronstruiken. Dat zijn hele grote struiken, maar vaak zit er onder de bladeren, dus bij de stam, een hele grote open plaats. Daar konden ze makkelijk allebei zitten. Voorzichtig, zodat ze niet vies zouden worden, kropen ze onder de struik door en gingen allebei op een tak zitten. En terwijl zij zo zaten te praten werd het steeds drukker op het plein. Over een minuut of 2, 3 zou de bel gaan.

'We moeten maar weer terug naar het plein.' zei Marleen toen ze allemaal mooie dingen hadden besproken.' 'Ja, dat is goed. He, vind jij ook niet dat het opeens zo ontzettend rustig is geworden?' 'Ja, nou je't zegt. Je hoort gewoon niemand meer praten. Alsof er niemand op het schoolplein is.' antwoordde Marleen. Ze kropen onder de takken door en schrokken zich bijna lam. Hun hele schoolplein was verdwenen en alle kinderen en juffrouwen en meesters waren er niet. In plaats daarvan stonden ze in een bos, vol met dennenbomen, sparren en struiken. 'Wat is dit?' schreeuwde Marleen geschrokken. 'Waar zijn we? Waar is alles?' 'Ik weet het niet. Ik weet het niet! Misschien is dit nog een droom. Wil jij me eens knijpen? AUW! Niet zo hard!' Verdwaasd keken ze om zich heen. Het was loeistil in het bos; geen vogel floot, geen dier bewoog, geen bij zoemde en geen mens maakte geluid. Er was werkelijk niets te horen. 'Kom mee.' fluisterde Marleen, 'laten we eens kijken waar we zijn.' 'Waar wil je heen, dan?' vroeg Rovinna. 'Maakt niet uit. Als we maar iemand tegenkomen aan wie we het kunnen vragen. '

