HET SPECIALE ROEDEL
EERSTE BOEK
DE KAZACHSE INVASIE
door Stephanie Jansen, 12 jaar
Inleiding
Het is het jaar 2132.
Iedereen dacht dat het goed zou gaan.
Hyper computers, leven op Mars, robotdieren.
Maar het gaat niet goed. Oorlog en honger beheersen de Wereld. De Dieren
hebben zich verder ontwikkeld maar de Mens is nog steeds iets slimmer,
maar de 'ondergeschikte' Dieren hebben de macht gegrepen en overheersen
de Wereld. Mensen en Dieren leven samen. Baby's en Jonge Dieren leven
als vriendjes. Mensenkinderen en Dierenkinderen gaan samen naar school.
Maar de volwassenen voeren al decennia lang oorlog.
In de Grote Steden is honger. Bijna overal oorlog. Veldslagen tussen
Mens en Dier die elkaar nu kunnen verstaan. De Leeuwen vechten overal
waar ze kunnen tegen de Mens. De Wolven, hun bondgenoten, helpen ze
erbij.
De Tijgers en Beren hebben de kant van de Mens gekozen. De Leeuwen en
Wolven winnen langzaam terrein. Er zijn ook speciale troepen met een
bijzondere missie. Eén daarvan is het Speciale Roedel.
Deze groep bestaat uit vier Leeuwen, drie Wolven en één
Jachtluipaard. Over het Speciale Roedel gaat dit verhaal. De Leider
is Korbin, de Kaapse Leeuw van de Seregeti, Tanzania, laatste in zijn
soort. De Jachtluipaard Kalahari, van de
Kilima Njaro, Tanzania. Ura, de Wolf uit de Dolomieten, Italië,
Makayowe, de Afrikaanse Leeuw van de Noordelijke Seregeti, Tanzania,
Dheli, Leeuw uit het Hoogland van Dekan, India. Arusha, uit de Seregeti,
Tanzania, de verpleegster in de groep.
Inari, de Wolf uit Noord-Finland. En als laatste Tisza, de Wolvin uit
het Karpatengebergte, Hongarije. Ze wonen tijdelijk in een grote stelling
onder de grond van Kazachstan vlak bij het Aralmeer. Stelling klinkt
wel groot, deze Stelling is klein, maar de Mens kan ze niet vinden.
Overal in die gang komen wortels van bomen of struiken uit het plafond.
Je moet uitkijken waar je loopt. Rennen is in deze gangen streng verboden.
Kalahari heeft zich over laten halen door Ura, voor een wedstrijdje.
Een heel kinderachtig spelletje.
"Wie het eerst bij de deur is"
EERSTE DEEL
WE ONTMOETEN ENKELE LEDEN VAN
HET SPECIALE ROEDEL
HST 1
Kalahari krijgt een ongelukje en ze ontmoeten Korbin.
"Wie het eerst bij de deur is!!" riep Ura, de Italiaanse Wolf.
En hij begon te rennen, al was hij kansloos tegen Kalahari, de Afrikaanse
Jachtluipaard. Kalahari startte snel en goed. Ura had een flinke voorsprong
maar Kalahari sprintte hem voorbij. Opeens voelde Kalahari een klap
tegen zijn kop. Hij zakte weg. "Kalahari?" hoorde hij nog.
Daarna niets meer
Hij werd opnieuw geboren. Tegelijk met een geweerschot van een Mens.
Zijn moeder, Chuïna, likte hem schoon. "En, hoe gaat mijn
kleinzoon heten?"vroeg N'babi, Chuïna's moeder. "Kalahari"
zei Chuïna. "Naar de Verloren Woestijn?" vroeg N'babi.
"Ja." zei Chuïna. "Duma sta me bij!" riep N'babi
uit. "Zo heette je Grootvader ook voordat de Mens hem ving en opsloot
in de Hel!" "Wildpark." verbeterde Chuïna haar moeder.
"Hij had het daar goed." "Maar je zoon, Kalahari van
Tanzania, hij lijkt op zijn Grootvader!" "Ik wèèt
het, daarom ook." Kalahari groeide op bij zijn Moeder en zijn Grootmoeder,
in de schaduw van de Kilima Njaro, de Witte Berg. Hij was er erg gelukkig.
Maar toen werd hij opgeroepen om tegen de Mens te gaan vechten. Hij
was niet de enige. Vanuit de Seregeti (Tanzania), Finland, India, Italië
en de Oekraïne werden er Dieren opgeroepen. En hij ging mee. Een
lange tocht door Afrika, de Bab al Mandab over, door delen van Azië.
Toen was hij op zijn bestemming, Kazachstan
Kalahari werd wakker. Hij kreunde. "Auuuwww!!" "Gaat
het?"vroeg Ura. "Best hoor!" "Oh, ik kan er toch
ook niets aan doen!" "Nee, hoor! Jíj bedacht dat wedstrijdje!"
Kalahari beet Ura in zijn oor. Ura ging er lachend vandoor. Mompelend
volgde Kalahari zijn vriend.
Halverwege de Hoofdgang kwam hij hem tegen.
Op z'n knieën. Voor hem stond een reus van een Kaapse Leeuw, diepblauwe
manen, drie keer zo groot als Ura, de Grote Baas, hun Leider Korbin.
HST 2
Ura & Kalahari maken kennis met Makayowe en krijgen direct moeilijkheden
met hem.
"Hallo, Ura, Kalahari, mijn beste strijders! Klaar voor de training?
Nee zeker! Hij wordt zwaar! Mogen jullie miezerige goden jullie bijstaan!"
En Korbin liep door.
Toen hij de hoek om ging sprong Ura op en riep: "Ik mag hem niet,
ik mag hem niet!!" "Ja, hoe hij Duma en Loupius, onze goden
noemt!" viel Kalahari Ura bij. "Ja, alsof die god Leo van
hem zó geweldig is! Volgens mij is die Leo een Mens!" "Ha,
ha, inderdaad!" Opeens hoorden ze een kuchje achter hen. Ura draaide
zich om en gromde. Een Afrikaanse Leeuw met blonde, bijna witte manen
en bruingroene ogen stond woedend naar hen te kijken. "Meekomen!"
siste hij. "Als blikken konden doden
" fluisterde Ura,
"Lagen we nu mors en morsdood op de grond!" Even later stonden
ze voor de 2e keer voor Korbin. De Leeuw, Makayowe heette hij, vertelde
alles. Korbin kon er wel mee lachen en beval Makayowe: "Jammer
Makayowe, slap verhaal! Breng mijn strijders naar hun kamer en geef
ze wat eten!"
Makayowe knarsetandde.
Ura en Kalahari zaten samen op één kamer. De kamer was
een grote koepel onder de grond. Er was een ingang, een nooduitgang
en een verborgen ruimte om je in te verbergen bij een aanval van de
vijand. Ze zaten te kletsen over de training. "Hij wordt zwaar
zei Korbin, dus we moeten ons op het ergste voorbereiden." Opeens
werd er op de deur geklopt. Kalahari keek wie er was. Makayowe! "Hier
is jullie eten!
Met de vriendelijke groeten van Korbin!" En weg was Makayowe weer.
Kalahari zei: "Laten we maar beginnen met eten dan." "Best."
zei Ura. Net toen ze begonnen met eten stormde er een Leeuw naar binnen.
Een grote Aziaat.
"Jullie hebben het dus!" zei hij. "Wat bedoel je en wie
ben je eigenlijk?" vroeg Ura verbaast. "Dheli van India. Maar
dat doet er niet toe! Meekomen! Naar Korbin!"
"Waarom?" "Jullie hebben het eten van de doodzieke Leeuwstrijder
gestolen! Mee!" Ura en Kalahari volgden hem. Halverwege zagen ze
Makayowe staan. Hij grijnsde.
HST 3
Ura en Kalahari krijgen straf voor iets dat zij niet hebben gedaan en
wie een kuil graaft voor een ander
Kalahari en Ura stonden weer voor Korbin en deze keer kijkt hij niet
zo blij. "Zij hebben het eten van de Leeuwstrijder gestolen. Ze
slopen om ongeveer 8.21 naar binnen, vlak nadat u, Korbin, weggegaan
was." vertelde Dheli. "Niet waar Korbin, hij liegt!"
riep Ura. Dheli grauwde en gaf hem een nijdige beet in zijn flank. "Ura
en Kalahari, jullie stellen mij diep teleur, dus jullie
"
Korbin stopte met praten omdat Makayowe binnengestormd kwam. "Ik
zag ze ook! Om acht uur kwamen ze binnen en sloegen me neer!" "Stil
even Makayowe. Waar was ik? Oh, ja. Dus jullie krijgen straf! Vijf dagen
de Stelling niet verlaten! En jij Makayowe, jij zit ook fout. IK was
om acht uur bij de Leeuwstrijder en jij was er niet. Dheli, voer hem
af! En jullie, Kalahari en Ura, wegwezen! Tot op de training."
