www.kinderverhalen.nl, de site voor en door liefhebbers van kinderverhalen

De sterren
door Niels van der Plas

Dit verhaal is al een soort van vervolg op het vorige (jeweetwel, dat verhaal van Rovinna, Marleen en de Roos van Vrede), maar gaat over iets heel anders.

Noot1: De namen van de Dwergen en van de Dwergstad zijn NIET correct. Dit is niet puur om het iets simpeler te maken, maar ook omdat ik de Dwergentaal nog niet heb. De nu gebruikte namen komen vanuit het Kestaams: de taal van de Elfen. De Dwergentaal en de Elfentaal hebben overigens de zelfde oorsprong en lijken dus op elkaar.
Noot2: Tienixent is niet de eigenlijke naam van dezelfde persoon. zijn eigenlijke naam is Sílòrhó of Sílíh. Tienixent is een vernederlandsing van het Kestaamse Tínìxènt, dat man van de Sterren betekend.
Noot3: In he verhaal komen Tirons voor. Tirons zijn wezens die veel op mensen lijken, maar meer lichaamshaar hebben. Hun onderlinge lengte verschild veel, van 1,30 m tot 2,40 m. Verder is hun gedrag vrijwel gelijk aan dat van de mensen (op de verschillen na) Het zijn immers een soort van broeders.
Bovenstaande informatie is voor diegenen die er eventueel belangstelling voor de talen van Tríèrí hebben.

Dit verhaal gaat over Rovinna en Marleen. Zij hebben al eens eerder een avontuur beleefd. Dat avontuur heet 'De brenger van de Vrede'. Je snapt dit verhaal beter als je dat eerst gelezen hebt, maar je hoeft het niet eerst te lezen.


Hoofdstuk 1 De wensput

In een parkje in een groot Nederlands dorp staat een waterput. Hij is eens gemaakt in de Middeleeuwen en toen moesten de arme boeren hier vaak heen lopen om water te putten. Nu zegt men, dat als je er geld in gooit, je dan een wens mag doen. Onzin natuurlijk, alsof er iemand in die put zit en luisterd naar wat jij zegt en dat er dan iets gebeurt, waardoor je wens uitkomt. Maar toch gooien veel mensen geld in de put, je weet immers maar nooit wat er gebeurt. Zo lopen op een dag ook twee meisjes door het park. De een heeft blond haar en een rode broek aan, met een wit T-shirt en de ander heeft donker haar, draagt een blauwe trui en een witte broek. Ze praatten met elkaar over een avontuur dat ze hadden beleefd. Ze waren samen eens in een andere wereld terechtgekomen en hadden daar met twee andere kinderen een spannende reis gemaakt om de vrede in die wereld te herstellen. Toen ze terugkwamen had het ene meisje niets meer van het avontuur geweten, maar het andere meisje heeft het haar allemaal weer verteld en toen kon ook zij het zich weer herinneren. Ze waren op een bankje gaan zitten, dat vlak bij de wensput stond. 'Wat zou ik graag nog eens terug willen naar die andere wereld,' zei het meisje met het witte T-shirt. Vanaf nu zullen we haar Rovinna noemen, want zo heet ze ook, en die ander, die met die blauwe trui, noemen we Marleen. 'Ik ook,' zei de ander, Marleen dus, 'En dan wil ik nog zo'n avontuur beleven. Want weet je nog hoe mooi het daar allemaal was, toen de zon eindelijk weer scheen en de vrede was teruggekeerd?' 'Ja, tuurlijk weet ik dat nog. Ik weet nog precies dat de vogels floten en dat het heerlijk rook en hoe gezellig het was.' 'Maar, ja... Je komt nu eenmaal niet zo in een andere wereld, hè? Beiden staarden voor zich uit. Er kwam een man aanlopen met een jongetje. Het jongetje trok aan de jas van de man en vroeg of hij geld mocht hebben. De man vroeg waarom hij dat wilde en toen zei de jongen dat hij dat nodig had voor de wensput. Hij kreeg een glimmend muntje en liep naar de put toe. Daar gooide hij het muntje over de rand heen en wachtte tot hij de 'plons' zou horen van het muntje dat in het water viel. Toen deed hij zijn ogen dicht, daarna weer open en keek goed om zich heen. Hij leek erg verbaasd. 'Pap!' schreeuwde hij, 'Ik heb meer geld nodig. Mijn wens is nog niet uitgekomen.' De man lachte, maar wenkte de jongen dat hij daar niet daaraan niet mee zou doen en dus liepen ze allebei weer weg. 'Tja, in onze wereld bestaat er nu eenmaal geen magie meer,' zei Rovinna. 'Waar nog wel dan?' vroeg Marleen. 'In de wereld waar we toen waren. Weet je nog dat ze het over tovenaars hadden?' 'Oh, ja. Je hebt gelijk. Maar... Denk je dan niet dat we door die toverkracht weer terug kunnen gaan naar die wereld?' 'Hoe bedoel je? 'Nou, door die wensput, natuurlijk!' 'Wat? Wil je in die put springen en dan hopen dat je weer terug komt in die andere wereld?' 'Nee, ik bedoel dat we een wens kunnen doen.' Rovinna stribbelde eerst nog wat tegen, ze had geen zin om geld weg te gooien en er waarschijnlijk niets voor terug te krijgen, maar Marleen wist haar toch over te halen. En dus liepen ze samen naar de put, pakten beiden een muntje en gooiden het er tegelijk in. Daarna pakten ze elkaar hand vast en deden een wens. 'Ik wens dat we terug naar de wereld van Horta gaan,' zei Marleen. 'Ik wens dat ook,' riep Rovinna er achteraan. Toen ze opkeken en hun ogen open deden - die hadden ze namelijk dicht gedaan - bleek dat ze nog steeds in het park stonden. Hun mooie plan viel in duigen. Marleen keek beteuterd weer in de put en op dat moment vergat ze waarvoor ze bij de put stonden. Want in de put zelf hoorde ze een geluid. Het klonk alsof het water opborrelde. Samen keken ze de in de put en staken hun hoofden er zo ver in dat ze niets meer zagen. Het was pikdonker in de diepe put. 'Kun jij zien wat dat geluid is?' vroeg Rovinna. 'Nee, het is één zwart gat daar beneden,' antwoordde Marleen. Het geborrel stierf weg en het leek toen nog donkerder te zijn geworden. Donkerder dan de nacht, bijna. Marleen en Rovinna keken weer op en zagen tot hun verschrikking dat het ook echt nacht was! Zo was het een klaarlichte dag geweest en zo was het nacht. 'Hoe lang hebben we in die put staan kijken?' gilde Marleen, 'Toch niet langer dan een halve minuut, denk ik. Of...' Ze maakte haar zin niet af, want iets anders had alweer haar aandacht (en die van Rovinna) getrokken. Rond de put stonden allemaal bloemen van wel meer dan twee meter hoog. Bloemen met witte blaadjes en gele hartjes en de bladeren van de steel hadden mooie vormen. Maar wat het bijzonderst aan die bloemen was, was het licht dat ze gaven. Een zilveren licht kwam vanuit de bloem op de grond gedaald. Het licht voelde warm aan en had een rustgevend effect op de kinderen. Verwonderd keken ze naar elkaar. 'Weet jij wat ik denk?' vroeg Rovinna. 'Ik denk het wel,' antwoordde Marleen, 'Volgens mij zijn wij terug in de andere wereld. Onze wens is uitgekomen!' 'Ja, dat klopt. Jullie zijn terug in de andere wereld, Rovinna en Marleen.' Achter hen stond een man. Een oude man met lang, wit haar en een korte witte baard. Hij glimlachte naar de meisjes en wees ze naar een bankje. Een ander bankje dan die in hun park, dit was veel mooier, zat veel beter en was warm. 'Ik heb jullie terug laten komen.' 'Maar wie bent u dan?' 'Ik, meisjes, ben Tienixent. Ik ben de Man van de Sterren. Ik zorg dat elke avond in het oosten de sterren opgaan en de nacht een beetje licht geven.'