En dus liepen ze van de struik af, die hen op een wonderbaarlijke wijze het bos had in getoverd. Dennennaalden en -takjes kraakten onder hun voeten. Toen ze een eind gelopen hadden veranderde het bos. De bomen groeiden minder dicht op elkaar en ook groeide hier meer gras en zo af en toe - zo meende Rovinna - hoorde ze een dier trappelen. Ze schrok er wel van, het kon namelijk een zwijn zijn of misschien wel een wolf, maar toch was ze blij, dat ze weer een geluid hoorde op de brekende takjes na. Na nog een kilometer of wat (hun voeten deden erge pijn) schrokken ze zich wild. Er kwam iemand aan. Nee, wel meerdere personen. Op paarden, heel in de verte. 'Snel, naar een struikje' gilde Rovinna en ze verstopten zich achter een grote struik. De paarden kwamen snel dichterbij. Grote zwarte paarden, sterk en nobel om te zien. Op hen zaten grote ridders, met harnassen en zwaarden en schilden. Twee van hen hadden fakkels bij zich. Toen Marleen het gezicht zag van een van de ruiters schrok ze; hij keek woest en dreigend en haat was van z'n gezicht af te lezen. Gelukkig waren ze snel voorbij en na een paar minuten durfden de meisjes weer van achter de struiken vandaan te komen en fluisterden met elkaar. 'Zag je dat? Ridders! Hoe kan dat nou?' zei Marleen. 'Weet je, ik denk dat we terug in de tijd zijn.' antwoordde Rovinna. 'Of.... misschien wel in een andere wereld!' 'Dat kan ook, misschien.' 'Tjonge he. Zag je hoe die ruiters keken? Hartstikke woest. ik denk niet dat zij veel goeds in de zin hadden, wel?' zei Marleen weer. 'Ik denk het ook niet. Kom zullen we maar weer verder gaan? Gaan we die kant op, waar de ruiters vandaan kwamen.' Het terrein waar ze liepen werd wat hobbeliger en de wereld zag er somber uit, zo in de grijze lucht. Overal heerste de stilte nog en bij iedere bocht verwachtten de kinderen iemand tegen te komen, die niet veel goeds in de zin had. 'KIJK!' schreeuwde Rovinna, 'Daar komen weer mensen aan' Het was waar. In de verte liep een groepje mensen en een magere ezel. Marleen en Rovinna waren veel minder bang, deze keer; ze zagen er lang niet zo gevaarlijk uit als die ridders van daarnet. Toen de mensen dichterbij kwamen zagen de meisjes, dat er een grote man, een vrouw en twee kinderen waren. Ze hadden hen nu ook gezien en keken verschrikt, maar toen ze zagen dat het slechts twee meisjes waren, maakte de man een vriendelijk gebaar en liep op hen af. 'Hallo,' zei de man in een taal die beide meisjes niet kenden, maar wonder boven wonder toch konden verstaan. Hij zag er moe en verslagen uit. 'Hallo,' zeiden de meisjes, 'Wie zijn jullie?' 'Ik,' antwoordde de man weer, 'ben Ales. Dit is mijn vrouw, Warie en dat zijn mijn zonen.' Rovinna keek naar de vrouw en zag, dat ze gehuild had. 'Wij zijn boeren uit de omgeving. Niet ver hier vandaan stond onze boerderij, maar hij is in brand gestoken door de vijandelijke ridders. We zijn al onze bezittingen kwijt.' 'Wat erg, zei Rovinna en keek naar de grond.' 'Maar wat doen jullie hier alleen in het bos?' zei een van de zonen. 'Dat weten wij ook niet. We waren bij ons op school, en toen opeens hier in het bos. Ik denk dat we naar een andere wereld zijn gegaan, of terug in de tijd.' 'Dit is het jaar 59 na het stichten van Horta.' 'Het stichten van wat?' 'Horta, het land van koning Mawerub.' 'Daar heb ik nog nooit van gehoord,' zei Rovinna, die erg goed was in geschiedenis en aardrijkskunde. 'Pap,' sprak de langste zoon, 'Mag ik wat zeggen?' De vader knikte. 'Ik kreeg vannacht een droom. Ik droomde van een meisje, dat eruit zag als zij.' zei hij, naar Rovinna wijzend, 'en iemand, een vrouw in witte kleren, zei tegen haar: "Je hebt een taak. Ik zal hulp geven, maar jij zult hem volbrengen." Toen zag ik een roos, en daarna een koets en ik werd wakker.' 'Ik heb ook iets gedroomd, dat er wel wat op lijkt,' zei Rovinna en vertelde haar droom.

Hoofdstuk 2
de Wijzen van Horta


'Dit kan geen toeval zijn,' zei de vrouw met een beverig stemmetje, 'dat kan niet. Hier moet een reden voor zijn.' 'Ongetwijfeld. Ik denk, dat jullie hier moesten komen. Kom mee. We brengen jullie naar de Wijzen toe.' 'De Wijzen?' 'Ja. Mensen en Elfen, die veel weten. Zij kunnen jullie vast wel helpen.' 'Elfen?' 'Ja, Elfen. Kennen jullie geen Elfen dan? Twintig centimeter groot, met vleugels als van een libel. Jullie komen echt van een andere wereld, denk ik.'