Ura en Kalahari dropen af. Even later vroeg Ura: "Waar zou Makayowe
zijn?" "De Laagste Gang denk ik." "Dan gaan we daar
heen! Kom."

HST 4
Ura en Kalahari vinden Makayowe, maar ook iemand anders
Ura en Kalahari lopen, deze keer voorzichtig, door de Stelling. Het
was, op de tikkende nagels van Ura en Kalahari op de vloer na, doodstil
in de Laagste Gang. "Waar is Makayowe?" vroeg Ura. "Weet
ik veel." antwoordde Kalahari. "We kunnen beter
"
"Sst! Ik hoor iets!" Kalahari spitste zijn oren. "Ik
hoor niets." Ura luisterde nog eens. "Ja, ik hoor het weer,
kom mee." Ura begon sneller te lopen. En toen zagen ze hem. Een
Tijger! Zijn achterpoot lag in een vreemde hoek gedraaid. Er zit een
veeg geronnen bloed op zijn voorhoofd. Zij ene oog was iets kleiner
dan de andere, waardoor zijn schitterende kop lelijk ontsiert werd.
"Tijger." siste Ura. "Wolf." zei de Tijger bang.
"We brengen hem naar Korbin!" "Nee! Alstublieft niet!"
riep de Tijger wanhopig. "Jullie!" klonk opeens een stem achter
hen. Kalahari draaide zich met een ruk om. Ura had zich ook omgedraaid
en ontblote zijn witte tanden. "Makayowe!" siste hij. "Inderdaad,
Makayowe! En geen blije! Ik heb ook straf! Acht dagen de Stelling niet
verlaten.
Gelukkig mag ik wel mee op onze eerste missie!" "Eerste missie?"
vroeg Ura verbaast. "Zeker! De training is afgelast door tijd tekort
dus gaan we zonder voorbereiding de strijd in! Ze hebben zeker Strijders
te veel." nadat Makayowe dat gezegd had ontdekte hij de Tijger.
"Wat?! Een Tijger!"
"Ja, en wij brengen hem naar Korbin." zei Ura. "Nee,
alstublieft." smeekte de Tijger. "Asgar!" "Hou op
met die smerige taal!" grauwde Makayowe bij het horen van de taal,
Tigris, die de Tijgers met elkaar wel eens spraken.
"We brengen hem samen naar Korbin," stelde Makayowe voor,
"Dan krijgen we misschien een beloning of zelfs een bevordering."
Ura dacht na. "Wat vind jij Kalahari?" vroeg hij. "Mij
maakt het niets uit, zolang de Tijger maar geholpen word!" zei
deze. "Oké, we brengen hem naar Korbin." beloofde Ura.
"Jullie," commandeerde Makayowe, "blijf bij de Tijger,
dan haal ik Dheli." Een poos later kwam Makayowe terug met Dheli.
Toen Dheli de Tijger zag stelde hij geen vragen maar nam hem meteen
mee, geholpen door Makayowe. Kalahari en Ura waren weer alleen in de
Laagste Gang. "Kom," zei Kalahari, "We gaan naar onze
kamer."
HST 5
Het Speciale Roedel verlaat de veilige Stelling
en begint aan de tocht naar het Kamp bij de Waterval
De dag van de tocht is aangebroken. Alle Dieren van het Speciale Roedel
zijn aanwezig, samen met tien extra Leeuwstrijders die het Roedel ondersteunt
bij de tocht, om eventuele aanvallen van Mensen of andere Dieren te
voorkomen. Kalahari en Ura zijn ongelofelijk zenuwachtig. Ze hebben
nog nooit gevochten of een lange tocht gemaakt. Ura gaat naar Korbin
om te vragen wanneer ze gaan vertrekken. "Over enkele minuten vertrekken
we, na een paar uur zijn we op de helft, als we niet worden opgehouden
en moeten vechten." antwoordde Korbin. "We hebben niet eens
een training gehad." zei Ura. "Nou en? Als je aangevallen
wordt leer je het snel genoeg!" Ura ging naar Kalahari en vertelde
het. Verontwaardig wachten ze op het vertrek. Korbin schreeuwt een bevel
en het Roedel zet zich langzaam in beweging.
Na uren gelopen te hebben zijn de Roedelleden bekaf. Korbin brulde een
bevel en het Roedel en de Leeuwstrijders staan stil. "Zoek een
slaapplaats!" brulde Korbin. "Morgen trekken we verder!"
Kalahari liep naar een paar struiken, draaide een paar rondjes en plofte
neer. Ura kwam naast hem liggen. "We zouden weg kunnen lopen."
zei Ura na een poosje. "En de doodstraf riskeren? Dacht het niet."
zei Kalahari.
"'t Was maar een idee hoor." mompelde Ura.
TWEEDE DEEL
WE ONTMOETEN JÄGERMANN, TISZA EN INARI,
HET SPECIALE ROEDEL KOMT AAN BIJ
HET KAMP BIJ DE WATERVAL EN HET EERSTE GEVECHT TEGEN DE MENS VINDT PLAATS
HST 6
De Tijger Celidar licht Jägermann in over
het Roedel en zint op wraak
"Jägermann, er is iemand die u spreken wil." Jägermann
keek op naar de Tijger-Strijder die binnengekomen is. "Laat hem
binnen." zei hij. De Tijger-Strijder doet een stap opzij. Een andere
Tijger hinkt naar binnen. Jägermann zag meteen wie het was. Zijn
rechterhand, Celidar van Siberië. Zijn ene oog was iets kleiner
dan de andere waardoor zij schitterende kop lelijk ontsiert werd. "Waar
kom je vandaan?" vroeg Jägermann. "Ik
ik.."
stotterde de Tijger. "Ja?" Jägermann werd ongeduldig.
"Ik kom uit de Stelling van de vijand. Ik ben ontsnapt. Ze hadden
met gevonden en opgesloten. Daarna gingen ze me ondervragen en
"
"Wie zij "ze", Celidar?" "Het Speciale Roedel."
"Waar is hun schuilplaats?" "Aan de rivier de Syr Darja,
bij het Aralmeer." "Goed. Neem enkele Wereldverbeteraars mee
en vernietig dat Speciale Roedel. Ik kom later zelf." Celidar,
de Tijger dus, knikte, boog voor Jägermann en verliet de kamer.
Hij zal dat Speciale Roedel krijgen! Hem gevangen nemen. Ha! Nee, dat
Roedel was nog niet van hem af
HST 7
Jägermann ontdekt de lege Stelling
en besluit het Roedel te volgen.
"Wereldverbeteraars!" dacht Celidar verbeten. Uitschot, dat
was het! Enkele haveloze Tijgers liepen achter hem aan en volgden slaafs
ieder beveel op. Zelfs als Celidar gezegd zou hebben: "Spring in
een ravijn" zouden deze Wereldverbeteraars dat nog doen. Celidar
hoopte dat er snel een einde zou komen aan deze decennia lang durende
oorlog.
Jägermann zuchtte. Een Speciaal Roedel, daar zat hij nou net niet
op te wachten. Zijn Wereldverbeteraars zouden een niet-speciaal Roedel
nog niet eens aan kunnen. Hij wist best dat het slecht ging. Zijn soldaten
liepen maanden achter op soldij en de meeste waren ondervoed, blijvend
gewond of probeerde te vluchten, naar huis. Jägermann zuchtte opnieuw.
Hij keek op de grote klok. Tijd om Celidar te volgen. Hij riep zijn
eigen privé legertje. Zij waren speciaal opgeleid en beter gevoed
dan de Wereldverbeteraars. Zij klaagden niet. En ze waren met veel minder
maar telden wel voor twee gewone strijders. Jägermann noemde ze
de Beren van Kazan. Het waren Beren, de allersterkste van hun soort.
De naam, Beren van Kazan, had Jägermann zelf verzonnen. Want de
Beren kwamen allemaal uit Kazachstan. Jägermann brulde: "Voorwaarts!"
en ze gingen op weg naar de Stelling.