Hoofdstuk 2 Het vertrek en de woestijn

'Maar het is niet de wensput die jullie terug heeft laten komen. Ikzelf heb dat gedaan.' 'Maar hoe hebt u ons terug laten komen?' vroeg Rovinna. 'Ik kan veel, meisjes. Mijn toverkracht is groot.' 'Dus het komt niet door de put.' 'Ha! Ha! Nee, dit komt niet door de put. Zonder mijn wil hadden jullie hier niet gestaan. Maar jongedames, kom mee. Ik moet jullie iets laten zien, maar eerst moet ik nog iets vertellen.' De meisjes stonden op van de warme bank en liepen achter de vriendelijke man men z'n lange mantel aan. 'Ik laat dus elke avond de sterren opgaan. Elke avond duizenden sterren. Dat doe ik niet alleen, want er zijn veel te veel sterren om dat alleen te doen. Ik heb helpers. Wel meer dan honderd helpers. Ik noem ze Tinikivomal en zij helpen mij met de sterren te plaatsen in de lucht. En zo zijn wij altijd op tijd klaar, zodat alle sterren in de lucht hangen voordat het geheel donker is. Soms gaat er wel iets mis en dan valt de ster uit de hemel. dat noemen jullie een vallende ster! Dit doen wij al honderden jaren. Maar nu hebben we een probleem. Kom maar mee.' Hij leidde hen over een pad (van gouden tegels) naar een klein rond pleintje, net zo één als waar de put stond. In het midden van het pleintje stond een cilindervormige steen, waaraan kleine bloempjes groeiden. Op de steen stond een zilveren kan waarop een ster met acht punten gegraveerd was. 'Kijk eens naar boven,' zei Rovinna toen de wolken uiteen dreven. 'Ik zie geen enkele ster aan de hemel.' 'Ja,' sprak de oude man bedroeft, 'dat is waarvoor jullie hier zijn. Er zijn geen sterren meer aan de hemel, omdat het sterrenwater op is.' Hij pakte de kan op en liet de kinderen erin kijken. Het was waar, de hele kan was leeg. 'En nu wilt u zeker, dat wij de kan gaan vullen,' zei Rovinna. 'Ja,' antwoordde Tienixent, 'Jullie moeten de kan hervullen.' Morgen moeten jullie vertrekken, want hoe eerder het is gebeurt, hoe beter.' De volgende ochtend - Rovinna en Marleen hadden heerlijk geslapen - kregen ze een heerlijk maal en ze zaten aan een lange tafel samen met Tienixent. Verder zat er niemand aan de lange tafel en Rovinna vroeg zich af waarom die tafel nou toch zo lang was, maar ze durfde het niet te vragen. Daarna kregen ze van de man een tas met eten en drinken mee en Rovinna moest de zilveren kan dragen. 'Gaat u niet mee?' hadden ze gevraagd en hij antwoordde:'Nee. Ik kan deze vallei niet uit. Nog niet. Jullie moeten het alleen doen.' Daarna wees de hij hen de uitgang en gaf hen een kaart mee. Dat is altijd handig als je een lange reis moet maken. En toen gingen de meisjes alleen verder. De Tovenaar had hen verteld waar ze heen moesten. Er bestaat namelijk een rots waar een vloeistof afloopt en als je die vloeistof in de Kan van de Sterren, de Tínìxpàhí, doet kunnen hij (de Tovenaar) en zijn helpers weer nieuwe sterren maken. Maar die rots is nog een heel eind hiervandaan en dus stapten de meisjes snel voort. 'Ik ben benieuwd wat we deze keer zullen beleven,' zei Rovinna opgewonden. 'Ik ook!' antwoordde Marleen. 'Ik hoop dat het net zo leuk gaat worden als de vorige keer.' 'Jammer dat we deze keer geen paarden hebben, hè?' 'Ja, dat zou het een stuk makkelijker maken. En sneller! Maar dat maakt toch niet uit? Zo kunnen we langer genieten van hun avontuur.' Maar op de avond van de volgende dag dachten de meisjes daar wel anders over. Ze hadden beide dagen een heel eind gelopen en ze hadden nu ontzettend veel last van hun voeten. Alsof ze wel bijna zestig kilometer hadden gelopen (en dat hadden ze ook). 'Misschien had een paard toch wel leuk makkelijk geweest,' jammerde Marleen en deed haar schoenen uit. 'Tja, we kunnen niets anders,' zei Rovinna, 'We zullen wel moeten.' Om de pijn van hun voeten te vergeten gingen ze maar vroeg slapen. Allicht deden hun voeten dan de volgende dag minder pijn. En gelukkig bleek dat zo te zijn! Hoewel niet alles, was de meeste pijn toch weg en daarom besloten ze maar weer verder te gaan. Het landschap veranderde, er kwamen minder bomen en struiken en ook was het gras op de grond nogal geel. Aan de lucht stond een brandende gele zon die de temperatuur in dat gebied erg hoog maakte. Hoe verder ze liepen hoe warmer het werd en hoe minder bomen er stonden en groen gras groeide, laat staan dat er nog meertjes met drinkwater waren. 'Volgens mij,' zei Rovinna bezorgd, 'komen we in een woestijn terecht. Het wordt steeds warmer en er is steeds minder water.' Marleen mompelde wat en bleek niet erg blij te zijn met het nieuws. Toen ze een hoge heuvel over liepen kregen ze een prachtig vergezicht, hoewel ze er niet blij mee waren. Een enorme zandvlakte lach aan hun voeten. Eerst was er nog wel wat gras, maar verderop na een kilometer of wat, was er alleen nog maar zand. Water was nergens te bekennen en hoewel de zon in het westen, aan hun rechterkant, onder ging en de lucht de prachtigste kleuren had, keken de meisjes sip en ontmoedigd. 'Tienixent had ons hiervoor wel even mogen waarschuwen,' klaagde Marleen, 'Dan had ik er nog wel een keer over nagedacht of ik hem zou helpen. Moet je zien! Hoe halen we dat met ons kleine beetje water en eten dat we nog hebben.' 'Misschien valt het nog wel mee,' probeerde Rovinna, maar Marleen schreeuwde kwaad: 'Nee, het valt niet mee! We moeten een lange reis maken door een KO-KEND-HETE woestijn! We zullen omkomen van de dorst!' 'Maar...' stamelde Rovinna, 'Denk je niet dat... dat...' 'Nee , dat denk ik niet!' schreeuwde Marleen weer zonder dat Rovinna haar zin afmaken kon. 'Ik denk niet dat we het halen, ik denk niet dat we het moeten proberen en ik denk niet dat we opeens hulp zullen krijgen net als de vorige keer. Hoor je me? Er is hier NIEMAND in de omgeving! We zijn alleen!' De zon was nu bijna helemaal onder en in het oosten was het nu zo donker dat de eerste ster zichtbaar werd vlak boven een heuvel in de verte. 'We zijn alleen,' zei Marleen weer en er rolde een traan over haar wang. 'Denk je?' glimlachte Rovinna. 'Ja! Wie denk je anders dat hier zou kunnen zijn behalve de wilde beesten?' 'Ik weet het niet, maar zie je die ster daar?' 'Welke? Oh, die daar. Ja, die zie ik. Nou en?' 'Weet jij nog dat er helemaal geen sterren kunnen staan omdat de Sterrenvloeistof op is?' Marleen keek Rovinna nu erg verbaasd aan. 'Maar... Wat is dat dan?' 'Dat is iemand die een vuurtje heeft aangestoken!' gilde Rovinna blij. 'We zijn niet alleen Marleen! Laten we erheen gaan!' De meisjes renden alsof hun leven ervan af hing (misschien hing hun leven er ook wel vanaf, je weet maar nooit in een donkere woestijn). Het "sterretje" werd groter en uiteindelijk konden ze goed zien dat het een kampvuur zat en dat er twee mensen bij zaten. Toen ze nog dichterbij kwamen konden ze zien, dat er een man zat en een jonge kerel. 'Hallo! Schreeuwden de meisjes!' De man keek verbaasd en zag hen staan. 'Twee meisjes in de woestijn?' vroeg hij, 'Wat doen jullie hier? Kom er gauw bij zitten en warm je aan het vuur. Het wordt snel koud in zulke gebieden.' De meisjes gingen zitten en keken de man en de jongen aan. Even schrokken ze, want toen ze door het licht van het vuur naar hen keken zagen ze, dat de twee mensen erg behaard waren.