Met z'n zessen liepen ze de lange weg af. Na een halfuur zagen ze een bijna-afgebrande boerderij. De vrouw begon spontaan weer te huilen en de jongens probeerden haar te troosten. Het was een droevig gezicht: wolken rook rezen op uit de puinhopen en vervuilden de lucht. De zon was niet meer te zien. Ze liepen verder en na een uur te hebben gelopen kwamen ze bij een groot gebouw aan. Een mooi gebouw, net een kasteel, met torens en vlaggen. Ze mochten naar binnen en daar moesten ze in een kamer staan wachten. Wachten tot de wijzen binnen zouden komen en dat duurde gelukkig niet al te lang. Vijf grote lange mannen met grijze baarde stapten de kamer binnen. Hun lange gewaden sleepten over de grond. Achter hen vlogen vier elfjes. 'Mijn vrienden,' sprak de man, 'Ik vernam dat jullie iets te vertellen hebben?' 'Ja,' zij Ales, 'Wij moeten iets heel belangrijks zeggen.' En hij begon over de dromen te vertellen die Rovinna en z'n zoon hadden gehad. De Wijzen toonden erg veel belangstelling. Ze vroegen naar details zoals: Hoe zag die vrouw er precies uit? En hoe kwam je in deze wereld? Kan je die vallei beschrijven? Rovinna vertelde alles en daarna overlegden de wijzen in een andere kamer. Het wachten duurde lang, maar toen ze eenmaal terug kwamen begonnen ze te vertellen. 'Rovinna. Jouw droom is van groot belang voor ons. En ook die van Kiam (zo heet de zoon) om de waarheid te bewijzen. Ik zal je vertellen over de toestand in het werelddeel Ùlmónìb. Toen de Mensen en Elfen van over de zee hier aankwamen woonden zij korte tijd in vrede. Zij verdeelden het land, maar velen waren ontevreden, en ook de oorspronkelijke bewoners waren kwaad op de nieuwe heersers. Er braken oorlogen uit, die in het zuiden en het midden het hevigst waren. Duizenden slachtoffers zijn gevallen en nog steeds duurt de oorlog voort. Ook hier in Horta, het land van koning Mawerub. Hij wilde dit land het mooiste van de wereld maken. Met zijn toverkrachten kwam hij ver, maar een burgeroorlog bracht vernieling aan, en hij was niet in staat de oorlog te stoppen. Vernielingen gaan door, alles dat mooi is gaat ten onder. Geheime groepen stoken iedereen op.' 'Net zoals die ruiters die we pas zagen en die hun huis in brand hebben gestoken,' onderbrak Marleen hem.' 'Dat kan heel goed, meisje. Ze vernielen dingen, omdat hun zelf eens pijn is aangedaan. Ze kunnen hun leed verzachten door anderen te pijnigen. Maar weer verder met het verhaal: Mawerub heeft tijdenlang machteloos toegekeken. Hij is vertrokken naar andere landen om oplossingen te zoeken, maar vond ze niet. Uiteindelijk heeft hij gezegd, dat hij het land zal verlaten totdat er vrede zal heersen en dan richt hij het op en zal het een paradijs maken, zoals hij eens van plan was. Niemand weet waar hij nu is, maar zijn mensen zeggen, dat hij werkt aan een plan. Er gaat immers een legende over de Vallei van Vrede, Pàrtébì, waar de Sleutel van Vrede is. De vallei kan alleen door kinderen worden gevonden en betreden. Jullie zijn de uitverkorenen.' Hij wees naar Marleen, Rovinna, Kiam en Kascum met zijn rimpelige vinger. 'Jullie moeten de vrede herstellen.' 'Maar wij weten niet waar die vallei is! Hoe kunnen wij dan ooit de Sleutel van Vrede vinden?' vroeg Rovinna 'Kijk eens op deze kaart. Wij zijn hier.' Hij tikte op een plek op de kaart, waar met mooie letters - zij kenden de letters niet, maar konden ze wel lezen - Horta stond. En daar, zegt men, ligt de Pàrtébì, de Vallei van Vrede. 'Dat is een heel eind. Meer dan....' zei Kascum verbaasd, maar hij werd onderbroken door de oude man: 'Ja, inderdaad. Maar we kunnen jullie een heel eind helpen. Jullie moeten naar de Goudbergen. Wij zullen zo ver meegaan als mogelijk is.

Die avond kregen ze een goed diner, en een warm bed. Alle vier droomden ze over hun reis. De vader en de moeder praatten nog lang na met de Wijzen.