Na een tocht van ongeveer drie kwartier komen ze bij de rivier de Syr
Darja aan. Celidar stond er samen met de Wereldverbeteraars Jägermann
op te wachten. Toen hij hen aan zag komen riep hij: "Ze zijn er
niet!" Jägermann vloekte. "Zijn er enige aanwijzingen
te vinden waar ze heen zijn?" Celidar haalde zijn schouders op.
"Niet dat ik weet." Jägermann dacht even na. "Doorzoek
de hele Stelling." riep hij. De Wereldverbeteraars en de Beren
van Kazan gingen de Stelling binnen. Jägermann riep Celidar bij
zich. "Als ze iets vinden volgen we ze. Dat Roedel krijgt vast
een missie die voor ons misschien gevaarlijk kan zijn." Celidar
knikte. Opeens klonk er uit de Stelling een kreet van vreugde. Een Beer
van Kazan kwam naar buiten gestormd.
In zijn klauw hield hij een heel klein stukje papier. "Hierop staat
de route, die sukkels hebben hun route vergeten!" riep hij blij.
Jägermann rukte het papiertje uit de Beer zijn klauw. Het Aralmeer
stond erop. De Oeral Darja en de Syr Darja ook. De route was met een
stippellijntje aangegeven. Jägermann grijnsde duivels. "We
volgen ze." beval hij.
HST 8
Tisza van de Karpaten en Inari van Finland vinden
eindelijk het Speciale Roedel.
"Inari!" riep Tisza, een jonge Wolvin uit de Karpaten. "Inari,
kom even." Inari, een ook nog jonge Wolf uit Finland kwam aangerent.
"Wat is er?" vroeg hij.
"Daar." Wees Tisza. Inari keek. Hij zag een grote groep Dieren
voorbij komen. "Dat zijn ze, Tisza! Het Speciale Roedel! We hebben
ze gevonden." Tisza zuchtte. Na al die maanden zoeken. Eindelijk.
Ze wist nog goed hoe ze vanuit de Karpaten naar Kazachstan was gegaan.
Daar had ze Inari ontmoet. Hij had net als haar een oproep gekregen
om te gaan vechten. Samen waren ze verder getrokken. Maar ze waren het
Roedel misgelopen. Nu hadden ze hen eindelijk gevonden. Inari sprong
op, riep: "Kom mee!" en begon te rennen. Tisza volgde hem.
Inari had het Roedel bereikt. Hij stond nog een beetje na te hijgen
toen er opeens een enorme Leeuw bovenop hem sprong. Inari probeerde
zich te verdedigen, maar de Leeuw, Dheli uiteraard, was te sterk. Inari
kreeg een haal met de klauw van Dheli over zijn schouder. Het bloed
spoot eruit. "Nee!" gilde Tisza. "Stop. We zijn vrienden."
Dheli hield op toen Korbin hem het bevel tot stoppen gaf. "Wie
zijn jullie?" vroeg Korbin. "Wij zijn Tisza van de Karpaten
en Inari van Finland. We horen bij uw Roedel. We zijn jullie misgelopen."
Inari kreunde. Tisza holde naar hem toe en begon de wond aan zijn schouder
te likken. "Makayowe, ga met Inari terug naar de Stelling. Verzorg
hem daar. Je kent de weg naar ons Kamp. Als Inari voldoende hersteld
is kom je ons achterna. Neem drie Leeuwstrijders mee." Makayowe
knikte. Hij ondersteunde Inari en liep de lange weg terug naar de Stelling.
De Leeuwstrijders die Korbin aanwees volgden hen. "Tisza van de
Karpaten." zei Korbin. "Zoek ook een slaapplaats, we trekken
morgen verder."
Tisza keek rond. Bij Dheli kwam ze niet in de buurt. Bij de Leeuwstrijders
ook niet. Toen zag ze een jonge Wolf en een jonge Jachtluipaard liggen.
Zij zagen er niet erg bedreigend uit. Ze liep erheen. De Wolf tilde
zijn kop op. "Hallo." zei hij. "Hoi." zei Tisza
verlegen. "Mij naam is Ura van de Dolomieten. "Tisza van de
Karpaten." Ze zwegen even. "Mijn naam is Kalahari van Tanzania."
zei de Jachtluipaard. "Blijf maar een beetje bij ons, morgen. Dheli
heeft het niet zo op Wolven. Korbin valt wel mee als je hem eenmaal
kent." zei Ura. Tisza knikte. Ze was moe. "Ga maar slapen."
zei Kalahari.
Maar Tisza sliep al.
HST 9
Het Roedel komt aan in het Kamp bij de Waterval.
Dheli werd wakker van Korbin`s geschreeuw. Hij rekte zich uit en begon
zijn gezicht te wassen. "Dheli!" riep Korbin. Dheli zuchtte.
Hij slenterde naar Korbin toe. "Wat wit u van me, Korbin?"
"Dheli, ik heb een bericht van de Baas gekregen. Hij heeft via
een spion ontdekt dat een zekere Jägermann ons met zijn soldaten
volgt. We moeten dus opschieten want hij zit nog maar een dagreis achter
ons." Dheli knikte. "Dat is niet veel." zei hij. "Maar
we hebben Makayowe en Inari teruggestuurd. Ik wil dat jij ze terughaalt."
Dheli knikte opnieuw. "Ga nu." zei Korbin. "Goed."
zei Dheli. "U kunt op me rekenen."
Ura werd ook wakker van Korbin`s geschreeuw. Hij stond op en slenterde
naar de rivier de Syr Darja om wat te drinken. Aangekomen bij de rivier
zag hij Tisza staan. Ze was ook aan het drinken. "Goedemorgen."
zei Ura. "Oh, ben jij het." Ura knikte. "Ja." Hij
liet zijn kop zakken, tot vlak bij het water. Hij begon te drinken.
Het water was koel en smaakte fris. "Hallo." zei Kalahari.
Hij kwam tussen Ura en Tisza staan. "Ik kom net van Korbin."
zei hij. "Hij heeft Makayowe en Inari teruggestuurd naar de Stelling.
Maar hij heeft bericht gekregen dat een zekere Jägermann ons achtervolgt
met een leger!" Tisza schrok zichtbaar. "Maar Inari dan?"
vroeg ze. "Weet ik niet." antwoordde Kalahari.
"Voorwaarts!" brulde Korbin. Ze stonden op en begonnen te
lopen.
Na een lange, zware tocht zagen ze de Waterval. Hij was weliswaar klein
en je kon het nauwelijks Waterval noemen, maar hij was er! Korbin beval
enkele Leeuwstrijders vooruit te gaan. Na een poosje wachten kwamen
de Leeuwstrijders terug. Alles was veilig. Ze hadden het gehaald. "Is
er iemand?" riep Korbin. Het bleef even stil. Toen weerkaatste
een heldere stem tussen de rotsen: "Ja, hier ben ik al!" een
Leeuwin kwam tevoorschijn. "Welkom Korbin en Roedel, ik ben Arusha
en Korbin, als u even mee wil gaan, zal ik u de boodschap van de Generaal
geven. Het Roedel kan een tent zoeken." Korbin riep: "Zoek
een tent." Het Roedel en de Leeuwstrijders liep het kamp in. Ura,
Kalahari en Tisza zochten een grote tent zodat ze samen konden blijven.
Na het sein "slapen", een harde brul van Korbin, werden ze
stil. Kalahari hoorde Tisza en Ura nog een poosje fluisteren. Hij ving
woorden op zoals: "Inari", "Korbin", "Gevecht"
en "Bang." Kalahari ging op zijn buik liggen. Flank aan flank
met Ura viel hij in slaap. Om wakker te worden in het eerste gevecht
tegen de Mens
HST 10
Het eerste gevecht tegen de Mens vindt plaats.
Kalahari dacht dat hij in een nachtmerrie verzeild geraakt was. Hij
lag alleen in de tent. Ura was weg. Tisza was weg. Buiten hoorde hij
de afschuwelijke geluiden van een gevecht. Hij stond op en keek voorzichtig
om de hoek van de tent. Wat hij daar zag zal hem zijn leven lang bijblijven.