Hoofdstuk 3 Met z'n drieën

'Zij is Marleen en ik ben Rovinna,' zei Rovinna terwijl ze neerknielde bij het warme vuur. 'Ik ben Vaarre,' zei de man. Hij had een enigszins schorre stem en zag er - zo vonden de meisjes - een beetje onguur uit, maar dat kon natuurlijk ook door de schaduwen van het vuur komen en het haar komen. 'Dit is mijn zoon, Tottur. We zijn Tirons en zwerven hier vaak rond. Dan zoeken wij werk om aan de kost te komen. We hebben geen vaste woonplaats; ik hou van mijn vrijheid.' Even voor de goede duidelijkheid: Tirons zijn wezens die eruit zien als mensen, maar veel meer haar hebben. Sommigen zijn iets langer dan wij en anderen iets kleiner, dat ligt er net aan. Deze twee zijn iets langer. 'Tjonge,' zei Rovinna, 'We hebben wel geluk dat we u hier tegenkomen. er wonen weinig mensen in de buurt.' 'Zo'n twintig kilometer naar het noordwesten ligt het dichtstbijzijnde dorp. Daar trekken we naar toe,' mompelde de zoon. Hij zat een eindje verder van het vuur dan de meisjes en zij konden hem dan ook niet goed zien. En hoe blij Rovinna ook was dat ze deze mensen - ik bedoel Tirons tegengekomen waren, toch dacht ze (toen zij de dunne armpjes van de jongen zag), dat er iets niet helemaal juist was. 'Wij hebben nog wel een extra tent bij ons, we gaan nooit onvoorbereid verder. Daarin kunnen jullie vannacht slapen. Maar vertel me eerst eens waarom jullie hier zijn, dames.' Marleen en Rovinna keken elkaar aan. Ze wilden niet vertellen waarom ze hier zijn. De man zal hen toch wel niet geloven als ze zeggen dat ze uit een andere wereld komen en ook waren ze bang dat hun missie in gevaar zou kunnen lopen. Loslippigheid is immers nooit goed, je weet nooit wat mensen doen als ze iets belangrijks horen. Rovinna nam het woord:'Meneer,' 'Zeg maar Vaarre, hoor,' 'Oké,' ging Rovinna verder, 'eh... Wij...' Ze wist echt niet zo gauw iets te verzinnen wat nog een beetje geloofwaardig overkwam. 'Vaare,' hielp Marleen haar, 'Wij zijn hier omdat we naar de overkant van de woestijn moeten. Onze ouders zijn erg arm, ziet u, en dus moeten zij thuis blijven en werken, anders is er geen geld meer. Wij moeten van hen naar een plaats (ik ben de naam even kwijt) om daar iets voor hen te kopen. Ons broertje is namelijk ziek en daar kunnen we een medicijn kopen, snapt u?' 'Is dat zo, jongedame? Je moet zeker naar Koltiena. Dat is een grote stad, waar ze vast wel goede medicijnen hebben.' 'Ja, inderdaad. Nu weet ik het weer,' loog Marleen. De man vroeg niet door en na een poosje zei hij dat ze allemaal maar moesten slapen. Hij gaf de jongen opdracht de tent voor de meiden op te zetten en hijzelf zette een eind verderop een andere tent voor hemzelf en zijn zoon op. Toen gingen ze allemaal naar bed in de donkere, sterrenloze nacht. 'Diep in de nacht werden Rovinna en Marleen wakker gemaakt. Tottur stond bij hen en de meisjes schrokken zich lam en slaakten allebei een klein gilletje, maar Tottur beduidde hen stil te zijn. 'Sssst,' siste hij, 'Mijn vader mag het niet horen dat jullie wakker zijn. Ik ben hier omdat... omdat ik jullie geld moet stelen.' 'Welk geld?' fluisterde Marleen verontwaardigd. 'Hij zei dat jullie geld mee hadden om medicijnen te kopen.' 'Wij hebben geen geld,' zei Marleen nu bijna hardop en Rovinna zei dat ze stil moest zijn. 'Waarom heb je ons dan wakker gemaakt? Wil je soms netjes vragen of je ons geld mag stelen?' vroeg Rovinna. 'Nee, natuurlijk niet,' antwoordde de jongen, 'Ik moet jullie iets vertellen. Mijn vader vertelde vanavond dat wij altijd werken voor ons geld. dat is niet waar, want hij steelt het altijd. Ik moet van hem ook stelen. Ik moet altijd de geldzakken van mensen uit hun mantels halen, of andere kostbaarheden op de mark gappen. Nu wilde hij dus dat ik jullie geld ging stelen. Als ik eens een dag te weinig geld heb dan slaat hij me.' de jongen zweeg even en Rovinna zag dat op zijn dunne armen veel blauwe plekken zaten. 'Hij is niet goed voor me. Ik wil graag dat jullie me helpen.' Rovinna zuchtte en zij toen:'Weet je vader dat je hier bent?' 'Nee,' antwoordde Tottur, 'Hij sliep toen ik wegging.' 'Dan moeten wij jou ook wat vertellen. Wij moeten geen medicijn kopen. Wij zijn hier omdat de sterren niet meer branden.' De jongen knikte. 'En wij hebben de opdracht nieuw sterrenstof te verzamelen zodat er weer nieuwe sterren gemaakt kunnen worden.' De jongen keek hen nu verbaasd aan. Hij had er nooit over nagedacht hoe de sterren elke avond weer in de lucht kwamen. 'Jullie moeten weggaan,' zei Tottur weer, 'Als mijn vader hoort dat jullie geen geld hebben, ben ik bang dat hij jullie kwaad zal doen. Echt waar, jullie moeten weg.' hij keek erg bezorgd. 'Maar...' voegde hij er nog aan toe, 'Ik wil graag mee... Ik wil niet nog langen stelen en geslagen worden. Ik wil hier weg.' Er rolde een dikke traan over z'n gezicht. De meisjes wisten niet goed wat ze nu moesten doen. Ze konden deze jongen toch niet zomaar meenemen? Maar als hij nou echt wil... 'Ik kan jullie helpen,' zei hij, 'Ik weet veel van de woestijn en hoe je er overleeft en ik heb al ingepakt. We kunnen direct gaan.' Marleen keek Rovinna aan en Rovinna keek naar Marleen. De jongen was iets jonger dan zij en misschien kon hij echt wel van pas komen. 'Goed, je mag mee,' was hun eindoordeel, 'Maar je moet goed naar ons luisteren en niemand vertellen wat wij doen. Ook moet je niet de aandacht op jezelf vestigen.' 'Oh, dank je wel,' juichte de jongen (heel zachtjes hoor, anders zou de vader misschien wakker worden). Ze vertrokken meteen, want ze waren allemaal bang dat Vaare wakker was geworden en zich afvroeg waarom Tottur zo lang bezig was met het geld stelen. Ze renden richting het zuiden en nadat ze een aantal heuvels over waren zagen ze niets anders meer dan zand. Koud zand, want een woestijn is erg koud in de nacht. Toen ze uiteindelijk moe waren van het rennen liepen ze langzamer verder. Tottur liep voorop en leidde hen voort. 'Als we in dit tempo doorlopen kunnen we over vijf dagen de woestijn door zijn, jongens,' zei hij. 'vijf dagen?' riep Marleen verschrikt uit, 'Dat halen we nooit met onze watervoorraad!' 'Jawel, hoor. Want ik weet een aantal oases en bronnen in deze woestijn. Daar kunnen we zoveel drinken als we willen.' De drie kinderen gingen de hele nacht door, dan weer rennend, dan weer lopend en soms een korte pauze. In het oosten werd de zwarte lucht grijs en daarna oranje achtig; de zon kwam op. Nu konden Rovinna en Marleen eens goed om zich heen kijken. Ze liepen door een enorme zandvlakte vol met rotsen en bergen en heuvels en zo af en toe zag je een struikje dat voor het grootste deel verdord was. Het was een troosteloos gezicht. 'We moeten een schuilplaats zoeken,' zei Tottur, 'want over een paar uur is het heter dan wij kunnen verdragen. We moeten een plaats vinden waar veel schaduw is.' Gelukkig stonden er - ik zei het zo-even al - op die plaats veel rotsen en dus waren er genoeg spleten om je te verschuilen tegen de opkomende zon. Ze bleven daar de hele dag, sliepen daar en vertelden elkaar verhalen over wat ze allemaal wel niet hadden beleefd. Tottur had ook al veel meegemaakt. Hij had bijzondere wezens gezien en was in vreemde streken geweest. Toen de zon weer dicht bij de horizon stond vertrokken ze weer. Het was nog warm, maar de zon brandde nu niet zo erg. Toen zij eenmaal onder was werd het gauw weer koud, maar de drie reizigers liepen door... de hele verdere nacht tot de ochtend kwam. Het zoeken naar een schuilplaats was iets moeilijker nu, want er waren hier maar weinig rotsen - al was het uitzicht er niet vrolijker op geworden - maar Tottur leidde hen naar een betere schuilplaats dan waarvan ze hadden durven dromen. Ze kwamen aan bij een flinke oase met veel bomen en struiken en helderblauw water. De bomen wierpen lange schaduwen en het gras was fris en zacht. Rovinna had het idee, dat ze er wel voor altijd kon blijven. Na eerst lekker geslapen te hebben, gingen de kinderen eens zwemmen in het water. Het water was fris maar niet koud. Ze speelden er spelletjes: tikkertje en wie er het verst onder water zwemmen kan. Opeens - Rovinna en Tottur schrokken ervan - duurde het wel heel erg lang voor Marleen boven kwam. Ze raakten in paniek en doken zelf weer onder om te kijken of ze Marleen konden zien, maar ze was nergens te bekennen. En toen, na zo'n zes minuten, kwam Marleen er weer aangezwommen. 'Marleen! Daar ben je!' huilde Rovinna, 'We waren hartstikke bang!' 'Waar was je, joh!' hijgde Tottur met een rood hoofd. 'Hoe kon je zo lang onder water blijven?' 'Stil maar jongens,' antwoordde Marleen. Ze klonk erg opgewonden. 'Ik heb eens gelezen dat het water in oases van onder de grond komt. Nu heb ik hier een smalle gang ontdekt die uitkomt in een droge grot. Ik ben een klein eindje de grot ingelopen en daar zag ik Dwergen!' 'Dwergen?' 'Ja, net Mensen, maar ze kwamen maar tot m'n heup! Ze waren heel aardig tegen me en hebben me uitgenodigd bij hen te eten. Ik vertelde dat jullie er ook nog waren en nu willen ze dat jullie ook komen.' Tottur en Rovinna waren verrast. Rovinna had nog nooit dwergen gezien en ze was blij eindelijk weer iemand tegen te komen die vriendelijk tegen hen is. Daarom besloten ze Marleen achterna te zwemmen naar de grot. De opening lag wel zo'n vijf meter diep en het kostte vooral Tottur moeite om het gat te bereiken, maar uiteindelijk bleek het de moeite waard. Toen ze het water uitzwommen en op de kant klommen stonden er tien Dwergen om hen te verwelkomen. De grot was maar net hoog genoeg voor de kinderen en was verlicht door fakkels die aan de muur hingen. De Dwergen maakten een goede indruk; ze waren vriendelijk, meelevend en aardig en ze praatten veel en waren erg gezellig. Ze liepen de lange gangen door en merkten dat ze steeds lager kwamen. Uiteindelijk kwamen ze uit bij een ondergrondse rivier en daar gingen ze met kleine bootjes verder tegen de stroom in. Bij een haventje meerden ze aan en daar liepen ze weer een stukje verder tot ze aankwamen in een enorme ondergrondse ruimte, wel zo groot als de binnenkant van een kathedraal! In het midden vielen tien lichtstralen vanuit het dak op een reusachtige boom, en in die boom schitterden honderden lichtjes. Om de grote boom heen (die de Dwergen Tìsíèlt noemen) stonden lange tafels met witte kleden en talloze Dwergen waren bezig met schalen, kannen, borden en allerlei lekkernijen klaar te maken. 'Beste gasten,' sprak een Dwerg, gekleed in een blauwe mantel en een gouden kroon, 'Welkom in het rijk van de Diamantdwergen, in Attissir. Wees onze gast bij het Diamantfeest.' 'Dat is erg vriendelijk van u, majesteit,' stamelden de kinderen. 'Nee, beste mensen. Iedereen zou zijn gasten uitnodigen voor het feest, toch? Kijk, daar is Siero, mijn zoon. De voorbereidingen van het feest zijn nog in volle gang. Hij zal jullie meenemen naar de mooiste plaatsen van Attissir. Een tamelijk lange Dwerg kwam naar hen toe en begroette hen. Toen liepen ze met z'n vieren door de lange gangen, tunnels en zalen van het Dwergenrijk. Ze zagen mooie taferelen; dwerghuizen, uitgehakt in de rotsen. Ondergrondse tuinen met prachtige bomen, meren en rivieren van kristalhelder water en de smederijen (Dwergen zijn uitstekende smeden). Toen ze uiteindelijk weer terugkwamen in de grote zaal met de reusachtige boom was alles gereed voor het feest. Honderden fakkels hingen in de lucht en aan de wanden en stonden op grote kandelaars rond hen heen. Al het eten stond op zilveren schalen, zilveren borden stonden gereed met zilveren bestek, en zilveren bekers lagen klaar. Er was voldoende eten voor iedereen, zelfs als er nog honderd Mensen meer waren was er genoeg geweest. Er was gebraden en gegrild vlees, fruit, wijn, honing, en er waren salades, en schalen vol met heel bijzondere vruchten.