Hoofdstuk 3
de reis


Vroeg werden ze gewekt. 'Opstaan, er gaan geruchten van een aanval van vijanden in deze streek. Nergens is het meer veilig, maar hier zal het waarschijnlijk het minst veilig zijn de komende dagen. Vandaag moet het gebeuren. Jullie moeten vertrekken.' Het ontbijt smaakte goed, maar toch kreeg geen van de kinderen veel op. Allen kregen ze een paard. Rovinna een bruine (ze had altijd al een paard gewild) en een beetje moeizaam reden ze langzaam voort. Ze leerden snel en al gauw konden ze goed paardrijden. de wijzen verwonderden zich over hun kunnen, maar waren blij dat het tot zover goed ging. Rond neger uur vertrokken ze. De lucht was grijs en zo af en toe regende het zachtjes. Dagen lang reden tien ruiters (Rovinna, Marleen, Kiam, Kascum, Ales, Warie en vier Wijzen) uit Horta naar het noordwesten. Rovinna genoot van het landschap, ondanks dat ze soms vernielde schuren en huizen zag staan. Geen van allen zei veel. Op de vijfde dag schrokken ze allemaal; ze waren net Horta uit, reden een steile heuvel over en zagen aan de andere kant twee grote legers staan. Zwaarden klonken en mannen schreeuwden. Rovinna vond het vreselijk om te zien. Dode lichamen lagen overal en het stonk er verschrikkelijk. Toen besloot ze dat ze alles zou doen om de vrede te doen terugkeren. Alles om deze verschrikking maar weer te laten stoppen. 'Omkeren! Voor wij ook in deze strijd betrokken raken!' schreeuwde de oude Wijze. Ze draaiden om en reden verder. Nog een keer keek Rovinna naar het verschrikkelijke schouwspel en rilde. De reis was lang, maar zonder al te veel obstakels kwamen ze bij de Lange Rivier aan. Er was geen vlot of boot en dus konden ze de rivier niet over. 'Daar staan we dan,' jammerde Marleen, 'Zo ver, en toch kunnen we niet verder.' 'We moeten de moed absoluut niet opgeven.' zei Ales, 'Misschien krijgen we onverwacht hulp. Want als Mawerub de Tovenaar ons deze taak heeft gegeven zal hij ons niet op de helft laten stranden.' 'Daar zit wat in,' mompelde de Wijzen en ze verwonderden zich over Ales' wijsheid. 'Kom, we lopen tegen de stroom van de rivier in naar het noorden. Misschien kunnen we daar meer.'

En dus liepen de tien figuren op de oever naar het noorden. Jammer genoeg was dit een dunbevolkt gebied. Kilometers lang was er geen ziel te bekennen, maar (wat weer positief was) ook geen vernielde woningen en de lucht was zelfs eventjes blauw.

'Stil!' fluisterde Kascum, 'ik hoor iets. Muziek of zo.' Allen spanden zich in en tot hun verrassing hoorden zij inderdaad muziek. Zacht, zuiver en warm. Ze liepen iets van de rivier af en in een kring van bomen vierden een grote groep elfen feest.

'He, kijk daar eens!' schreeuwde een van de elfen. 'Mensen.' Een wild gejoel klonk en allemaal blije elfen vlogen naar hen toe en nog eens honderden zaten, stonden en lagen op de grond. 'Wees welkom en wees onze gasten voor vanavond, vermoeide reizigers. We hebben vlees en wijn en melk en honing. Luister naar onze muziek en vier het feest met ons.' Dat lieten ze zich absoluut geen twee keer zeggen en dus zaten ze weldra in de kring van bomen rond een vuur te smullen van de lekkernijen en te luisteren naar de muziek. Elfen zijn goede eters, ze hebben altijd voedsel in overvloed, dus was er genoeg voor onze reizigers. 'Wat brengt jullie hier?' vroeg een grote Elf die blijkbaar de baas was. Het hele verhaal werd weer van voren tot achteren verteld en met open monden luisterde iedereen. 'En nu kunnen jullie de rivier niet over? Kom, kom. Wij zullen jullie helpen. Voor de Vrede doen we alles. Maar rust eerst uit. Morgen komt de oversteek.'