Kalahari was niet bang uitgevallen, maar hij was niet gehard door de
strijd. Hij zag Ura en Tisza flank aan flank tegen een Tijger-Strijder
vechten. Ura had al enkele halen over zijn kop gehad, want het bloed
sijpelde in zijn ogen. Tisza was er iets minder erg aan toe, ze had
enkel een schram over haar borst. Arusha vocht tegen een Tijger. Ze
was niet ernstig gewond. Korbin was de strijd aangegaan met twee Tijgers
en een Beer. Ook hij was aan de winnende hand. De Leeuwstrijders vochten
tegen de overige Tijgers en Beren. Kalahari werd opeens heel zeker van
zichzelf. Hij stormde de tent uit en stortte zich op de dichtstbijzijnde
Tijger. Die had hem niet zien aankomen en schrok enorm. Vechtend rolden
ze over de grond. Na een vreselijk half uur was de strijd gestreden.
Het Speciale Roedel won. De Tijgers en Beren trokken zich terug. Toen
ze uit het zicht verdwenen waren begon een van de Leeuwstrijders te
juichen. "Mond dicht!" riep Korbin. "We hebben nog niets
gewonnen!" De Leeuwstrijder zweeg. "Zijn er ernstige gewonden?"
vroeg Korbin. Niemand zei iets. Ura probeerde niet te kreunen, maar
dat lukte hem niet. Iedereen keek naar hem.
"Ben je ernstig gewond, Ura?" vroeg Tisza. "Nee
Nee! Ik ben in orde." Ura kreunde. "Toch niet." zei hij
en probeerde te glimlachen. "Arusha," commandeerde Korbin,
"Verzorg Ura, zorg dat het overmorgen klaar is, daarna treken we
verder, voordat Jägermann, als die het was, met versterking komt."
Arusha knikte en zei vriendelijk tegen Ura: "Kom maar, jongen toch,
wat zie je eruit." Ura ondersteunend liep ze naar de ziekenhuistent.
HST 11
Makayowe en Inari keren, echter zonder Dheli,
terug bij het Roedel en Dheli krijgt problemen.
Makayowe en Inari waren zonder problemen bij de Stelling aangekomen.
Makayowe verzorgde Inari zijn schouder en toen Inari voldoende hersteld
was begonnen ze aan de weg terug naar het Kamp bij de Waterval. Inari
liep nog wat moeilijk maar dat liet hij niet merken. Vlak nadat ze waren
vertrokken bij de Stelling kwam Jägermann bij de Stelling aan.
Makayowe en Inari trokken verder. Zonder Dheli tegengekomen te zijn
kwamen ze terug bij het Roedel. Korbin vertelde hen over het gevecht.
Toen pas merkte hij dat Dheli er niet was. "Waar is Dheli?"
vroeg hij. "Dheli? Is die dan niet hier?" vroeg Makayowe.
"Nee." antwoordde Korbin. "Hij is jullie tegemoet gegaan
om jullie te waarschuwen
voor Jägermann. Maar hij redt zich wel, we trekken verder, hij
haalt ons wel in. Onze missie luidt: naar het Aralmeer, daar krijgen
we verdere instructies." Het Roedel ging op weg.
Dheli was, vlak na Jägermann achter het Roedel aangegaan was, bij
de Stelling aangekomen. Hij ging de Stelling binnen. Geen Makayowe.
Geen Inari. Dan was de tocht voor niets geweest. Dheli zuchtte. Dan
maar weer terug. Nadat hij een poosje gelopen had werd hij moe en zocht
een plekje om te slapen. Dat vond hij al snel. Hij viel in slaap. Opeens
werd hij gewekt door geschreeuw. Hij deed zijn ogen open en keek recht
in het gezicht van Celidar. Hij herkende hem aan zijn oog. "Jij!"
Celidar knikte. "Inderdaad. En jij bent het ook. Die Leeuw uit
de gang. Van het Speciale Roedel is het niet?" Dheli zei niets.
In plaats daarvan keek hij Celidar woedend aan. Hij spande zijn spieren,
klaar voor de sprong. Maar voordat hij kon springen werd hij aangevallen
door drie enorme Beren en vier Tijgers. Ze drukten Dheli zijn lichaam
tegen de grond. Hij was machteloos. Celidar prikte treiterend met zijn
nagel in Dheli zijn neus. "Nu kan je lekker niets meer doen."
Dheli zei: "Oh, jawel!" Hij bevrijdde zijn poot uit de ijzeren
grepen van de Beren en Tijgers en gaf Celidar een enorme klap tegen
zijn kop, waardoor de Tijger viel. "Nu is het genoeg!" Jägermann,
die het gebeuren had staan volgen, kwam tevoorschijn. "Ik wil graag
dat je mijn 'gast' goed behandeld, Celidar." Dheli rilde bij het
horen van de stem. Vooral hoe hij 'gast' uitsprak beangstigde hem enorm.
"Neem hem mee." beval Jägermann. Dheli liet zich meevoeren.
Verzet was zinloos.
DERDE DEEL
HET ROEDEL RAAKT NOG EEN LID KWIJT, MAAR DEZE KEER OP ANDERE WIJZE
HST 12
Dheli denkt, in de donkere kerkers van
Jägermann, terug aan zijn tocht naar Kazachstan.
Dheli werd meegenomen door Jägermann en zijn gevolg. Hij werd geblinddoekt
zodat hij niet wist waar de schuilplaats van Jägermann was. Toen
zijn blinddoek afging, zag hij dat hij in een kerker was. De muren waren
grijs. De vloer was grijs. Alles was grijs. "Tot ziens, Leeuw!"
hoorde hij Celidar nog zeggen. Met een klap viel de deur in het slot.
Dheli was alleen. Net zo alleen als in India. Hij dacht terug aan de
tocht naar Kazachstan
Hij was uit zijn groep weggejaagd omdat hij de leider uitgedaagd had.
Hij had verloren. Toen had zijn groep, die hij zo had liefgehad, hem
verstoten. Hij was gaan zwerven en had een nieuwe plaats gevonden om
te wonen. Aan de oever van de Godavari, een prachtige rivier. Na enkele
gelukkige maanden kreeg hij de oproep om naar Kazachstan te trekken,
om te vechten tegen de Mens. Hij had het gedaan. Hij was naar de rivier
de Tapi getrokken. Daar had hij weinig herinneringen aan. Enkel de aankomst
herinnerde hij zich vaag. De geur van water was hem enkel bijgebleven.
Hij trok verder naar de rivier de Narmanda. Vanaf daar moest hij door
het Vindhya gebergte. Het enige dat hij zich herinnerde was dat hij
doodziek enkele weken in een grot had gelegen. Hij had van ellende ratten
moeten eten. Toen hij beter was trok hij westwaarts, naar het Aravalli
gebergte. Daar had hij ongeveer een maand bij rebellen, net als hij
Leeuwen, doorgebracht. Bij de rebellen had hij veel ervaring met vechten
opgedaan. Maar hij was Kazachstan niet vergeten en trok verder naar
de Tharwoestijn. Droog. Dor. En toen opeens die vrachtauto van de Mens,
midden in de woestijn. Hij had zich verborgen in de laadbak en merkte
tot zijn grote verbazing dat de Mens eten en water vervoerde. Hij reisde
mee tot de tot aan de rivier de Indus. Hij bleef de Indus volgen. Tot
aan de rivier de Kabul in Afghanistan. Die bleef hij nu volgen. Hij
ging de Hindu Kush door. Dat was zwaar. Hij wilde het bijna opgeven.
Toen zag hij de Amu Darja.
Hij kreeg nieuwe moed en begon de rivier te volgen, tot aan het Aralmeer.
Hij moest de Laagvlakte van Turan over. Hij bleef het Aralmeer links
houden. Hij belandde aan bij de Syr Darja. die bleef hij volgen. Hij
was er bijna. Eindelijk, anderhalf jaar nadat hij uit India vertrokken
was, kwam hij aan bij de Stelling.
Ruw werd hij uit zijn gedachte opgeschrikt door Celidar zijn stem. "Verhoor,
maatje." zei hij. Dheli boog zijn kop. Wat zou er gaan gebeuren?
HST 13
Het Roedel krijgt een bericht van Jägermann en onderneemt direct
actie.
Korbin riep het hele Roedel bij elkaar. Toen iedereen er was, begon
hij te spreken. "Dieren van het Speciale Roedel. Ik heb vandaag,
heel vroeg in de morgen, een bericht van Jägermann ontvangen."
Het bleef even stil. Korbin vervolgde: "Ze hebben Dheli."
Er steeg een gemompel op uit de groep Dieren. Ura zei tegen Kalahari:
"Dheli? Dat kan niet! Dheli kan ze iedereen aan. Zelfs Jägermann!"
Een Leeuwstrijder zei tegen Makayowe: "Misschien is Dheli al dood."