Hoofdstuk 4 De stad

'Mag ik wat van die, eh... glimmende dingen?' vroeg Tottur aan een Dwerg die naast hem zat. 'Die glimmende dingen noemen wij 'Diamanten'!' lachte de Dwerg. 'Diamanten? Maar die kun je toch niet eten?' vroegen Tottur, Rovinna en Marleen ongelovig. 'Jawel, Mensen. Want er zijn diamanten en Diamanten!' zei de Dwerg. 'Deze Diamanten zijn geen diamanten die jullie delven uit mijnen, van die harde dingen, maar deze Diamanten groeien.' 'Ze groeien?' 'Ja, jongens. Deze Diamanten groeien aan deze boom hier.' hier wees naar de grote boom waarin de honderden lichtjes schitterden. 'Zie je al die lichtjes? Dat zijn Diamanten. Zoete, sappige voedzame Diamanten. Mooier dan welke andere diamant dan ook. Proef maar eens.' Rovinna nam een hapje en proefde de volle, zoete smaak van de bijzondere vrucht. De hele maaltijd lang aten ze niets anders meer dan Diamanten en ook terwijl de Dwergen dansten en feest vierden bleven zij aan de tafel zitten, of - toen bijna alle diamanten op waren - liepen naar de boom toe en plukten ze zelf. uiteindelijk hadden ze er genoeg van en keken toe naar de maffe dansjes van de Dwergen. Toen ze later naar bed gingen - dan was nog een heel gedoe, het vinden van bedden voor die 'grote Mensen en Tirons' - droomden ze over niets anders dan het Dwergenrijk. En daarom bleven ze nog een paar dagen genieten van de koele, uitgestrekte grotten die onder de brandende woestijn lagen. Maar na een paar dagen werd het weer tijd om verder te gaan en dus namen ze afscheid van de Dwergen, die hen zo gastvrij behandeld hadden, en vertrokken. Drie Dwergen gingen nog met hen mee de uitgang wijzend, zodat ze niet zouden verdwalen in de enorme grotten. 'We brengen jullie naar de uitgang die het dichtst bij de stad uitkomt waar jullie heentrekken,' zei de Dwerg. En dus liepen ze eerst nog een heel eind onder langs allemaal ondergrondse planten met vierkante bladeren en daarna voeren ze over een ondergrondse rivier. 'Mag ik u vragen,' sprak een vriendelijke Dwerg die Battir heette, 'wat jullie Mensen (en een Tiron) hier eigenlijk doen. En dan ook nog, begrijp me niet verkeerd hoor, van die jonge.' Rovinna schrok. Ze had gehoopt dat niemand hen zou vragen waarom ze door de woestijn trokken, en het leek er ook op dat niemand het zou vragen. Wat moest ze doen? Zou ze weer liegen? 'Wij zijn hier, meneer, omdat de sterren niet meer schijnen.' Ze had toch besloten de waarheid te vertellen. 'En nu moeten we van ...' 'De Dwerg liet haar niet uitspreken - iets dat erg onbeleefd is en dus zeker niet bij deze Dwerg paste - en vroeg:'Wat zijn sterren?' 'Ken u geen sterren, dan?' vroeg Marleen, 'Sterren zijn dingen die elke avond aan de lucht staan. Heel kleine witte en gele stipjes en ze twinkelen en elke nacht geven ze de wereld een heel klein beetje licht.' 'Het zijn dus eigenlijk een soort fakkels,' zei de Dwerg. 'Nee, meneer. Sterren zijn veel kleiner en geven minder licht, maar het licht dat ze geven is wel erg mooi. En er zijn er miljoenen! Meer dan honderd Dwergen kunnen tellen!' De Dwerg knikte en diep in zijn hart verlangde hij ernaar eens de sterren te zien. 'Kan je ze ook aanraken?' 'Nee, meneer,' zei Tottur, 'Je kunt ze niet aanraken. Tenminste niet meer als ze in de lucht zijn. Misschien dat het wel kan als ze nog niet in de lucht zijn en wachten in het oosten tot de nacht komt. Want dat moeten we doen, meneer. De sterren zijn op en wij moeten naar de Sterrenrots om nieuw sterrenwater in een kan te doen, zodat elke nacht de sterren weer op kunnen komen in het oosten.' De Dwerg luisterde vol verbazing - z'n mond ging ervan openstaan. Toen gaf hij de andere Dwergen opdracht weer sneller te peddelen en na een uur of twee meerden ze aan. Ze liepen nog een klein stukje en toen liep het pad waar ze heenliepen dood. 'Nu moeten we afscheid nemen, beste Mensenvrienden. Hier is de uitgang van ons Dwergenrijk.' Hij gaf de kinderen elk een hand (en de andere Dwergen volgden zijn voorbeeld), toen draaide hij zich om, keek naar de gladde rotswand en sprak een paar vreemde zinnen uit. Gelijk opende de wand zich en een lichtstraal van de ondergaande zon viel op zijn gezicht. Hij sloot direct zijn ogen, want hij had nog nooit zo'n vel licht gezien, maar algauw wende hij eraan. Rovinna, Marleen en Tottur liepen naar buiten, klommen van de rots af en stonden weer op het warme zand. Ze keken nog eenmaal naar de Dwerg die almaar naar de lucht in het oosten stond te turen, maar uiteindelijk met een somber gezicht de kinderen uitzwaaide tot ze achter de heuvel verdwenen. De zon was nu echt onder en het begon al weer flink koud te worden. Toch waren de kinderen opgewekt, want heel in de verte zagen ze het silhouet van een hoge toren. Één van de uitkijktorens van Koltiena. Daarom hielden ze de moed erin en bleven ze nog even doorlopen. Na een uur zetten ze hun kamp op en probeerden ze te slapen in de koude woestijnnacht. Rovinna en Marleen sliepen al toen Tottur (die nog wakker lag) in de verte iemand dacht te zien. Een donker stipje dat zich over de heuvels hun kant op bewoog. Hij stootte Rovinna aan en wees ernaar. daar was het weer en nu was duidelijk te zien dat er niet iets (een dier of zo) maar iemand aankwam. Ook Marleen werd nu gewekt en ze probeerden zich ergens een beetje te schuilen. 'Misschien is het m'n vader wel,' fluisterde Tottur, 'Misschien heeft hij ons gevonden!' Weer kwam de man dichterbij, nog een heuvel en daarna klom hij een rotsje over en toen kroop hij door een paar verdroogde bosjes. 'Is hij niet wat klein voor je vader?' vroeg Marleen. Ze had gelijk, het persoon dat op hen afliep was betrekkelijk klein. bijna een soort van Dwerg. Nee, bij nader inzien was het ook echt een Dwerg tot opluchting van de kinderen. En niet zomaar een Dwerg ook; het was Battir, de beleefde, enigszins dikke dwerg, die hen naar de uitgang had gebracht. 'Hallo, beste... Mensenkinderen,' hijgde hij, 'Ik... ik wil graag... met jullie meegaan. Ik wil ook eens de sterren... zien. Ik ben jullie achterna gekomen... maar wat lopen jullie snel zeg.... met die lange benen.' Hij zette zich neer op de grond en wachtte tot hij weer helemaal op adem gekomen was. 'Toen jullie over die sterren praatten,' ging hij verder, 'voelde ik dat ik ook eens die sterren moest zien. En toen ik hoorde dat de sterren niet meer bestonden vond ik dat het mijn taak is jullie te helpen het sterrenwater weer te vinden.' De kinderen en de Dwerg praatten nog lang na over de sterren. Hij wilde echt alles weten. En ook Marleen, Rovinna en Tottur waren blij dat ze een volwassen Dwerg bij zich hadden. Dwergen zijn slim en hoewel ze klein zijn, zijn ze ook erg sterk. En wie weet waar dat nog handig voor zijn kan. De volgende ochtend erg vroeg besloten ze weer verder te gaan. Een Dwerg is geen heel snelle lopen, maar wel iemand die volhoudt en daarom ging het lopen iets minder snel, maar dat maakte niet uit, want ze wisten toch wel zeker dat ze voor de avond bij de stad zouden zijn. Toen de zon op z'n hoogste punt stond sliepen ze in de schaduwen van de rotsen en daarna gingen ze weer verder. Zo af en toe zagen ze nu een boompje met mooie groene bladeren en later groeiden er zelfs bloemen en sprietjes gras. Kleine vogeltjes floten en andere dieren (hagedissen en woestijnratten) kwamen ze vaker tegen. Uiteindelijk kwamen ze bij een smal beekje aan, nog geen meter breed, maar eromheen stonden duizenden bloemen, bomen, grassen, en er zoemden bijen, vlogen vogels en nog veel meer van die dingen die je prachtig vind als je ze zo lang hebt moeten missen, maar die je niet opvallen (of soms zelfs vervelend vind) als je ze elke dag ziet. Vooral voor Battir was dit alles het mooiste van de Wereld en hij vroeg zich af hoe mooi de sterren dan wel niet zouden zijn. Nog voor de zon onder was bereikten ze de poort van de reusachtige stad. De dikke muur was goed bewapend tegen vijanden en de wachters bij de poort hadden sterke wapenen in hun handen. De reizigers liepen door de brede straten en zochten een hotel om te overnachten. Rovinna en Marleen verlangden er vurig naar weer eens een echt bed te voelen. Bij een hotel aangekomen te zijn, bleek dat ze geen geld hadden. Gelukkig was de herbergier (het hotel was eigenlijk een herberg) een aardige man en maakte de afspraak dat als ze alle vier wilden helpen, ze dan gratis mochten overnachten. Daarom deed Battir anderhalf uur lang de afwas, vroeg Rovinna aan de mensen wat ze te eten en te drinken wilden dat Tottur vervolgens bediende en maakte Marleen de bedden op. Maar het was het waard, want uiteindelijk mochten ze in een zacht, warm bed stappen en het duurde niet lang voor ze allen in slaap gevallen waren.


Hier begint deel twee van het verhaal. In deel een heb je kunnen lezen hoe Rovinna en Marleen in een avontuur verzeild raakten. In dit deel gaan ze verder met de reis en wordt het avontuur nog langer.

Hoofdstuk 1 De ketting

Een haan kraaide, een zonnestraal scheen door de gordijnen en vogels vloten. Alle reden om aan te nemen dat het weer een prachtige ochtend is, dacht Rovinna en dus stapte ze snel uit haar bed, trok haar kleren aan en liep (terwijl de anderen nog sliepen) de kamer uit, de trap af en de eetkamer van het hotel in. Ze keek eens goed rond, want gisteravond hing het er vol met rook en ze had zelf weinig kunnen zien tijdens het werk. De vloer was van hout en er stonden tafels van een lichtere houtsoort. Aan de want hingen borden met spreuken en een grote opgezette vis van wel twee meter. In de hoek stond een kale plant. Aan de rechterkant van de zaal stond een bar, daarachter een jonge Tiron die heen en weer liep met van alles en nog wat. Rovinna draaide zich om en liep naar buiten. Met een prachtige dag was trouwens niets te veel gezegd, want het was werkelijk heerlijk weer en goed uit te houden zo in de ochtend. De zon scheen, een zachte wind woei en witte schapenwolkjes dreven voor de zon langs. Rovinna besloot de stad eens te gaan bekijken en ze liep de straat af. en liepen honderden Mensen en Tirons af en aan. Rijke mensen met mooie paarden en arme bedelaars, jongens, meisjes, ouderen - je kwam van alles tegen. De huizen in deze buurt waren van witte stenen gemaakt met houten balken en grote ramen, verderop waren de huizen bouwvalliger en hadden kleine raampjes met luiken. Toen Rovinna bij de hoofdstraat aankwam was het nog drukker. De poort was een uur geleden open gegaan en talloze handelslieden reden met karren vol van hun koopwaar richting het marktplein even verderop. Rovinna volgde hen en op het plein was weer van alles te zien: en ook zoveel moois! Kettingen, kralen en armbanden bij het ene kraampje. Flessen met allerlei soorten dranken bij een ander. Een man verkocht deftige kleding en even verderop stond een geheimzinnig kraampje waar je een waarzegster kon bezoeken. Er waren pannen en bekers te koop, en paarden, koeien en ander vee; pruiken en ondergoed; zwaarden, messen helmen en maliënkolders. Serieus te veel om op te noemen. Rovinna bleef staan bij een kraampje waar ze sierraden verkochten. een kleine volwassen Tiron (zijzelf was groter) stond luid te schreeuwen dat zijn producten het beste waren:'Lieden, van deze stad. Koop mijn waar. Laat je niet afschepen met waardeloze sierraden, maar koop mijn kettingen met diamanten; of mijn gouden armbanden, 24 karaats.' Rovinna keek met glimmende ogen naar al die mooie dingen. Ze kon haar ogen van één ketting niet afhouden. Een mooi, dun gouden draadje met onderaan een blauw steentje. Het glom zo mooi in de zon... 'Zo, dame!' hoorde ze de man zeggen, 'Heb je belangstelling in mijn kettingen?' 'Ja meneer,' zei ze,'maar ik heb geen geld.' 'Tja, zonder geld kan je niets kopen, mijn kind.' 'Maar ik vind die wel erg mooi,' zei Rovinna weer. 'Weet je,' zei de man heel vriendelijk, 'men zegt dat wie deze ketting om heeft één wens mag doen als het volle maan is.' 'O ja? Heeft u wel eens een wens gedaan, dan?' 'Ha! Ha!' lachte hij, 'Natuurlijk is het allemaal bijgeloof. Maar het is toch leuk als je weet welke gedachte erachter zit, niet? Hé meisje, ik wil wel een afspraak met je maken: als jij mij vandaag helpt met de verkoop, want het is vandaag erg druk, dan mag jij aan het eind van de dag deze ketting hebben.' Hier hoefde Rovinna niet lang over na te denken - eigenlijk helemaal niet - en nam het voorstel met beide handen aan. En dus kwam Rovinna aan de andere kant van het kraampje staan en ze stond er nog niet of er kwam een groepje oude dames aan. 'Ach gut, kijk deze armband toch. Staat hij mij niet snoezig?' zei een dikke, rijke vrouw. 'Oh, ja. Oh enigjes, echt waar. Je hebt ook altijd zo'n goede smaak,' zei een andere vrouw. 'En wat nou als ik deze ring erbij doe?' zei de eerste vrouw weer, 'Staat dat niet geweldig?' 'Ja, oh zeker.' beaamde de andere vrouw. 'Mevrouw,' zei Rovinna, 'Als u nou deze ring erbij doet in plaats van die, dan komen de kleuren hier overeen met de kleuren daar.' Ze wees naar een veel minder mooie (maar veel duurdere) ring en de vrouw paste hem. 'En kijkt u eens naar deze ketting, want hierin zit hetzelfde steentje als daar, maar dan iets groter. Wilt u hem eens passen?' De vrouw giebelde en deed de ketting om. Hij zat goed en ze keek heel tevreden naar de beide andere vrouwen die naast haar stonden. 'Martah, wat een werkelijk adorabele combinatie is dit, zeg. Echt fantastisch.' 'Enig., iets anders kan ik niet zeggen.' De vrouw, die dus Martah heette, bloosde en zei tegen Rovinna dat ze de ketting samen met de ring en de armband kocht. De koopman keek tevreden naar Rovinna, rekende af en stond daarna zelf een klant te woord. Ondertussen waren ook Marleen, Tottur en Battir wakker geworden en merkten dat Rovinna er niet was. Ze waren niet ongerust geworden, want ze vertrouwden erop dat Rovinna wist wat ze deed en dus gingen ze, na eerst een ontbijt te hebben gehad, zelf in het hotel werken, want ze wilden nog wel een nachtje op zo'n lekker zacht bed slapen. Ze maakten weinig bijzondere dingen mee op een kleine ruzie van een groepje Dwergen na. Marleen liet een glas vallen en sneed zich aan de scherven. Gelukkig had het maar heel even gebloed en kon ze dus zo weer verder gaan met haar werk. 's Middags kregen ze van de koks een heerlijk broodje vis met melk en daarna een puddinkje toe. Dat geluk had Rovinna niet: ze moest tijdens het verkopen vlug een droog broodje naar binnen werken, maar met de gedachte van een prachtige ketting om haar nek maakte dat niets uit.