De nacht was warm, maar de ochtend begon fris. De elfen waren al vroeg in de weer geweest. Ze hadden duizenden bladeren van bomen geplukt uit de omgeving. Grote bladeren van bomen die bij ons niet groeien. Met fijne steekjes naaiden ze die aan elkaar. 'Kom beste vrienden, dit wordt jullie boot.' 'Ik denk niet dat dit zal drijven.' zei de oude wijze. 'Wie had het dan over "drijven"? De Mensen keken de grote Elf verbaasd aan, maar brachten er niets tegenin. Vroeg in de middag was alles klaar. Vier grote dekens van bladeren lagen aan de oever van de Lange Rivier. 'We beginnen met jullie,' zei de grote Elf en wees naar de kinderen. 'Wij?' 'Ja jullie! en een van die ouderen daar. Goed. Ga er nu maar op staan.' Dat deden ze, dus met z'n vijven stonden ze op een deken. Honderden Elfen gingen aan de rand staan en pakten de deken op, zoemden met hun vleugels en trokken de deken mee omhoog. Marleen gilde en pakte zich vast aan Kiam. Ze vlogen over de rivier heen, langzaam maar vloeiend. Aan de overkant werden ze weer neergezet, en zo deden de elfen dat met iedereen, ook met de paarden, maar dat kostte wat meer moeite. 'Ongelofelijk,' zei Ales, 'Dat dit mogelijk is.' De Elfen zwaaiden naar hen en vlogen snel weer weg, zodat ze weer alleen achterbleven, maar nu aan de andere kant van de rivier. Nog eens drie dagen reden ze naar het noordwesten en toen ze aan de voet van de Goudbergen stonden sloegen ze hun kamp op. 'De Goudbergen zijn zo genoemd omdat men zegt dat er goud te vinden is,' zei een van de Wijzen, 'maar niemand weet of dat wel waar is. Niemand die er geweest is, is ooit teruggekeerd.' 'Waar zijn die mensen dan gebleven?' vroeg Kiam. 'Men denkt dat ze de ingang naar de Vallei van Vrede door zijn gegaan en je weet, dat alleen kinderen die mogen betreden. Morgen moeten jullie gaan. Alleen, wij gaan niet verder mee, maar we zullen op jullie wachten.' En zo werd het een onrustige nacht voor hen. Niemand had veel slaap en allen lagen in spanning, voor wat komen zou.

Hoofdstuk 4
Het goud


De zon scheen af en toe door de grijze wolken heen. De kinderen kregen proviand mee en kregen tips van de Wijzen. Ze werden uitgezwaaid toen ze de eerste rotsen over klommen. Het was niet moeilijk lopen tot zover; het ging zelfs vrij gemakkelijk. De rotsen lagen vast en er groeiden ook nog veel bomen. Toch keken ze bij elke stap uit, want ze moesten natuurlijk zonder kleerscheuren aankomen. En ook een botbreuk of zoiets ergs konden ze zeker niet gebruiken. Koude beekjes koelden hun voeten af en ze zongen liederen met elkaar.

De bergen, de bergen.
Hoog op het land.
Met bomen, met bomen,
sierlijk gepland.
De bergen hoog, de paden lang,
het water koud, wij zijn niet bang.
De bergen, de bergen,
wij komen er an.