Tisza zei tegen Inari: "Ik was bang voor hem, maar dit wens ik
zelfs Dheli niet toe.'' Korbin vroeg om stilte en vervolgde zijn verhaal:
"We zouden nu aan kunnen vallen, maar dat zou dom zijn. We wachten
tot vannacht, en als de Maan op haar hoogste punt is, vallen we aan!
Gaan jullie nu maar slapen, het wordt een lange nacht."
De Maan stond op haar hoogste punt toen Korbin alle Dieren wakker kwam
maken. Hij riep ze weer bij elkaar en vertelde ze het volgende: "Ik
heb nog eens goed over mijn plan nagedacht en kwam tot de conclusie
dat het heel snel fout kan gaan. Ik heb toen het volgende bedacht: We
zenden via één van ons een bericht naar Jägermann.
Diegene moet hem niet vertellen dat hij, of zij, van ons Roedel is.
Hij zegt dat hij, of zij, een verrader is en samen met de rechterhand
van Jägermann, die wij eerst gevangen hadden, maar die weer ontsnapt
is, een belangrijke reis mag maken.
Met die rechterhand van Jägermann gaat hij naar het Aralmeer. Daar
doet hij een dagreis over. Aangekomen bij het Aralmeer zegt hij de rechterhand
even alleen te blijven. Wij zitten daar vlakbij. Hij roept ons met "auw,
een doorn in mijn poot." Wij komen, nemen de Tijger gevangen en
proberen hem te ruilen voor Dheli. Begrepen?" De Dieren mompelden
instemmend. "Goed, wie wil de vrijwillige zijn?" Niemand zei
iets. "Wie?" Het bleef opnieuw stil. "Goed, dan kies
ik zelf iemand uit." Korbin stond op en begon tussen de Dieren
door te lopen. Hij bleef staan bij Inari. "Inari van Finland, ga
en laat je Goden met je zijn!" Inari stond op. Zonder afscheid
te nemen rende hij weg, de donkere nacht in
Inari voelde zich goed. Eindelijk kreeg hij iets belangrijks te doen.
Deze missie zal hij tot een goed einde brengen. Na een hele nacht reizen
kwam hij aan bij Jägermann zijn verblijfplaats. Er stond een Tijger
op wacht. Inari voelde zijn hart in zijn keel bonken. "Loupius,"
bad hij in stilte, "Geef me een teken
dat U bij me bent." Een windvlaag woei langs Inari heen. De Wind
leek te fluisteren. "Ga Inari, Ik ben bij je." Inari knikte.
"Ik ga." fluisterde hij. Inari liep, zelfverzekerd, naar de
Tijger toe. De Tijger schrok enorm. "Wie ben je?" vroeg hij
en ging in de aanvalshouding staan. "Ik ben Inari van Finland,
ik kom met een boodschap voor Jägermann. Een belangrijke."
De Tijger liet hem er niet zomaar in. "Je bent een Wolf! Ben je
een verrader?" Inari knikte. "Ja." De Tijger zei: "Oké,
je mag naar binnen." Inari liep naar binnen. Dit kon niet fout
gaan.
HST 14
Inari en Celidar komen aan bij het Aralmeer.
Inari kwam zonder problemen bij Jägermann. Hij verbaasde zich erover,
maar tijd om na te denken had hij niet. Hij stond voor Jägermann.
De vijand. Zijn ademhaling ging snel. Zijn poten rilden. Jägermann
schrok toen Inari binnenkwam. "Wie ben je?" vroeg hij. Inari
deed hetzelfde verhaal als bij de Tijger. Daarna vertelde hij wat hij
van Korbin moest zeggen. Jägermann knikte bedachtzaam. "Waarom
heb je Celidar nodig, Wolf?" Inari dacht vliegensvlug na. "Hij
moet me helpen om de leider van een groep gevangen te nemen." Jägermann
knikte. "Goed. Hij mag mee. Ga je mee, Wolf? We gaan hem halen.
Hij is net bezig met een verhoor." Inari schrok, maar dat liet
hij niet merken. Verhoor. Dheli! Hij liep achter Jägermann aan.
Na een paar minuten bereikten ze de cel waar, inderdaad, Dheli in zat.
Inari schrok. Dheli leek ingestort. Zijn kracht was weg. Op zijn schouder
zat een open wond. Over zijn neus liep een lange kras. Hij zag er vreselijk
uit. Niet als de Dheli die Inari kende. Hij sloeg zijn ogen neer. Dheli
leek niets te zien. Met een lege blik staarde hij naar de muur. Celidar
stond bij Dheli. Hij grijnsde. "Hallo, Jägermann. Ik ben net
klaar met het verhoor. Ik zie dat u nog een gevangene heeft." Jägermann
legde Celidar alles uit. "Goed." Celidar was duidelijk in
een goed humeur. "Ik ga mee." Jägermann vroeg: "Heeft
het verhoor nog iets opgeleverd?" Celidar schudde zijn kop. "Nee,
geen woord." Inari zuchtte. Arme Dheli. Hopelijk konden ze hem
snel bevrijdden. "Ik ben Celidar van Siberië." stelde
Celidar zich voor. "Inari van Finland." zei Inari. "Waar
moeten we heen?" vroeg Celidar. "Dat vertel ik buiten wel."
zei Inari. "Kom op, naar buiten dan." Celidar volgde hem.
Even later waren Inari en Celidar op weg naar het Aralmeer. Ze praatten
wat over normale dingen. Inari probeerde Celidar niet aardig te vinden,
maar dat ging moeilijk. Celidar deed werkelijk aardig. Toen het avond
werd zochten ze een plekje om te slapen. Dat vonden ze al snel. Een
grot met een hoop dorre bladeren erin. Flank aan flank met Celidar viel
Inari die avond in slaap.
De volgende dag. Inari werd als eerste wakker. Hij wekte Celidar. "Zo
vroeg nog?" zei Celidar terwijl hij naar de Zon keek. "Ja,
we moeten voor het donker bij het Aralmeer zijn." Celidar knikte.
Ze gingen op weg. Na een hele poos lopen, rusten en praten kwamen ze
aan bij het Aralmeer. "Blijf even wachten." zei Inari tegen
Celidar. "Ik moet even weg." Celidar ging liggen en zei: "Goed,
tot zo, vriend!" Inari kromp nauwelijks merkbaar in elkaar. Vriend
had Celidar gezegd. Vriend. Hij liep een eindje verder, buiten gehoorafstand.
"Auw, een doorn in mijn poot." riep hij. Hij hoorde geritsel
in het hoge gras. Korbin, Tisza, Ura, Kalahari, Makayowe, Arusha en
enkele Leeuwstrijders stormden langs hem heen. Even later hoorde hij
geluiden van een gevecht. Hij snelde erheen. Toen hij aankwam was het
gevecht voorbij. Celidar lag op zijn rug. Bovenop hem stond Korbin.
"Goed werk, Inari." zei Korbin. Inari keek naar Celidar. Zijn
ogen leken te zeggen: "Waarom, vriend?"
HST 15
Celidar wordt kort verhoord door Makayowe en Korbin.
Makayowe en Korbin stonden te praten vlak bij de grot waar Celidar gevangen
zat. Celidar werd bewaakt door twee Leeuwstrijders. "Makayowe,
zei Korbin, "We gaan die hoe-heet-ie-ook-al-weer, eens verhoren.
Misschien weet hij wat er met Dheli is gebeurt. Inari zegt, sinds we
die Tijger hebben, geen woord meer." Makayowe knikte. "Kom,
Leider, we gaan hem verhoren." Celidar lag in een grot die als
gevangenis dienst deed. Hij hief zijn kop op toen Makayowe en Korbin
binnenkwamen. "Hallo hoe-heet-ie-ook-al-weer." Celidar onderbrak
Korbin. "Mijn naam is Celidar, meneer!" "Goed dan, Celidar.
Ik ga je enkele vragen stellen. Vraag één. Waar is Dheli?"
Celidar keek verbaast. "Dheli? Ik ken geen Dheli, meneer."
Korbin keek bedachtzaam. "Ken je dan een grote Leeuw, donkere manen,
donkere vacht, donkere ogen?" Celidar slikte. "Nee, meneer."
Korbin werd kwaad. "Je kent hem wel. Wel zeg ik, hoor je dat?"
Celidar knikte. "J..ja, meneer." Korbin keek triomfantelijk.