Hoofdstuk 2 Weer verder gaan

Aan het eind van de middag kreeg een zeer vermoeide Rovinna haar geschenk; de ketting van fijn gouddraad met een mooi blauw steentje. De man was erg tevreden over haar en vroeg of ze morgen weer kon helpen. Rovinna was daar niet zeker van en zei dat ze dat nog wel zou zien. Ze groette hem beleefd en liep vervolgens terug naar de herberg. Ze kon eerst de weg niet vinden, maar kwam gelukkig (na allemaal nauwe, ongure straatjes door te zijn geweest) een man tegen die er vriendelijk uitzag en haar de weg wees. Eenmaal in de herberg ontmoette ze haar vrienden die aan een tafeltje zaten. Elk had een groot glas drinken voor zich. 'Hé Rovinna,' schreeuwde Tottur, 'waar was je zo de hele dag?' 'Ik heb bij een sierradenkraampje op de mark gewerkt. Kijk! Dit heb ik ermee verdient.' Ze liet de ketting zien die nu om haar hals zat te fonkelen. 'Mooi hoor,' zei Tottur, 'Kijk maar uit in zo'n herberg, dat ze hem niet stelen. Ik weet maar al te goed dat zo'n plaats niet veilig is.' 'Wat hebben jullie eigenlijk gedaan?' 'Wij, zei Marleen, 'zijn gewoon hier gebleven en hebben ons plaatsje voor vannacht weer verdient. Tijdens het werken kregen we steeds drinken en kijk eens: we hebben zelfs wat geld verdient. Vijfentwintig Kolti.' Ze toonde de inhoud van een leren zakje. er zaten vijf munten in. 'Ik ga snel weer naar bed,' zei Rovinna, 'want ik ben erg moe geworden van vandaag.' 'Wij ook,' antwoordde Tottur, 'en we zijn van plan morgen weer hier te werken, dus ik wil uitgeslapen zijn.' Ze gingen alle vier naar bed en sliepen vast. De volgende ochtend was het weer goed weer en dus was het een plezier voor Rovinna om weer te werken op de markt, terwijl de anderen de hele dag binnen zaten. Juist toen Rovinna van plan was te gaan - ze had haar geld al gekregen - kwam er nog een klant. Een lange Tiron, met een enigszins onguur uiterlijk. 'Goedemiddag dame,' zei hij met een schorre stem. Rovinna schrok, ze kende deze man. Het was Vaarre! Tottur's Vader. 'H-hallo,' stotterde ze, 'Kan ik-k u he-helpen?' 'Ik kijk alleen even naar die ringen,'zei hij. Rovinna liep naar de koopman en fluisterde tegen hem, dat hij moest oppassen. Ze wist dat Vaarre niet te vertrouwen was. Hij bedankte haar en nam afscheid. Rovinna ging haastig terug naar het hotel. Daar vertelde ze wie ze had gezien. Tottur's gezicht werd wit en Marleen huiverde. 'Ik denk dat we maar gewoon naar bed moeten gaan,' zei Battir. 'Daar kan hij ons niet zien en als we morgen vroeg vertrekken weet hij niet dat we hier geweest zijn.' 'Mits hij mij niet heeft herkent,' zei Rovinna zachtjes. 'dat moeten we dan maar hopen.' Juist toen ze naar bed wilden gaan, zwaaide de deur open en stapte Vaarre binnen. Tottur schrok zich wild en verschool zich achter Battir, maar achter zo'n kleine Dwerg past geen grote Tiron. Marleen gilde en Rovinna, die eerst niet begreep wat er aan de hand was, sprong de trap op en rende haar kamertje in. Daar bleef ze zitten wachten op de anderen. Vaarre keek niet hun kant uit en Battir maakte een gebaar naar Tottur dat hij zo snel mogelijk weg moest. Zelf liep hij juist naar Vaarre toe. 'Hallo meneer. Eh... kan ik wat voor u doen? Het is nu niet mijn tijd weet u, maar de anderen hebben het druk. Dus dacht ik: Kom ik help die man even. Snapt u?' stamelde hij. Vaarre keek hem wantrouwend aan. Hij snoof en zei toen dat hij een flinke pul bier wou hebben. Battir liep naar de keuken, terwijl Marleen achter Tottur de trap op liep. In hun kamer zaten ze met een bonkend hart op Battir te wachten, die gelukkig ook snel kam opdagen en na nog wat na gepraat en plannen gemaakt te hebben voor de volgende dag sliepen ze zachtjes in. 's Ochtends waren ze erg vroeg vertrokken en waren vroeg de stad uit. Eerst hadden ze in een winkel nog wat eten gekocht en een paar zakken water. Nu liepen ze weer op de lange weg. Ze volgden de lijn die op de kaart van Rovinna stond. De lucht was bewolkt en er woei een stevige wind, maar het was wel erg warm. Al gauw kwamen ze bij rotsachtiger gebieden en dat maakte het stukken moeilijker om door te lopen. Gelukkig waren erg vrolijk en daarom leek het allemaal veel gemakkelijker te gaan. Ze begonnen te zingen:

We gaan op reis. we gaan op reis.
Lekker wandelen, we gaan op reis,
we zijn niet moe, we lopen door,
we zijn nooit moe, dus zingen we in koor:
We gaan op reis, we gaan op reis.
Lekker wandelen, we gaan op reis.

Ze liepen vlug door en merkten op dat alles mooier werd, naarmate ze verder naar het zuiden trokken. Op de grond rondom de paden waarop zij liepen groeide groen gras met daar doorheen gele, rode, en witte bloemen. Er groeiden struiken en bomen die ze nog niet eerder hadden gezien. Al gauw zagen ze dat de grond goed bewerkt was en dat er hekken omheen stonden. Er liepen koeien en paarden, schapen en geiten door de weilanden. Er waren akkers met maïsplanten en graan. Ze liepen langs wijngaarden, boomgaarden, sinaasappelplantages en katoenplantages. Er waren slootjes gegraven. Over de smalle kanaaltjes en riviertjes die hier stroomden (en ook half leeg stonden door het hete weer) stonden bruggetjes van steen of hout. Aan hun linkerhand lag nu een bollenveld met duizenden tulpen. vrij regelmatig kwamen ze grote boerderijen tegen, met mooie tuinen en af en toe liepen ze langs een enorm landhuis, of je zou eigenlijk "kasteel" kunnen zeggen. De lucht was blauw, paars en oranje door de ondergaande zon. 'We moeten weer een slaapplaats vinden,' zei Tottur. En dus vroegen ze bij de eerste de beste boerderij die ze tegenkwamen of ze een plaatsje hadden. Een kleine man, met rode wangen en een vriendelijk gezicht nodigde hen gelijk uit binnen te komen. 'Kiek us, vrouw,' zei hij tegen een forse (maar niet minder vriendelijke) vrouw, 'Wie hebbe gast'n vanav'nd.' 'Ach, wat leuk,' grinnikte ze, 'Zal ik us iets lekkers veur-ie holen?' ze waggelde de kamer uit en kwam even later terug met grote glazen druivensap en nog grotere koeken. 'Heuningkoek'n zijn dit.' zei ze, 'Ik heb sie zelve gemaakt.' Ze glunderde terwijl ze dat zei en reikte elk een koek aan. En ze waren ook werkelijk iets om trots op te zijn, want ze waren heerlijk. 'Dus jullie wollen vanavon'd hier slaap'n? Oh, maar da kan wel, heur. Wie hebbe geneug ruimt hier. Ik zal mien vrouwe de bedd'n op late maken.' De vier reizigers waren zo verbaasd van de enorme gastvrijheid dat ze even niets konden zeggen. Ook hadden ze allen een volle mond, dus het zou ook erg onbeleefd zijn iets te zeggen. 'Ik heb mie nog niet eens veurgestelt,' zei de boerenman, 'Ik ben Arend. En zij is mien vrouwe Lies. En ik heb zeuven kindr'n, maar die zalle je straks wel zien.' Ook Battir, Rovinna, Marleen en Tottur stelden zich voor. Ook vertelden ze waarom ze in deze streken waren en wat het doel was van hun reis. De boer en zijn vrouw luisterden met open mond. 'Zalle we eerst dan maar slap'n gaan?' zei de boer, 'Want anders kan ik morge mien bed niet uutkommen. Wie gaan altijd met de kipp'n op stok, weet je. We benne dus al een beetje laat.' Dat klopte, want de kippen waren al lang op stok en de nacht was al donker (en sterrenloos). De bedden waren gereedgemaakt en lagen lekker zacht. Ieder droomde over de gastvrijheid en eigenlijk zouden ze hier altijd wel willen blijven.