'Hoor je dat?' zei Marleen, 'er fluiten weer vogels.' Ze hoorden het allemaal, grote en kleine vogels floten een prachtig lied en vlogen door de lucht. Waarschijnlijk vind jij het helemaal niet bijzonder als je een vogel ziet, maar als je een paar weken in een vijandig landschap hebt geleefd en al die tijd geen vogel hebt gezien, is het geweldig als je er weer een ziet en hoort fluiten. Ze stonden dan ook zeker een kwartier alleen te luisteren naar het gezang, maar toen werd het toch weer tijd om verder te gaan. Ze namen een broodje en liepen verder. 'Oh, oh. De weg loopt dood.' zei Kascum. 'Hoe moeten we nu verder?' riep Rovinna. 'Kom,' zei Kiam en griste een touw uit zijn zak. 'Hiermee moeten we deze rots opklimmen.' Hij wierp het touw de lucht in en na een paar keer bleef het bovenaan achter een tak steken. 'Ik ga eerst, jongens,' zei hij. Voorzichtig trok hij aan het touw en zette een stap op de rots voor hem. Het touw hield en toen maakte hij zijn andere voet los van de grond. Z'n hart bonkte bij elke stap harder. Toen hij bijna bovenaan was gleed het touw los, hij schreeuwde en greep met z'n hand nog net de tak beet waar het touw aan vast zat. 'Alle mensen,' zuchtte hij, 'dat ging maar net goed.' Hij klom op de rots, die erg plat was van de boven kant en bond het touw aan een boom. 'Oké, hij zit goed vast. Volgende.' Rovinna ging, daarna Marleen en als laatste Kascum. De eerste etappe hadden ze gehaald. Onder een paar struiken sliepen ze die nacht en de volgende dag liepen ze door. Onderweg plukten ze vruchten van de bomen en zongen liederen. 'Dat beekje daar. Zie je waar dat vandaan komt?' zei Kascum. 'Het stroomt vanuit die rots daar. 'Ja, ik zie het. Er zit een grot in. we zouden er makkelijk in kunnen.' zei Rovinna. 'En zien jullie wat ik zie?' Ze draaiden allemaal naar Marleen toe. 'In dit water zitten allemaal glinsterende dingen.' Ze haalde een hand vol steen en zand uit het water en spoelde toen het zand weg. Tussen de stenen zaten kleine klompjes goud. 'Het zijn dus echt Goudbergen.' 'Kom, we gaan die grot in. daar zal nog wel veel meer liggen.' Ze renden naar de grot en waadden door het ondiepe water. Het was pikdonker in de grot, maar ze liepen door. 'Het water wordt steeds ondieper, ' merkte Kiam op, 'Ik ben nu zelfs uit het water. Op dat moment zag hij voor zich allemaal glinsterende dingen. 'DAAR! GOUD!' schreeuwde hij en trok Rovinna aan haar arm mee en rende naar het goud toe. 'Kijk uit, gek!' schreeuwden Marleen en Kascum, maar de goudkoorts had toegeslagen bij Kiam. Hij rende naar het goud toe, maar viel in een diepe kuil van zeker 10 meter diep. 'Kiam? Kiam! Zeg wat.' 'Ik ben niet erg gewond,' kreunde Kiam. 'Met mij gaat het best,' zei Rovinna, 'Er staat hier water.' Marleen pakte het touw aan dat Kiam naar boven gooide en trok hen uit het gat. 'Zo zijn dus de ander goudzoekers aan hun einde gekomen,' griezelde ze, 'Arme mensen.' 'We moesten maar weer teruggaan,' zei Kiam. 'Nee, ik denk het niet,' sprak Rovinna hem tegen, 'Zie je dit? Kijk,' zei ze terwijl ze iets van de muur krabde. Een gladde achthoekige steen, zo groot als je hand, had ze vast. Het straalde een flauw licht uit. 'Wat mooi....' 