"Je kent hem dus wel!" Celidar schrok. "Nee, meneer,
echt niet meneer. Auw!" Korbin was geïrriteerd geraakt door
Celidar, daarom gaf hij hem een klap. "Zwijg Celidar! Ik wil niets
meer horen! Je blijft hier tot we Dheli terugkrijgen. Goedendag."
Toen Korbin en Makayowe weg waren begonnen Celidar zijn hersenen keihard
te werken. Hoe moest hij hier uitkomen. Hij voelde zich alleen. En,
wat hij het gekst van al vond, is dat hij Inari vreselijk miste.
Hij keek de grot eens goed rond. Toen pas zag hij een kleine spleet,
ongeveer een meter boven de grond. Misschien kon hij daardoor. Hij kon
het altijd proberen. Hij nam een aanloopje en sprong. Hij kon net met
zijn klauwen de rand grijpen. Snel trok hij zich op. Nu bevond hij zich
op een smalle richel. Geen doorgang. Celidar zuchtte. Pech. Snel sprong
hij weer naar beneden. Hij zocht het zachtste plekje in de grot op en
viel onmiddellijk in slaap.
HST 16
Inari denkt terug aan zijn enige vriend in Finland.
Inari had, nadat Celidar gevangengenomen was, geen woord meer gezegd.
Kon hij maar iets voor Celidar doen. Hij was zijn vriend en dat zal
hij blijven. Zeker na die ervaringen in Finland. Die zal hij nooit vergeten.
Het was gebeurt in de tweede Zomer van zijn leven. Bij de Wolven van
Inari zijn familie is het gebruikelijk dat elke Wolf in de tweede Zomer
één nacht helemaal alleen in een verborgen plek bij de
rivier de Kemi verblijft. Daar zal hij Loupius' stem horen en zal dan
tot de volwassen Wolven horen. Maar de tocht moest alleen. Als je samen
met iemand trok zal je nooit als volwassen Wolf worden beschouwd. Inari
had in die tijd een vriend. Zijn allerbeste vriend. Zijn naam was Ivalo.
Hij was één Zomer ouder dan Inari en had zijn tocht naar
de Kemi niet gehaald omdat zijn broer Torne met hem meegegaan was. Nooit
zal hij volwassen worden beschouwd. Inari had meelijden met hem, want
Ivalo was volwassen in zijn ogen. Ivalo had hem alles verteld over de
tocht. Dat je niet aan thuis mocht denken. Dat leek makkelijk maar de
tocht naar de Kemi was zwaar. Ivalo vertelde over een bos waar zelfs
de dapperste Wolf met rillende lendenen en zijn staart tussen zijn poten
terug deed keren. Toen was de dag aangebroken. Inari moest naar de Kemi.
Heel zijn Roedel kwam hem moed inspreken. Zijn vader die eveneens Inari
heette, en zijn moeder Blue Star, zijn twee nichtjes, Morgenlicht en
Ochtendgoud.
Zijn oom Honor, de dapperste Wolf uit het Roedel. En zijn grootmoeder
Sainfoon. Van haar hield hij het allermeest. Natuurlijk waren Ivalo
en Torne er ook. Inari probeerde niet bang te lijken, maar dat was hij
wel. De Wolven wensten hem succes en keken hem na, terwijl hij de heuvel
afrende. Hij was al een flink eind toen hij gehijg achter zich hoorde.
Hij draaide zich met een ruk om. Ivalo!
"Ik
ik vergat iets." hijgde hij. "Ga niet door,
door het bos!" Inari hield zijn kop scheef. "Waarom niet?"
Ivalo keek hem bang aan. "De Mens
" "Wat de Mens?"
Ivalo hijgde. "Klemmen. Honden." Inari zuchtte. "Ik ga
door dat bos. Of je dat wilt of niet." Ivalo draaide zich om. "Ik
heb je gewaarschuwd." mompelde hij. Inari lachte. "Dag Ivalo,
tot morgen, overmorgen anders." Hij rende weg. Naar het bos.
Bij het bos aangekomen was het al donker geworden. Inari gaf er niet
om. Hij zal deze nacht door dat bos trekken. Hij zal zijn moeder en
vader en de andere Wolven bewijzen dat hij volwassen was. En Sainfoon.
"O, Loupius, nee. Niet aan Sainfoon denken nu!" riep Inari
door de stilte van de nacht. Zijn stem kaatste door het stille naaldbos.
Ineens doorbrak een geluid de stilte. Inari schrok en stak zijn neus
in de lucht. Hij rilde. Hond! Hij was nog ver weg, ongeveer in het midden
van het bos. Maar de hond had hem ook geroken. Inari trok zijn bovenlip
op en grauwde. Hij moest en zal door dat bos gaan, al werd het zijn
dood. Zelfverzekerd begon Inari te rennen. Na een poos gerent te hebben
werd de geur van de hond, of honden, heel sterk. Inari bleef ineens
staan. Hij zwoor dat hij iets zag bewegen. Iets groots. Hij snoof nogmaals.
Snel liep hij door. Hij hoorde weer een geluid. Dichtbij nu. Ineens
had hij het gevoel dat er iemand naar hem keek. Hij draaide zich langzaam
om. Er zat iets in de struiken. Een hond. De hond grauwde. Er droop
speeksel uit zijn bek en zijn ogen waren bloeddoorlopen. Opeens begon
de hond te rennen. Inari schrok en rende zo hard als hij kon de tegengestelde
richting op. De hond bleef hem achtervolgen. Inari begreep dat hij niet
langer kon vluchten. Hij zal moeten vechten. Hij stopte en wachtte af
wat de hond deed. Die vloog hem onmiddellijk aan. Inari verzette zich
met al zijn kracht, maar de hond was sterker. Inari probeerde de hond
te verwonden maar het was tevergeefs. De kwijlende bek van de hond was
op enkele centimeters van zijn gezicht verwijderd. De hond wilde hem
doden! Inari vocht voor zijn leven. De hond sloot zijn kaken om Inari`s
nek en wilde net doorbijten toen een geschreeuw de stilte doorbrak.
Ivalo`s geschreeuw! De hond liet Inari los en stortte zich op Ivalo.
Vechtend rolde de twee Dieren over de grond. Inari stond erbij, zonder
iets te doen. Ivalo rolde samen met de hond de schaduw van de nacht
in. Krakende takken en toen niets meer. Inari snelde erheen. De hond
was nergens meer te zien. Ivalo lag op de grond. Vlak aan de rand van
een ravijn. Tijdens het gevecht had Ivalo met zijn laatste kracht de
hond in het ravijn geduwd. Nu lag hij bewegingloos op de grond, onder
het bloed van de hond of hemzelf. Inari`s ogen liepen vol met tranen.
Ivalo was er niet meer
Inari`s ogen liepen weer vol met tranen bij de herinnering aan Ivalo.
Hij was niet verder aan de tocht naar de Kemi gegaan. Hij was naar huis
gegaan en had over Ivalo verteld. Iedereen was diep bedroeft. Inari
voelde zich vreselijk schuldig. Diezelfde dag kreeg hij de oproep van
het Speciale Roedel. De nacht erna was hij weggeslopen. Hij had een
missie. En nu had hij een vriend verraden. Celidar. Hij moest hem helpen.
Hoe dan ook. Dat was zijn missie! Vannacht zal hij gaan.
HST 17
Inari helpt Celidar bij zijn ontsnapping.
Die nacht sloop Inari weg. Dat was niet moeilijk want sinds Celidar
gevangen zat had hij alleen geslapen. Kalahari en Ura sliepen samen
met Tisza, Makayowe bij de Leeuwstrijders en Arusha bij Korbin. Iedereen
beweerde (uiteraard als Korbin ver uit de buurt was) dat Arusha een
dikke buik had. Inari sloop naar de grot waar Celidar gevangen zat.
De Leeuwstrijder die wacht had sliep. Inari nam niet het risico de grot
van voren in te gaan. Hij sloop naar achteren. Aan de achterzijde zaten
enkele stenen los. Inari wrikte ze met weinig moeite los. Op zijn buik
kroop hij door het smalle gangetje waar Celidar nooit doorheen zal kunnen.
Toen stond hij binnen. Celidar stond met een ruk op. "Inari!"
riep hij. "Sst." siste Inari. "Wat doe je hier, vriend?"
vroeg Celidar. "Ik kom je bevrijden." zei Inari. Celidar knikte.