Hoofdstuk 3 De rivier

'Elke ochend een goed onbiet.' zei Lies, 'Want die ontbiet is die belangriekste maaltijd van de dag.' En een goed ontbijt was het ook. De tafel was gedekt met vers brood, gebakken en gekookte eieren, suiker, honing, melk en thee en allerlei soorten vruchten en koeken. Het smaakte dan ook werkelijk geweldig. De zon was zojuist opgekomen (boeren staan namelijk vroeg op) en de boer gaf zijn zeven kinderen de opdracht naar buiten te gaan en zich nuttig te maken. 'Jullie keunen lekker wandelen door de omgeving, heur,' zei de boer. 'Niets daarvan,' zei Battir, 'U bent veel te goed voor ons. Wij willen graag u helpen met het werk. u zult vast een heleboel te doen hebben.' De boer lachte blij en zette het op een akkoordje: zijn gasten zouden hem tot na het middagmaal helpen en daarna mochten ze wandelen door de omgeving. Battir en de anderen vonden dit een prachtplan. Ze hielpen eerst de boerin door water te putten, daarna moesten ze hout hakken voor het fornuis. En daarna moest Marleen (weer) de bedden opmaken, Rovinna boter karnen, Tottur hooi en stro naar de paarden brengen en Battir werd gevraagd druiven te plukken voor de druivensap. Na het middageten gingen de vier gasten de omgeving in. De groene velden, de boom- en wijngaarden, de beekjes - alles was evenmooi om te zien. In de verte werd het landschap weer heuvelachtiger en zelfs rosachtig. Ze genoten van de zon en besloten nog een dag te blijven. En daarna nog een dag en nog één, en nog één, en nog drie. Anderhalve week lang bleven zij op de boerderij. Maar toen vond Rovinna dat ze toch weer verder moesten gaan. Eerlijk gezegd waren ze allemaal vergeten waarvoor ze hierheen gegaan waren en nu schrokken ze wakker, net zoals jij wakker schrikt uit een droom omdat iemand je roept. Daarom namen ze de volgende dag afscheid en van de gehele boerenfamilie (met veel "tut ziens"-en en "kom weer 'ns langes"-en) en vervolgden opnieuw hun weg. De zon ging op terwijl ze liepen en pas toen zij onderging stopten ze, na een korte pauze te hebben gehad. Ze hadden een flink stuk gelopen en hadden rotsachtiger streken bereikt. 'Kijk hier eens, 'zei Tottur, die nu over de kaart beschikte, 'morgen komen we bij een grote rivier die uitmond op de zee. Ik ben benieuwd hoe we daaroverheen moeten komen.' 'Ach, dat is een probleem van later zorg,' gaapte Battir, want hij was erg moe. In het gras vielen ze allemaal als een blok in slaap. Uit de grijze lucht kwam een klein beetje regen, dat het lopen er niet gezelliger op maakte, maar ze liepen toch maar voort - ze hadden al te lang getreuzeld. Toen ze bij de rivier aankwamen zagen ze dat die erg breed was. Je kon er dus niet gemakkelijk doorheen waden, zoals Battir gehoopt had. daarom liepen ze maar met de rivier mee naar het westen en toen ze een dorpje inkwamen warmden ze zich in een café. Toen Tottur naar het herentoilet ging hoorde hij twee mannen (een Mens en een Tiron) praten. 'Het is toch wel vervelend voor die men, hè?' zei de Tiron. 'Je bedoeld die ene, waarvan de zoon weggelopen is?' vroeg de Mens. 'Ja, die lange Tiron die hier vanmiddag was. Als ik hem kon helpen zou ik het graag doen. Hij leek me best aardig.' 'En hij komt van ver uit het noorden. Van boven de woestijn. Vreemd dat hij hier zoekt, vind je niet? Het is een flink eind.' 'Ik hoorde dat hij aanwijzingen had, dat z'n zoon deze kan op gegaan was.' 'Tottur, heet-ie. Die naam komt niet zo veel voor.' Toen hij z'n naam hoorde schrok Tottur opeens op. Hij had het gesprek eigenlijk niet gevolgd, maar wist nu precies waar het over ging. Snel liep hij de wc-ruimte uit en vertelde aan z'n vrienden dat zijn vader hen had gevolgd - sterker nog: hij was hen voor geweest! Rovinna raakte bijna in paniek en Marleen begon te trillen. Battir bleef rustig en fluisterde dat ze direct weg moesten. Ze slopen het cafeetje uit en liepen over de smalle straatjes terug naar de rivier. Daar hadden ze een aanlegsteiger met een boot gezien. De regen woei in hun gezicht en de wind was sterker geworden. Tottur verwachtte om elke hoek Vaarre te zien en liep daarom achteraan. Eenmaal zei Marleen dat ze Vaarre ook werkelijk gezien had, waarop het groepje rechtsomkeert maakte en een andere weg nam. Gelukkig liepen ze hem niet tegen het lijf en kwamen veilig de aanlegsteiger aan, hoewel ze erg nat en koud waren. In een houten hutje zaten twee Elfen en zij begroette hen. Battir nam het woord:'Hallo beste vrienden. Ik wou jullie vragen of er misschien een boot te huur is, of dat iemand ons naar de overkant zou willen varen. We hebben geld.' Hij liet hen het geldbundeltje van Rovinna en Marleen zien. 'Tja... Het spijt me,' zei een Elf, 'maar de enige boot die er is, is al verhuurd.' Hij keek in een klein boek en las voor:'Half drie. Boot "Adon" verhuurd. Vaarre Ejhas' 'Alle-mensen-nog-an-toe! Bracht Tottur er in minder dan een halve seconde uit. 'Ik bedoel... Ik dank u eh... vaan harte, goed? We komen, misschien nog wel eens terug, of niet jongens?' Hij had op een klokje gezien dat het vijf voor half drie was en dat Vaarre er elk moment kon zijn. 'Ik dank u hartelijk, meneer Elf.' groette Battir en leidde de kinderen naar buiten. 'Goed, we moeten snel zijn,' zei Battir weer en maakte nu een veel minder ontspannen (bijna paniekerige) indruk. 'Daar is de boot. Ga erin en maak de touwen los. pak roeispanen en... en... en zet die zeilen omhoog, of hoe je dat ook noemen mag.' Ze renden nar de boot en maakten de touwen los, hesen de zeilen, pakten roeispanen en gingen er op Battir's bevel van door. De deur vloog open en een woedende Elf vloog op hen af, maar kreeg van Battir een flinke mep met een roeispaan - niet eens expres - en vloog er toen weer vandoor het dorp in. De wind stond allerbelabberdst en daarom gaf Battir ook weer gauw het bevel de zeilen te strijken. Het roeien was zwaar en zij waren maar met z'n vieren. Toch waren ze gauw een eindje het water op en dreven een beetje met de stroom mee. Door de regen zagen ze een lange man lopen. 'Kijk daar! Papa!' fluisterde Tottur, maar hij zei het daarna weer harder, omdat hij anders niet te verstaan was. Toen ze op het midden van de brede rivier waren hoorden ze een aantal grote Mensen vanaf de kade schreeuwen, maar ze sloegen er geen acht op. Ze merkten niet dat er een kleine boot te water werd gelaten en dat die tamelijk snel op hen afvoer. Ze hadden ruim drie kwart van de rivier overgestoken toen ze een harde stem naast zich hoorde; twee Mensen naast hen (met onvriendelijke gezichten) grepen de boot vast. Battir sloeg erop los met zijn roeispaan en het kan niet anders of de handen van die Mensen waren behoorlijk blauw. Een gescheld brak los en nu begonnen ook zij met hun roeispanen in de rondte te zwaaien. Marleen voelde de wind van een roeispaan, maar Battir dook net op tijd weg. Ondertussen roeiden de kinderen door en hoopten zo dat ze land bereiken zouden, maar ze draaiden de verkeerde kant uit. Weer klonk een woedende stem. Battir kreeg een harde klap tegen zijn hoofd, wankelde en viel achterover in de boot. Tottur zag het en zwaaide nu zelf met zijn roeispaan naar een man, miste, maar raakte per toeval het roeibootje van de mannen zo hard, dat het flink heen en weer schommelde. Hij kreeg een idee en duwde nu met zijn roeispaan zo hard tegen de zijkant van de boot, dat die omviel. Een schreeuw en twee plonsen later lagen beidde mannen in het water, proestend en wel. Battir was weer helder en stuurde de boot richting de oever. daar stapten ze uit, gaven de boot een duw naar het water en renden weg over de natte velden. De boot dreef ver het water op en werd pas enkele kilometers verderop weer goed en wel aan landgezet. De twee mannen achtervolgend onze reizigers maar even, maar door de dichte bomen en het slechte weer gaven ze het al gauw op en dropen af.