'Dat ding is vast veel waard,' zei Kiam die weer aan geld dacht. Op dat moment klonk er een boel lawaai. Stenen vielen en de muren scheurden. Rovinna liet haar steen per ongeluk vallen en het rolde het gat in samen met nog honderden andere grote stenen van de afbrokkelende wanden. Gelukkig werden de kinderen niet geraakt. Het leek wel alsof het bedoeld was op deze manier in te storten. Het gat waar ze ingevallen waren lag opeens vol met stenen. 'We kunnen eroverheen.' Opnieuw liepen ze verder de grot in. Het goud dat Kiam gezien had was ook de kuil in gevallen, maar dat maakte hem nu niet meer uit. Uiteindelijk zagen ze licht. De uitgang was bereikt. 'Ooh, wat mooi,' zei Marleen, 'Dit moet wel de Vallei van Vrede zijn.' 'Ja, dit is net als in mijn droom,' stemde Rovinna in. Een gevoel van vrede kwam in hun. Zo'n gevoel als wanneer je jarig bent en cadeaus mag uitpakken. De vallei lag zacht glooiend tussen de bergen in. Veel gras, bomen struiken en bloemen groeiden er. Rivieren, mooier dan je je kunt voorstellen. 'Dit is nog mooier dan in mijn droom,' zuchtte ze. Er liep een hert naar hen toe, tammer dan een kat en speelser dan een jong hondje. 'Daar, een licht!' Ze liepen erheen, het duurde uren, maar leken slechts seconden, en zagen dat het een schone vrouw was in een witte jurk. Ze straalde licht uit en haar blauwe ogen doordrongen hen. 'Rovinna,' zei ze met een zachte, warme stem, 'je bent er. Welkom in Pàrtébì. Je hebt me niet teleurgesteld.' 'Wist u dat ik zou komen?' 'Ik wist het, en nog meer weet ik. Dingen die gaan gebeuren zijn niet voor mij geheim. De vrede die jij gaat brengen zal lang duren... zal mooi en goed zijn.' 'Kan ik niet voor altijd hier blijven?' zei ze en ze voelde zich alsof ze droomde. 'Nee, dat kan niet. Jij bent nodig, niet hier, maar buiten deze vallei. Jij zult de Brenger van de Vrede zijn. Zo zal ik jou ook noemen " Pàrlíkrùsédí ". Op dat moment verdween alles. Haar vrienden, de mooie vallei en haar gedachten. Alleen de vrouw bleef er nog en ze kon haar blik niet van haar af richten. Alles was wit, maar toch was zij witter. 'Dochter, Pàrlíkrùsédí, neem dit. Plant dit zaadje in Horta, en mijn vrede zal daar voor eeuwen zijn. Ga, en maak je naam waar. Dit is de Sleutel van Vrede, de Yùgèpàrtìlí. Ga..... Ga..... Ga......' Toen verdween de stem, maar Rovinna kon haar omgeving weer zien. Ze stond niet in de vallei, maar buiten bij de rots waar ze het riviertje achterna de grot in gegaan waren. Maar de grot was verdwenen en het riviertje had een andere loop gekregen. Marleen, Kiam en Kascum stonden weer bij haar. 'Was dit nou een droom?' zei Marleen slaperig. 'Nee,' antwoordde Rovinna, 'Kijk eens wat ik bij me heb. Een zaadje van de Sleutel van Vrede.' Het Zaadje glom en straalde een prachtig licht uit. Het had duidelijk de vrede van de Vallei in zich. De kinderen voelden zich warm van binnen. Overal waar zij kwamen klaarde de lucht op. Vogels floten en dieren kwamen naar hen toe als makke lammetjes. Daar waren vader, moeder en de Wijzen weer. Bezorgdheid stond op hun gezicht, maar zodra ze de kinderen zagen vielen alle moeilijkheden van hen af. De reis terug naar Horta duurde niet lang en de rivier oversteken was een peulenschilletje; er stonden toevallig twee boten klaar. De mensen die erin zaten waren erg vriendelijk (dat kwam vast ook de Sleutel van Vrede) en met hen hadden ze een overvloedig maal. In het Hart van Horta heeft de Brenger van Vrede het Zaadje geplant. En toen zijn ze in het kasteel wezen slapen. Het kasteel, dat eens toebehoorde aan Mawerub.