"Kom." zei Inari. Hij liep voorop naar de vooringang. De Wacht
sliep nog steeds. "Sst." zei Inari weer. Hij duwde de balken
voor de ingang opzij. De Wacht bleef slapen. Celidar en Inari slopen
langs hem heen. "Celidar, ga. Terug naar Jägermann. We kunnen
niet langer vrienden zijn." zei Inari toen ze een flink eind gelopen
hadden. "Ik ga terug naar het Roedel." Inari wilde zich al
omdraaien maar Celidar zei: "Inari, ga toch met me mee, we zullen
je goed kunnen gebruiken." Inari schudde zijn kop. "Nee, Celidar,
mijn plaats is hier." Celidar knipperde een paar tranen weg. "Ik
zal Dheli laten ontsnappen. Dan is jullie Roedel compleet, net als het
mijne." Inari slikte. "Eens zullen we tegen elkaar moeten
vechten. Het ga je goed, vriend!" Celidar knikte. Hij draaide zich
om en rende het donker in
HST 18
Korbin is woedend en Inari krijgt straf.
Makayowe was die ochtend vroeger op dan anders. Hij moest namelijk vandaag
voor de gevangene zorgen. Zacht neuriënd ging Makayowe op weg.
Voor Celidar zorgen was niet zo'n erge opdracht. Bij de grot aangekomen
trof hij de Leeuwstrijder slapend aan. "Wakker worden!" riep
hij terwijl hij de Leeuwstrijder door elkaar schudden. "Wat is
er?" vroeg de Leeuwstrijder. "Ik moet voor Celidar zorgen
vandaag. Laat me erlangs." De Leeuwstrijder ging opzij. Makayowe
stapte de grot in. "Nee!!" schreeuwde hij. Celidar was weg.
"Jou schuld." beet hij de Leeuwstrijder toe. Hij stormde weg,
naar Korbin.
Korbin en Arusha lagen samen te zonnen en praatten wat over koetjes
en kalfjes. Of eigenlijk
over Leeuwen en Welpen
Arusha had Korbin verteld dat ze over een
maand of 3 jongen zal krijgen, waarvan hij de vader was. Net op dat
belangrijke moment kwam Makayowe aangerent. "Makayowe, wat moet
jij nou hier?" vroeg Korbin een beetje kwaad. "Ik
Ik
DE GEVANGENE IS ONTSNAPT!!" riep Makayowe. "Wat?!" Korbin
sprong op en holde met wapperende manen achter Makayowe aan. Arusha
sprong ook op en rende de twee Leeuwen achterna. Aangekomen bij de grot
waar Celidar zat vroeg Arusha: "Wat is er nu eigenlijk aan de hand?"
Makayowe gaf antwoord: "De gevangen Tijger is ontsnapt. We denken
dat hij geholpen is." Korbin knikte verbeten. "Ik weet al
door wie. Kom mee Makayowe, Arusha blijf hier. Wij gaan eens een hartig
woordje met Inari spreken."
Inari had een goed gevoel over wat hij gedaan had. Celidar zal Dheli
zeker terugsturen. Genietend van
de Kazachse Zon sloot hij zijn ogen. Ineens viel er een schaduw over
zijn gezicht. Hij opende zijn ogen en keek recht in het gezicht van
een woedende Korbin. "Wat heb jij gedaan, Wolf!" bulderde
Korbin.
"Niets
" stotterde Inari. "Niets, hé! En
waar is de gevangene dan?" "Ontsnapt." Korbin fronste
zijn wenkbrauwen. "Besef je nu wel dat je jezelf verraden hebt,
Inari?" Inari schudde zijn hoofd. "Ik en Makayowe waren als
enige en eerste bij de grot." Tot Makayowe zei hij: "Grijp
hem." Makayowe stortte zich op Inari en greep hem bij zijn nekvel.
Korbin zei: "Ik roep het Roedel bijeen. We gaan vergaderen over
deze verrader." Makayowe tilde de veel kleinere Wolf moeiteloos
op en droeg hem achter Korbin aan. Inari verzette zich niet. Hij liet
zijn kop hangen en keek pas weer op toen alle Dieren van het Roedel,
behalve de Leeuwstrijders, naar hem keken. Tisza huilde. Hij keek in
haar ogen. Dezelfde blik als Celidar had toen hij hem voor de eerste
maal verraadde. Hij was een lafaard, een Oetin. Oetin was de Wolf die,
in een verhaal, Loupius verraad. Hij was Oetin.
"Leden van het Speciale Roedel," begon Korbin, "Deze
Wolf, Inari van Finland, heeft met de vijand gepraat. Meer dan dat,
hij heeft ons verraden!" Verontwaardigd gemompel stijgt op uit
de kring van Dieren. "We zijn het er allen over eens dat deze verrader
gestraft moet worden. Als het aan de Generaal, die we niet over dit
voorval inlichten trouwens, ligt geven we hem de zwaarste straf, namelijk
die van de dood, maar omdat Inari niet zo slecht is, geven we hem een
mildere straf. We verbannen hem tijdelijk uit ons midden. Hij moet een
tocht maken naar het Balchasjmeer! Bij dit meer zal hij vergeven worden
door zijn eigen goden, en ook door de mijne. Bij zijn terugkomst zal
alles vergeten zijn." Hij keek Inari in de ogen. Inari keek terug.
"Ga, Wolf!" Inari, niet goed beseffend dat hij vrij was, rende
weg. Pas later besefte hij wat hij moest doen. Naar het Balchasjmeer!
VIERDE DEEL
DE INVASIE VIND PLAATS, MET
DHELI MAAR ZONDER INARI
HST 19
Dheli keert terug bij het Roedel.
Dheli zat nu al heel lang in de kerker. Zijn besef van tijd was hij
kwijt. Toen hij voor het eerst verhoord werd voelde hij alles. Celidar
had Dheli`s poot vreselijke pijn gedaan. Misschien zelfs gebroken. Sinds
die keer liep hij mank. De tweede en de daaropvolgende verhoren voelde
hij niet meer. Waarom kwamen ze hem nou niet bevrijdden? Het Roedel
zal hem toch niet vergeten zijn
Nee, dat kon niet. Korbin zal
hem nooit vergeten. Ineens hoorde hij een geluid op de gang. Celidar.
Hij had hem een tijdje niet gezien. Celidar stapte naar binnen. "Stil,
Leeuw." siste hij. "Ik ga je bevrijden." "Bevrijden?
Waarom?" vroeg Dheli. "Om een vriend." Dheli vroeg niet
verder. Het belangrijkste was dat hij vrij kwam. Celidar gebaarde met
zijn kop dat hij mee moest komen. Moeizaam stond Dheli op. Toen hij
stond hing zijn linkerachterpoot er krachteloos bij. Celidar keek hem
schuldbewust aan. "Het spijt me." zei hij. Celidar ging voorop
en Dheli volgde hem door de stinkende gangen van Jägermann`s stelling.
Toen stonden ze buiten in de felle Kazachse Zon. Dheli kneep zijn ogen
tot spleetjes tegen het licht. "Ga." zei Celidar. "Je
bent vrij." Dheli keek hem dankbaar aan. Toen draaide hij zich
om en rende, zo goed als mogelijk, weg. Terug naar het Roedel.
Na een poosje lopen en rusten doemde het Aralmeer voor hem op. Nu was
het nog maar een klein eindje naar het Kamp bij de Waterval. Dheli rustte
even en likte zijn zere poot. Waarom had Celidar hem laten gaan? Om
een vriend zei hij. Welke vriend? Opeens herinnerde hij zich de Wolf
die hij gezien had. Tisza? Inari? Hij wist het niet meer. Kreunend stond
hij op en vervolgde zijn weg naar het Roedel. Toen hij een minuut of
tien gelopen had zag hij iemand op hem afkomen. Hij bleef staan en keek
eens goed. Het was een Leeuw. Toen de Leeuw dichterbij kwam herkende
hij hem. Korbin, met het Roedel achter hem aan! Dheli rende, zo snel
als hij kon, hen tegemoet. "Dheli?" vroeg Korbin, "Ben
jij het echt?" Dheli knikte. "Wat is er gebeurd? Ach, nee,
laat maar even! Kom mee naar het Kamp. Jij, en wij ook, hebben elkaar
een boel te vertellen." Dheli knikte weer en volgde Korbin en het
Speciale Roedel, terug naar het Kamp.
HST 20
Inari begint aan de zware tocht, maar niet alleen
Hijgend bleef Inari staan. Hij had nu al enkele dagen gelopen, zonder
eten en verontreinigd water gedronken. Hij kon niet meer. Hij was kapot.
