Doc Rudolf en de vriendelijke vampiers
door Steven van Dinter
Er zijn al zoveel verhalen geschreven over vampiers en hun bloeddorstige
rituelen, dat je waarschijnlijk niet op nog zon verhaal zit te
wachten.Toch zijn vampiers niet altijd slecht. Nee, integendeel zelfs,
vampiers kunnen soms ook nuttig zijn. Oké, ik moet toegeven,
ze zijn niet altijd even vriendelijk en te vertrouwen, maar ik heb ze
ook anders meegemaakt. Ik heet trouwens Doc Rudolf en woon al heel wat
jaartjes in een straat waar ook vampiers wonen.
Het begon zon drie jaar geleden. Ik had net vakantie van school
en was lekker aan het spelen met mijn skateboard, toen er een grote
vrachtwagen de straat in kwam rijden. De vrachtwagen, die van een
verhuisbedrijf bleek te zijn, reed naar een huis dat even verder op
de hoek van de straat stond. Dit huis stond, zolang ik me kon herinneren,
al jaren leeg. Er ging een gerucht dat er vreemde dingen waren gebeurd
in dat huis. Niemand wilde er wonen. Mijn vader, die trouwens huizen
verkoopt, wilde met dat huis ook niks te maken hebben! Hij heeft mij
eigenlijk nooit verteld wat zich in dat huis heeft afgespeeld!
Om weer even terug te komen op die beruchte dag. Ik zag dus dat een
aantal verhuizers bezig was meubels naar binnen te dragen. Ik zag
op dat moment geen van de nieuwe bewoners. Oké, je kan tegenwoordig
een sleutel afgeven en het verhuisbedrijf doet de rest. Maar toch,
ik vond het wat vreemd. Ik reed op mijn skateboard richting het huis.
Misschien kon ik van dichtbij iets meer zien. Net toen ik bij de voordeur
aankwam, werd deze dicht gesmeten! Ik kon nog wel zien, dat er zwarte
gordijnen voor de ramen werden opgehangen. Daar stond ik dan, midden
in de straat, kijkend naar een groot huis, waar niks aan te zien was,
te wachten tot er iemand of iets naar buiten kwam. Maar er kwam niemand.
Ik besloot naar huis te gaan om vanuit mijn kamer het huis verder
te observeren.
Je zal wel denken, wat een nieuwsgierig mannetje, laat die mensen
toch. Maar ik had hier gewoon een naar gevoel over en mijn gevoel
liet mij nooit in de steek. En ja hoor, s avonds, rond een uur
of tien, hoorde ik een auto langs ons huis rijden. Ik stapte mijn
bed uit en liep naar het raam. Ik deed de gordijnen een klein stukje
opzij, zodat ik met mijn nachtkijker naar buiten kon kijken. Ik zag
twee mensen, ik kon niet zien of het mannen of vrouwen waren, naar
de achterkant van hun auto lopen. Ze deden de achterbak open en haalden
er wat spullen uit. Ik kon niet zien wat. Op dat moment kwam er een
bus aanrijden. De ramen waren bedekt met iets. Je kon in ieder geval
niet naar binnen kijken.De bus stopte voor het huis. Hier stapten
ook twee mensen uit. Een van hen liep naar het huis en deed de voordeur
open. De ander liep naar de twee, die al eerder waren aangekomen.
Samen liepen ze naar de bus. Ik zag dat ze aan de zijkant van de bus
vier kleppen open deden. Ik schrok! Zag ik het goed? Haalden ze er
doodskisten uit?

Plotseling zag ik één van hen naar mijn huis wijzen.
Ik deed de gordijnen snel dicht. Zouden ze me gezien hebben? Even
later hoorde ik de bel gaan. Ik hoorde mijn vader met iemand praten.
Ik liep, zo zacht als ik kon, naar de badkamer. Hiervandaan kon ik
misschien zien wie er voor de buitendeur stond. Oh nee, mijn vader
had nog steeds de buitenverlichting niet gemaakt. Nu kon ik nog niet
zien wie het was. Ik hoorde wel dat de persoon mijn vader voor iets
bedankte en zag dat hij of zij wegliep. Ik liep naar mijn kamer terug
en pakte mijn nachtkijker weer. Ik hoorde dat de bus werd gestart.
Hij kwam onze kant oprijden. Wat krijgen we nou? Ze parkeren de bus
gewoon voor ons huis. Nu wist ik dus waarvoor die persoon mijn vader
bedankte, hij mocht de bus voor ons huis parkeren.
Ik had besloten om de volgende dag vroeg op te staan. Iedereen lag
dan nog lekker te slapen en ik kon rustig de bus inspecteren. Ik zag
dat bij de bus nog één van de vier kleppen openstond.
Nu kon ik heel makkelijk de bus binnen sluipen. Toen ik éénmaal
binnen was, viel mij op dat er eigenlijk niks raars te zien was. Oké,
op de bedekte ramen na dan, maar verders zag ik niks ongewoons. Ik
was enigszins teleurgesteld. Ik wilde gewoon weten wie of wat er in
mijn straat kwam wonen. Het enige wat er nog opzat, was om naar het
huis te gaan. Dit moest in de late avond gebeuren, zodat ik ongemerkt
het huis binnen kon gaan. Als ik toen eens wist wat me te wachten
stond, dan had ik me waarschijnlijk nergens mee bemoeid.
Het was inmiddels middernacht. Ik deed mijn raam open en ging via
de afvoerpijp naar beneden. Het was koud. Ik rende de straat over
en zorgde ervoor dat ik uit de buurt van de straatverlichting bleef.
Ik hoorde wat! Ik dook bij mijn buren de struiken in. Wat was het?