Hoofdstuk 5
alles goed


De ochtend was al bijna voorbij toen Rovinna wakker werd. 'Alle mensen, wat heb ik heerlijk geslapen.' Ze liep naar het raam en opende de gordijnen. In de grote paleistuin stonden veel bomen, planten en struiken. Het was zo ongeveer het enige stukje van Horta, dat nog onbeschadigd was gebleven. De lucht was helderblauw en de zon fel. Wat is dat? dacht ze bij zichzelf. Vanuit de tuin wierp een rode gloed zich de lucht in. 'Nee, hebben ze hier nu ook al brand gesticht?' Ze rende naar beneden, lange gangen door, over de koude stenen van het paleis, de deur door en de tuin in. 'Nee, ze hebben geen brand gesticht,' riep ze uit, 'het ruikt hier niet vies.' In plaats daarvan kwam haar een geur tegemoet, die leek op zoete rozen, maar dan wel duizend bij elkaar. Toen zag ze het pas. Op de plaats waar ze het Zaadje had geplant stond een grote roos. Er kwamen veel Mensen toegelopen en Elfen aangevlogen. De Sleutel van Vrede is uitgekomen. Het licht verspreidde zich en iedereen voelde zich blij. Mensen sloten vrede en Elfen vierde feest. De mensen die eens zo verbitterd waren (Zoals die ruiters die Marleen en Rovinna zagen) voelden zich weer kalm en vredig. Alles was goed. Alles in Horta en ver daarbuiten.

'Hé, Rovinna.' Kiam kwam op haar aanrennen. 'het is ons gelukt.' 'Gaaf, he? echt wel.'

In het paleis werd feest gevierd en de verassingen bleven maar komen. Om zes uur 's Avonds precies klonken trompetters en daar kwam.... Koning Mawerub zelf. Hij kwam terug. 'Rovinna. Ik weet wat je voor ons hebt betekend,' sprak hij, 'Ik kan je alles geven wat je wilt. Alles.' Rovinna keek naar Marleen en naar Kiam en naar Kascum. Er was zo veel, dat ze eigenlijk wel zou willen. Zo veel. Geld, juwelen, kleren, pracht, praal, hele koninkrijken. ALLES! Ze dacht aan haar droom. Dat ze in een prachtige koets zou zitten, met witte paarden en mooie kleren. Ze kon een leven leiden als dat van een prinses. Maar toen dacht ze aan haar huis, want eigenlijk miste ze haar eigen wereld en haar moeder, haar school, haar vrienden. Zelfs enorme rijkdom is niet meer waard. 'Koning,' zei ze, 'Ik wil boven alles graag terug naar huis. Naar m'n eigen wereld.' 'Kind,' zei hij, 'Dat kan. Dat zal gebeuren, maar neem dit van mij aan!' Hij gaf haar een armband van goud, bezet met prachtige stenen en haar naam stond er in sierlijke letters op. 'Dank u wel. Nog een ding, dan. Als het mag. Majesteit, wilt u zorgen voor Ales, Warie, Kiam en Kascum?' De koning lachte en zei toen luid: 'Ik zal ze behandelen als m'n eigen familie.'

Op dat moment verdween de gezelligheid in het kasteel. Het geluid van pratende mensen bleef, maar er waren geen stenen wanden meer met wandtapijten. Geen dure borden. Geen wapens. Rovinna stond met Marleen in een koepel van groene bladeren. Een rododendron op het schoolplein. DING DING. 'Rovinna, de bel,' zei Marleen. 'kom, we moeten opschieten.' Rovinna voelde in haar broekzak. Een gouden armband zat erin. Marleen wist niets meer van wat ze allemaal beleefd hadden, maar Rovinna dacht nog vaak terug aan die andere wereld, waar nu vrede was. Misschien kom ik er nog eens terug, dacht ze. En elke keer als ze iets leuks, iets moois droomde hoopte ze maar, dat ze weer naar die wereld mocht, want dromen zijn niet altijd bedrog.


Je kunt Niels mailen op niemax@planet.nl of ga naar zijn website www.niemax.tk

Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren, en je illustraties aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben plezier van onze verhalen.
Dus doe mee !!


omhoog    home