Hoofdstuk 4 Een Hof van Rust

Het slechte weer maakte dat ze zich allemaal naar en onveilig voelden. Toch durfden ze niet naar een huis te gaan en te vragen om onderdak, want dat zou te gevaarlijk zijn. Stel je voor dat Vaarre daar ook zou aankloppen om te vragen of ze toevallig vier reizigers hadden gezien. Daarom verscholen ze zich in een koude rots waarin ze ook geen vuurtje durfden aan te steken. Ze voelden zich ellendig en hadden een slapeloze nacht. Gelukkig was de volgende ochtend de regen ver weg. Wel lag er veel mist in het bos en over de velden waarin ze zich nu begaven. gelukkig trok deze na verloop van tijd op en een paar blauwe vlekjes in de lucht was het gevolg. Ook een enkel zonnestraaltje scheen op de grond en werd met blijdschap ontvangen door de twee Mensen, de Tiron en de Dwerg. Onderweg plukten ze bessen van struiken, of aardbeien, zelf vruchten als appels en peren kwamen ze tegen in het bos. Ze hadden nog brood mee maar dat was helaas erg nat en dus vies geworden. Twee dagen later liepen ze het bos uit en kwamen op een heideveld. Verderop ging de heide over in gras en op dat gras liepen paarden en koeien. Een houten huis stond midden in het veld. Ze overwonnen hun angsten en klopten aan. een slanke vrouw opende de deur. 'Goedemiddag dames en heren. Waarmee kan ik u van dienst zijn?' zei ze vriendelijk. Battir kuchte en nam het woord:'Beste dame. Wij zijn reizigers en hebben een belangrijk doel. Maar we hebben geen paarden en de tijd dringt. Kunnen we één of twee van uw paarden lenen of misschien kopen, ook al hebben we weinig geld, zodat we onze missie kunnen volbrengen?' De vrouw keek bedenkelijk en glimlachte daarna. 'Komt u eerst eens even binnen,' zei ze, 'dan praten we daar verder. 'Maar goede dame. Het doet me pijn, maar ik kan niet mee naar binnen. De tijd dringt.' Ze legde haar vinger op zijn lippen en toen volgde hij haar toch - hij had geen andere keus. De kinderen gingen mee. Binnen vertelden ze rustig wat hun probleem was; over Vaarre, de achtervolging en hun honger. Ze vertelden niets over de taak die zij eigenlijk hadden, maar verzonnen een leugen. De vrouw stemde in en leende hun de paarden. Zij bleek een rijk persoon te zijn en als het aan haar gelegen had, had ze de paarden gegeven, maar Battir wilde dit geschenk - tot Rovinna's teleurstelling - niet aannemen. Ze kregen vers brood mee en schoon water en toen gingen ze er weer gauw vandoor. Met die paarden ging het een stuk sneller en Battir verwachtte dat ze de volgende dag al bij de Sterrenrots zouden kunnen aankomen. Op de volgende ochtend scheen de dag weer warm en helder te worden. Ze reden met de paarden door de velden over het glooiende landschap. de bergen waren al sinds de vorige dag te zien als kleine puntjes, maar groeiden nu uit tot flinke rotsen. Tottur schatte het ongeveer vier uur 's middags toen ze aankwamen bij de voet van een flinke berg. 'Hier moet het zo'n beetje zijn,' zei Marleen, 'Op deze berg staat een kruisje getekend.' 'Ik zie nog geen Sterrenvloeistof druppelen,' zeiden Tottur en Rovinna. Daarom liepen ze nog een eindje verder en zagen al gauw iets bijzonders. De bloemen die hier groeiden hadden allemaal een zilveren hartje en hadden bladeren in de vorm van een ster. Een heel pad van duizenden - nee, miljoenen bloemen in allerlei kleuren en met stervormige blaadjes liep de berg op. Toen ze het pad volgden kwamen ze uit in een klein hofje. In het midden stond een boom met - je raad het misschien al - bladeren in de vorm van een ster. Ze volgden het Bloemenpad verder en kwamen wederom in een iets groter hofje. Weer stond er een boom in het midden. nu had hij stervormige bladeren met een zilveren glans. Nog steeds ging het Bloemenpad verder en na veel "ooh"s en "aah"s en steeds weer nieuwe en mooie wonderen gezien te hebben: zoals zilveren sterren uitgehakt in de rotsen, of gras met een gouden glans en allerlei soortgelijke dingen - er leek geen einde aan te komen - kwamen de vrienden aan in een grote tuin. Bloemperkjes aan de zijkant, struiken met zilveren bessen ernaast, bomen met gouden appels ervoor, maar het mooiste was een enorme boom in het midden van de hof. Eromheen zweefde een dunne sliert paarse nevel. De vruchten schitterden als diamanten en de donkergroene bladeren ruisten als de zee. De boom was zo rustgevend dat Battir, Tottur, Marleen en Rovinna meer dan een half uur niets anders konden dan staan kijken. toen werden ze wakker alsof ze gedroomd hadden (maar dat hadden ze niet) en Rovinna pakte de zilveren kan uit haar tas en bekeek deze eens goed. Hij was prachtig; de ronding was perfect, hij glom en schitterde en vertoonde geen enkel krasje of iets anders dat de pracht ervan kon schaden. Maar het mooiste was de achtpuntige ster die erin gegraveerd was. De lijnen vlamden nu als vuur en waren zo mooi om te zien dat je je best moest doen te stoppen ernaar te kijken. 'Prachtig is het hier, hè?' zei Rovinna en ze glunderde erbij. 'Het is een oase van rust,' voegde Battir eraan toe. 'Het is... Betoverend' fluisterde Marleen. Tottur zei niets, maar keek alleen naar de Boom. Weer stonden ze alleen te kijken naar de hof en te luisteren naar de stilte. De zon ging langzaam aan onder, maar het werd niet donker, want de boom straalde een zacht licht uit. Toen werd hun aandacht getrokken door een ander geluid. Het verbrak de rust in de hof, maar klonk niettemin mooi. Ze liepen de hof in en zagen van een rots een dun straaltje goudkleurig, lichtgevend water lopen. 'Dit zal het sterrenstof zijn,' fluisterde Tottur alsof hij bang was dat het zou ophouden met stromen als het hen hoorde. Rovinna probeerde een beetje van de vloeistof in haar handen op te vangen, maar zodra ze het aanraakte vlamde het vel op en verdween het Licht de nacht in. Nogmaals keek Rovinna naar haar kan en zette hem toen neer op een platte stervormige steen die precies onder het straaltje stond. de vloeistof stroomde erin en bleef erin liggen. De ster op de kan vlamde nog helderder en het leek of hij in vuur stond - maar als dat zo was, was het wel heel erg mooi vuur, vond Rovinna. 'Dus dit zijn nu sterren,' zei Battir terwijl hij naar het straaltje Sterrenstof keek, dat van een rotspiek afstroomde. Een traan kwam in zijn ogen. 'Prachtig,' snikte hij. 'Prachtig...'

Hoofdstuk 5 De terugreis

Toen de kan eindelijk vol was en de reizigers zich opmaakten om te vertrekken konden ze elkaar niet meer vertellen hoe lang ze daar nou geweest waren. Het hadden voor hun gevoel weken kunnen zijn geweest, maar ook slechts enkele minuten. Rovinna borg de Kan op in haar tas en liep om de grote Boom heen. De nevel voelde warm aan en rook zoet. Nog even stonden ze daar met z'n vieren te kijken naar al het moois in de Hof. Daarna liepen ze stil weg en gingen over het Bloemenpad terug naar beneden. Bij de voet van de berg aangekomen te zijn, zagen ze de paarden. Ze stapten op en reden weg de donkere nacht in. Nu pas voelden ze de kou en de vochtigheid van de lucht, maar ze gaven er niet om. Ze reden aan één stuk door de velden over en de bossen in. En hoe verder ze reden, hoe gladder het landschap werd. De ochtend was koud en wolkenvelden dreven over toen de reizigers bij het grote houten huis in de heide aankwamen waar ze de paarden hadden geleend. De vrouw nam ze aan (maar zei eerst dat ze ze echt wel mochten hebben). Lopend vervolgden ze hun weg. Onderweg hadden ze een lekkere picknick en met een volle maag liepen ze door. Al de volgende dag kwamen ze bij de rivier aan. Omdat ze geen problemen wilden met de mensen van het dorp waar ze pas de boot van hadden gestolen, trokken ze iets verder naar het oosten en zochten daar naar een goede manier om de rivier over te steken. Dat bleek moeilijker dan ze gedacht (en gehoopt) hadden. De streek was tamelijk dunbevolkt en de mensen die ze zagen hadden geen boot. Tottur kwam met een plan:'Als we nu hout halen uit dit bos. Dan kunnen we misschien een vlot bouwen. Kijk, we kunnen het hout hiermee aan elkaar binden en met een beetje geluk komen we goed aan de overkant.' Battir vond het een eng idee. Hij was veel te bang dat het vlot zou omvallen en hij kon niet zwemmen, maar ze leken geen andere keus te hebben. Daarom haalden Tottur, Marleen en Battir bruikbare boomstammen uit het bos en trok Rovinna de wortels van een struik uit de grond. Die wortels waren stevig en soepel en daarom uitstekend te gebruiken als een soort van touw. Al spoedig lag er een flinke stapel hout op de oever en begonnen Tottur en Battir de stammen en takken aan elkaar te binden. Tottur bleek hierin erg handig te zijn en na een uur lag op de oever van de rivier een groot vlot. 'Effe het water in duwen. Wachten op mijn teken... Nu!' beval Battir. Na de plons van het water sprong Battir het vlot op en de anderen volgden dit voorbeeld. Het vlot wiebelde eng, maar bleef drijven en niemand werd nat. Ze roeiden met hun handen en kwamen al gauw aan de overkant. Daar lieten ze het vlot liggen en gingen zelf weer verder. Het landschap waardoor zij liepen werd weer glooide weer, was een beetje rosachtig, maar werd al gauw al groener en groener. De eerste akkers en weilanden kwamen al in zicht en het duurde niet lang of ze liepen weer door de wijngaarden en plukten trosjes druiven. omdat het erg heet was zochten ze verkoeling in een beekje, dat naar beneden klaterde. Tegen de avond hoorden ze een bekende stem zeggen:'Kiek nou us. As dat mien vrienden nie benne.' 'Arend,' schreeuwden ze alle vier in koor. Ze werden weer van harte uitgenodigd om op de boerderij te overnachten en namen deze uitnodiging natuurlijk met open armen in ontvangst. Ook de volgende twee dagen logeerden ze nog op de boerderij, maar toen vond Battir dat het echt wel weer tijd werd om te vertrekken. Daarom namen ze weer afscheid van de hele boerenfamilie en kwamen tegen de avond bij de stad Koltiena aan. Daar overnachtten ze in de herberg en vertrokken de volgende dag weer om de lange reis door de woestijn te maken (waar ze allemaal weer tegenop zagen). Gelukkig viel de eerste dag mee, en hoewel de tweede zwaarder (en warmer) was viel ook die nog best uit te houden. Maar de derde dag was in één woord "verschrikkelijk". Het was zo ongelooflijk heet dat het zelfs in de schaduw niet uit te houden was. En ook toen ze 's avonds weer vertrokken naar een plaats waar eerder altijd een oase had geweest was nu niets anders dan een droog gat in de grond met verdorde struiken eromheen. Ze gaven de moed al op, want hun watervoorraad was bijna op. Maar toen leek het geluk hen toch weer een beetje toe te lachen. De ochtend kwam eraan en de vier reisgenoten zochten naar een goede schuilplaats (en die leek nergens te vinden te zijn - altijd natuurlijk als je hem het hardste nodig hebt), en ze bereidden zich al voor op nog een enorm warme dag. Maar toen het licht begon te worden zagen ze dat de lucht boven hen licht grijs was. 'Hoera! Wolken!' juichten ze en ze hoopten natuurlijk dat het zou gaan regenen. En het gebeurde: een paar korte buitjes plensden op de grond en er ontstonden poeltjes met helder water die met blijdschap leeggedronken werden. De zakken werden gevuld en hun kleren waren drijfnat en dat gaf de nodige verkoeling. Nog één dag hadden ze te gaan in de woestijn en hoewel de zon weer heet aan de hemel stond, was het 's nachts fris - zeg maar koud - en kwamen ze uiteindelijk weer in groenere streken. Ze besloten nu vlug door te lopen, omdat ze zo snel mogelijk bij Tienixent aan wilden komen. Op deze plaats werden Marleen, Rovinna en Tottur weer zenuwachtig, want dit was de plaats waar ze elkaar hadden ontmoet en ze waren bang, dat ze Vaarre hier zouden ontmoeten. Gelukkig viel het allemaal mee. Nu trokken ze naar het oosten en de toppen van de bergen werden weer zichtbaar. 'Kijk eens op deze kaart,' zei Rovinna, 'We moeten... eens even zien... Ja, we moeten die berg daar hebben. Daar zit de doorgang naar de vallei.' Ze waren allemaal opgelucht, want de reis zat er bijna op. Ze kwamen 's nachts bij de voet van de berg aan. De ingang van de vallei lag ruim vijftig meter hoog, maar was gemakkelijk te bereiken. Ze stapten daarom de rotsige helling op. De steentjes onder hun voeten schuurden over de rotsen. 'Kijk daar! Vlug!' schreeuwde Tottur. Vlak achter hen dook vanachter een rots een lange, donkere man te voorschijn. 'Stop!' riep hij. Ze herkenden zijn stem direct; het was Vaarre. Vaarre Ejhas, Totturs vader. 'Julie dachten och niet echt weg te komen?' Hij klonk erg gemeen. De helling werd steiler en het kostte de Dwerg, de Mensen en de Tiron veel moeite om verder te komen, terwijl Vaare met zijn lange benen snel dichterbij kwam. 'Ik wist dat jullie hierheen gingen. Jullie hebben te veel verteld aan de mensen onderweg. Het was een makkie jullie spoor te volgen.' Hij lachte wreed. En tot overmaat van ramp gleed Rovinna ook nog eens uit. Ze schoof een meter of twee langs de helling naar beneden. 'Ha! Ha! jullie komen me zelfs al tegemoet!' Nu stond hij minder dan een meter voor Rovinna. Rovinna lag op de grond en draaide zich om. Ze keek nu naar het gezicht van de lange man. 'Goed dan. Als Tottur niet terug wil komen zal ik ervoor zorgen dat hij z'n hele leven een schuldgevoel om jou krijgt,' zei hij meer tegen Tottur dan tegen Rovinna. hij stak zijn arm uit naar het meisje. Rovinna gilde en zag opeens dat er om haar hals een vel schitterend lichtje hing. De ketting! Schoot er dor haar hoofd heen. Toen zag ze ook de volle maan. 'Wacht,' gilde ze. Vaarre schrok even en deinsde achteruit, maar herstelde zich direct. 'Ik w-wens...' stotterde ze,'d-dat er hulp k-komt!' Het kettinkje scheen nog helderder en ze was nog niet uitgesproken of Tottur riep: 'Kijk...!' Hij had eigenlijk "kijk uit!" willen zeggen, maar zover kwam hij niet. Een reusachtige vogel vloog als een bliksemflits over hun hoofden en raakte Vaarre zo hard tegen zijn arm dat die een luide schreeuw gaf en hem terugtrok. Hij wankelde en viel toen achteruit helling af. Nogmaals kwam de vogel en greep hem met zijn scherpe klauwen vast, vloog een eind naar boven en toen een heel eind naar het westen. Er klonk nog een harde kreet van de vogel. Toen ze niet meer in zicht waren durfden de vier vrienden weer verder te lopen. 'Wow,' fluisterde Marleen. Haar hart bonkte in haar keel en haar stem beefde. de anderen zeiden niets, maar klommen de helling op en daarna liepen ze door de grot naar de andere kant van de berg en kwamen uit in de vallei. Het voelde even vreemd toen ze de grot doorliepen. Alsof ze tegen harde wind opliepen, maar hun haar wapperde niet. Eenmaal aan de andere kant werden ze ontvangen door Tienixent.