Nu hoorde ik het weer. Het geluid kwam dichterbij. Het leek wel op
het gesnuffel van een hond! Ik keek tussen een paar takken door en
zag inderdaad een hond. Het was de hond van Rubens, mijn altijd slecht
gehumeurde overbuurman. Dit kon alles verpesten! Ik moest blijven
liggen! Ik moest stil zijn! Gelukkig riep Rubens zijn gedrocht terug,
zodat ik weer verder kon gaan.
Ik was bij het huis aangekomen. Alles leek rustig. Ik kon aan de
voorkant van het huis geen ingang vinden. Alles zat potdicht. Ik liep
naar de achterkant. Hier zag ik dat ze een luik, dat naar de kelder
ging, open hadden laten staan. Ik stond nog te twijfelen, maar besloot
toch naar binnen te gaan. Ik kwam in de kelder en deed mijn zaklantaarn
aan. Het zag er niet ongewoon uit. Het zag er eigenlijk heel normaal
uit. Hier en daar wat rekken met dozen, verfblikken en nog wat stofresten
van de zwarte gordijnen. In de hoek stond een wijnrek, vol met in
mijn ogen, hele dure flessen wijn. Naast het wijnrek stond een kist.
Ik, zo nieuwsgierig als ik was, deed hem open. Dit vond ik vreemd!
Er stonden grote glazen potten in, met een slijmerige substantie.
Het leek wel snot! Ik pakte een van de potten en draaide het deksel
los. Ik raakte met mijn wijsvinger de slijmerige massa aan. Ik voelde
een soort tinteling door mijn hand gaan. Ik wist niet wat ik meemaakte.
Zo snel als ik kon veegde ik mijn hand af. Ik hoopte dat het niet
een of ander chemisch middel was, want dan kon het nog wel eens een
probleem worden.
Ik besloot om via de trap naar boven te gaan. Ik kwam in de hal
van het huis. Het was er zo donker, dat ik mijn eigen handen niet
eens kon zien. Dit kwam natuurlijk door de zwarte gordijnen, die voor
de ramen hingen. Ik liet mijn ogen eerst aan het donker wennen. Links
was de keuken en rechts de woonkamer. In het midden was nog een trap,
die ging nog een etage hoger. Ik liep stilletjes de woonkamer in.
Ik twijfelde of ik mijn zaklantaarn aan moest doen. Hallo Doc,
hoorde ik een stem zeggen. Op dat moment brak het angstzweet bij mij
uit. Ik voelde mijn hart heel diep in mijn lichaam kloppen. Weer hoorde
ik die stem: Ik zei: hallo Doc. Er ging een schemerlamp
aan. Ik stond oog in oog met een jongen van ongeveer mijn leeftijd.
Hij had een zeer bleke huid. Onder zijn lang diepzwart haar kwamen
twee helder blauwe ogen tevoorschijn, die mij doordringend aankeken.
Ik was op dat moment verstijfd van angst. Wat moest ik? Hoe wist hij
mijn naam? Wist hij waarvoor ik gekomen was? Hallo, zei
ik met overslaande stem terug.
Garf, met wie praat je daar? klonk een zachte vrouwenstem.
Met Doc Rudolf, mamma. Op dat moment kwam een vrouw de
kamer binnenlopen. Het viel mij op dat zij ook een zeer bleke huid
had en dezelfde helder blauwe ogen. Hallo Doc, zei de
vrouw tegen mij. Ik wist niet wat me overkwam. Hallo mevrouw,
antwoordde ik. Ik moest een smoes verzinnen. Waarom was ik hun huis
binnengeslopen? Net toen ik wilde zeggen dat ik mijn kat zocht, zei
de vrouw dat ik niet moest liegen. Doc, jullie hebben geen
kat, jullie hebben niet eens huisdieren. Hoe wist ze dat ik
dit wilde gaan zeggen? Er was hier iets vreemds aan de hand. Ik had
niet met normale mensen te maken, maar met wat dan? Zijn jullie
paranormaal? vroeg ik.Allebei stonden ze me hard uit te lachen.
Nee joh, grappenmaker, zei Garf.Wij zijn...
Net voordat Garf zijn zin kon afmaken, hoorden we een doffe knal op
het dak. Wat is dat? vroeg ik. O, dat is mijn vader,
die heeft nogal wat problemen met landen. Ik hoorde voetstappen,
ze kwamen steeds dichterbij.De deur van de woonkamer ging open.
Hallo iedereen, zei de man. Ik schrok me dood! In de
deuropening stond een echte vampier!Hallo Doc, hoe gaat het
met jou? Ik wist eerst niet wat ik moest zeggen. Wat zouden
jullie doen als je in een huiskamer stond, met allemaal vampiers om
je heen. De vampier vertelde mij dat ik niet bang hoefde te zijn,
er zou mij niks gebeuren. Wat doen jullie hier, in mijn straat?
Garf vertelde dat om de vijftig jaar een andere vampierfamilie in
het huis woonde. Ze wisselden elkaar af. Soms kon je het treffen,
en soms niet. Dit waren goede vampiers, die zich voornamelijk bezig
hielden met tuinieren. Nu zul je misschien gaan lachen: een vampier
die tuiniert. Ze vertelden dat ze hun snot in glazen potten deden
en dit dan gebruikten als mest. De planten en bloemen deden het er
erg goed op. In eerste instantie geloofde ik er geen bal van, maar
nu ik er over nadenk: alle tuinen in mijn straat stonden er al jaren
goed bij. Inderdaad Doc, wij gaan in de nacht erop uit om bij
iedereen in de straat de tuin te bemesten. Dus jullie
bijten niet in de nek van mensen en zuigen geen bloed? Nou,
Doc, laat ik zeggen dat je voorlopig geen last hebt van een slecht
gehumeurde overbuurman.
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home