Hoofdstuk 6 Sterren

'Goede vrienden!' riep hij verheugd, 'Dus jullie zijn eindelijk terug.' 'Tja, we hebben er wel erg lang over gedaan, maar we hebben een volle Kan mee,' antwoordde Rovinna en demonstreerde de grote zilveren Kan. Hij glom in het heldere maanlicht. Tienixent nam hem aan en liep toen naar de cilindervormige steen waarop hij behoorde te staan. De Ster op de Kan scheen weer als vuur. 'Het is nu al laat, vrienden,' zei hij, 'De ochtend zal spoedigkomen. Vanavond zullen jullie het resultaat zien van jullie reis.' Ze konden niet wachten, vooral Battir verlangde vurig naar de avond. Maar de dag ging langzaam voorbij. Toch verveelden de vier vrienden zich niet, want de vallei was mooi en er liepen honderden tamme dieren rond. Katten, herten, honden zelfs leeuwen waren zo mak als een lammetje. Rond vijf uur 's middags werden ze geroepen door Tienixent. Ze hoopten dat ze nu de sterren zouden zien, maar daarvoor moesten ze nog even geduld hebben. De lange tafel waar ze meer dan een maand geleden het ontbijt hadden gehad was nu gedekt met allerlei soorten vruchten, broden, pasteien, soepen en dranken. Gouden borden en zilveren schalen lagen klaar. Bekers van kristal en bestek van platina... Kaarsen stonden op de tafel, fakkels hingen aan de muur en lampen aan het plafon. Op dat moment zwaaide er een deur open aan de andere kant en tientallen Elfen, Mensen, Tirons en Dwergen kwamen te voorschijn en zochten een plaatsje aan de tafel. 'Dit zijn mijn helpers,' riep Tienixent en daarop brak en enorm gejuich los. Ook Rovinna, Battir, Marleen en Tottur namen plaatsen. Toen kon het feestmaal beginnen. Er werd gedanst, gegeten, gezongen en luid gelachen. Het enige wat Rovinna miste waren die eetbare Diamanten die ze in Attissir hadden gekregen. Na het feest liep de hele groep naar buiten en over de gouden paden naar het pleintje met de Kan. 'Het moment is daar,' zei Tienixent. Zijn haar was witter en hijzelf was langer dan eerst. 'Na een tijd van nachtelijke duisternis zullen we de sterren weer opgooien.' Iedereen was stil. Toen sprak hij:'Á nàn ìthéh, nèhp trí sílík lòntéhlìfh líh óáh àl àhlíh1.' Dat betekend: De nacht komt, maar mijn sterren brengen licht in de duisternis. Uit de kan nam hij met zijn hand een klein beetje van de stof, keek naar het oosten en gooide het water die richting uit. Als een snelle lichtflits schoot het beetje water als een bolletje naar het oosten, vloog over de berg, die aan die kant relatief laag was en al gauw verdween het uit het zicht. De kinderen keken vol verwachting en daarna teleurgesteld, want zij zagen de ster niet meer... Tot opeens heel ver weg het bolletje uiteenspatte en een grote, heldere ster werd. Er barste een enorm gejuich los. Het sterretje verdween weer, maar Tienixent zei dat dat kwam omdat het nog te licht was. 'Als de zon straks onder is kan je de ster zien,' zei hij verheugd. Toen liepen al zijn helpers één voor één langs de kan, pakte een beetje Sterrenstof en gooide dat naar het oosten. Daar spatte het uiteen een werd eventjes een heldere ster. Toen het donker begon te worden konden Rovinna, Marleen, Tottur en Battir de sterren zien schijnen aan de lucht. Sommige waren zelfs al vlak boven hun hoofden. 'Willen jullie ook eens?' vroeg Tienixent. 'Graag,' zeiden Rovinna en Marleen. 'Niets liever dan dat,' voegde Battir daar aan toe. Hij pakte een beetje van de vloeistof en gooide dat, op aanwijzingen van een Elf, naar het oosten. Precies op de goede plaats verscheen enkele seconden later een ster. Ook de anderen maakten een ster en keken lange tijd naar de lucht. 'ik heb nog een verassing voor jullie - eigenlijk twee.' zei Tienixent, 'Battir en Tottur mogen hier blijven zo lang ze willen om mij te helpen met de sterren.' Hij keek naar Battir, die z'n geluk niet meer op kon. 'En ten tweede,' ging hij verder, 'mogen jullie alle vier een reis maken met een ster. Jullie mogen mee de lucht in en opgaan met de sterren. Tottur en Battir komen hier weer terug, maar Rovinna en Marleen komen weer in hun eigen wereld.' Om ste beurten pakten zij een beetje Sterrenstof, deden net of ze het weggooiden, maar hielden het vast en floep, vlogen ze met de ster mee, de berg over naar het oosten. Daar groeide het bolletje uit tot een enorme ster waarop ze lagen. Het ligt was zilverwit en zag er zo mooi uit! In het oosten kon Rovinna het randje van de wereld zien, daar draaide de ster zich om en vloog langzaam omhoog. het licht werd feller en feller, en ze vloog hoger en hoger, maar toch kon ze de wereld goed zien. Ze vloog over zeeën en landen en zag bergen, meren en rivieren. Ook zag ze kastelen zo dicht bij alsof ze er zelf in liep. Ze zag mensen en Tirons, Dwergen en Elfen en dieren. Bossen en weilanden. Ze zag boer Arend en zijn vrouw Lies samen naar de nieuwe sterren kijken. Naast haar vloog Tottur en aan de Ander kant vloog Battir. Hij was dolgelukkig en straalde zelf ook. Hij groette Rovinna beleefd en keek toen weer naar beneden. Rovinna kreeg steeds meer het gevoel dat ze droomde en kon het niet laten een keer te geeuwen. De ster werd al feller en ze kon steeds minder goed zien. Het witte licht omringde haar. Ze hoorde een stem zeggen "òhsósítéh2" en het galmde alsof het in een grote kathedraal gezegd werd. Toen verdween het licht en kwam er een grote duisternis om haar heen, behalve heel ver weg onder haar. Ze hief haar hoofd op en zag dat ze met Marleen in het park stond. Ze was terug in haar eigen wereld en ze zag dat er nauwelijks tijd voorbij gegaan was. Ze voelde aan haar ketting en was erg blij dat het geen droom kon zijn. 'Kom je mee Marleen?' zei ze. Marleen antwoordde niet direct, maar keek nog eens in de put. Er was niets meer te zien en dus draaide ze zich om en liep naast Rovinna. Samen praatten ze honderduit over het avontuur dat ze zojuist beleefd hadden.

1 deze woorden komen uit de Oude Taal. Tienixent sprak ze altijd voordat hij de sterren opgooide.
2 òhsósítéh betekend 'tot ziens'


Je kunt Niels mailen op niemax@planet.nl of ga naar zijn website www.niemax.tk

Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren, en je illustraties aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben plezier van onze verhalen.
Dus doe mee !!


omhoog    home