Kreunend zakte hij door zijn poten. Hij was nu op de Hongersteppe. En
die deed zijn naam eer aan. Hij had honger. Zuchtend stond hij op om
eten te gaan zoeken. Ondertussen mompelde hij: "Loupius, help me,
laat me eten vinden en mijn doel bereiken alstublieft!" Opeens
zag hij een konijn. Het zat een eindje verderop op een plant te knagen.
"Dank u, Loupius!" fluisterde Inari en besloop het konijn
dat niets in de gaten leek te hebben. Inari stortte zich op het diertje
en even later was zijn honger gestild. Hij liep verder, de pijn in zijn
poten vergetend. Het werd al snel donker. Inari zag een spleet in een
berg en ging naar binnen. Zachtjes liep hij naar binnen. Opeens verschoof
de grond onder zijn poten. Inari kon nog net terug springen. Dodelijk
geschrokken kek hij in het gat dat de verschuiving veroorzaakt had.
Het was er aardedonker, maar hij kon een liggend figuur onderscheiden.
De figuur bewoog en keek naar boven. Inari schrok. Het was een Wolf.
Een vreselijk magere Wolf. "Help!" hoorde hij zachtjes. "Ik
kom eraan." zei Inari. Maar hoe? dacht hij.
Hij ontdekte aan de overkant een minder steil stuk. Misschien kon
hij daar vanaf en de Wolf redden. "Ik kom eraan!" riep hij
naar beneden. De Wolf gaf geen antwoord. Inari snelde naar het minder
steile stuk en klom voorzichtig naar beneden. Bij de Wolf aangekomen
zei hij: "Wat is er gebeurt?"
De Wolf hief zijn kop op. "Haal me er eerst uit, dan vertel ik
alles." Inari knikte. Hij greep de Wolf bij zijn nekvel en sleepte
hem met veel moeite uit de kuil. Daar aangekomen probeerde de Wolf
te zitten. Dat lukte niet dus bleef hij liggen. "Mijn naam is
Bratsk." begon hij. "Ik ben van ver gekomen, helemaal van
over de Siberische Vlakte, ik kom van het Heilig meer van Baikal."
Inari`s bek viel open. Het Baikalmeer! Dat was de plaats waar Loupius
een god geworden was! Bratsk lachte om zijn verbazing en ging verder.
"Ik ben een van de laatste Baikal Wolven. Dat kun je zien aan
mijn vacht." Nu viel Inari de bijzondere tekening op Bratsk`s
vacht pas op. Hij was grijs, met witte voeten en een zwarte staart.
Dat was nog niet het bijzonderst aan Bratsk. Dat waren zijn ogen,
een geel en een blauw. Ook liep er een zwarte streep vanaf zijn neus
tot het begin van zijn staart. "Ik werd het beu bij de Wolven
van mijn stam dus ging ik er vandoor. Toen ik hier aankwam belandde
ik in die kuil." Bratsk sloot zijn ogen even. "En jij, Wolf,
wat is jou naam en waar kom je vandaan?" Inari dacht even na.
"Mijn naam is Oetin." Bratsk keek op. "Oetin? De verrader?"
Inari, of Oetin, knikte. "Ik kom uit Finland en ben uit een legergroep
verstoten na verraad, ik had een krijgsgevangene laten ontsnappen.
Nu moet ik naar het Balchasjmeer om vergeven te worden door allerlei
goeden." Bratsk knikte. "Ik zal met je meereizen. Maar,
dat verhaal, van Oetin, ken je dat tot in de details? Vast niet. Mijn
stam kan verhalen vertellen als de beste. Ik ken vele nieuwe verhalen
en ook het verhaal over jou naamgenoot. Moet ik het je vertellen."
Inari knikte en ging liggen. "Het gebeurde op een koude nacht
in de Slowaakse Winter, op de Hoge Tatra
" begon Bratsk.
"Loupius was daar. Alleen, dacht hij." Inari, Oetin nu,
sloot zijn ogen en luisterde naar Bratsk vriendelijke stem. Al was
zijn nieuwe vriend Lentes eerder geboren dan hij, hij voelde zich
gelukkig. Hij had een vriend, en wat voor een. "Loupius dacht
na over een vergrijp dat hij Oetin, een van zijn beste vrienden, had
aangedaan. Het was die middag gebeurt. Oetin kon niet goed meer lopen
door een gevecht met een Beer, eerder die ochtend. En Loupius had
hem uit lopen schelden. Voor slappeling en manke en nog veel ergere
dingen die met Oetin`s ongelukkige verleden te maken had. Oetin`s
hele roedel, zijn vader, moeder, broer, oom en grootmoeder waren door
de Mens vergiftigt. Alleen Oetin overleefde omdat hij de jongste was
en dus als laatste moest eten. Loupius was boos en verdrietig omdat
Loupius' zus, Dobsiná, die Oetin probeerde te beschermen, ernstig
gewond geraakt was. Ze was een prachtige Wolvin om te zien maar door
Oetin`s fout zat haar gezicht vol krassen en was ze haar schoonheid
verloren. Loupius was kwaad op Oetin, die zelf ook ernstig verwond
was. Oetin was na Loupius scheldpartij weggelopen. Loupius was naar
de Tatra gegaan om na te denken hoe hij Oetin zijn excuses kon aanbieden.
Toen gebeurde het. Twee enorme Beren overmeesterde Loupius en uit
de schaduw van een rots kwam Oetin tevoorschijn, met naast hem een
Mens. Loupius was geschokt. Oetin, zijn vriend! Hij zei "Oetin,
wat heb ik gedaan?" Oetin antwoordde: "Ik dacht dat u het
niet over mijn verleden zal hebben, nooit meer. U hebt uw belofte
geschonden. Daarvoor zal u nu uw verdiende loon krijgen." De
Mens naast Oetin gaf de Beren het bevel Loupius van de Tatra af te
gooien. Het was de bedoeling hem te doden. De Beren grepen Loupius
vast en wierpen hem naar beneden. Loupius kwam hard neer en zijn ziel
verliet zijn lichaam.
Hij kwam in een prachtige weide. In het midden stond een grotere en
oudere God dan Loupius zal worden. De naam van de God was Wolga. Hij
droeg Loupius op een God zoals hij te worden. Wolga blies Loupius
opnieuw leven in, bij het Heilig Baikalmeer. Wolga begon met het skelet.
Daarin schiep hij een hart, dat wapperde in de wind.
Daarna de andere organen zoals de longen, de hersenen en de lever.
Daaroverheen de spieren en de huid. En de ogen, een geel en een blauw.
Toen de vacht, zoals de mijne, zoals alle Baikal Wolven. Als laatst
plaatste Wolga de ziel van Loupius, die nu, met hulp van Oetin, een
God was geworden. Oetin had enorme spijt van zijn daad en trok zich
terug in de plaats die wij Maan noemen. Als je goed kijkt kun je zijn
ogen en de Maan zien
" Bratsk stopte en keek Oetin, Inari
dus, aan. Oetin`s keel was droog. Zo had hij het verhaal van Oetin
nog nooit gehoord. Hij was doodmoe en sloot zijn ogen. Zacht hoorde
hij de stem van Bratsk: "Slaap maar, Oetin, slaap
"
HST 21
De Kazachse Invasie!
Korbin ontwaakte door Makayowe`s geschreeuw. "Ze komen! Ze komen!
Bij Leo, ze zijn er!" Korbin sprong op en rende naar Makayowe
toe. Toen hij daar aankwam zag hij ze. Het Witte leger. Tientallen
Witte Leeuwen. Zijn baas, de Generaal, liep voorop. Korbin snelde
naar de Witte Leeuw toe en ging in de houding staan. "Welkom
Generaal!" zei Korbin. De Generaal knikte. "Ik kom om u
te helpen het leger van Jägermann te verslaan. Uw Roedel hoeft
niet mee te vechten, maar vrijwilligers mogen altijd." Korbin
boog en riep het Speciale Roedel bijeen. Toen het Roedel het Witte
Leger zag waren ze vol verbazing. Ura en Kalahari praatten zenuwachtig
met elkaar. "Komen ze vechten?" vroeg Ura. "Natuurlijk,
ze hakken Jägermann en Celidar in de pan!" riep Kalahari
fanatiek. Korbin vroeg om stilte en zei: "Het Witte Leger is
gekomen voor de invasie die de geschiedenis in moet gaan! Ze vragen
vrijwilligers. Het hoeft niet, maar wie wil is welkom." Dheli
en Makayowe gingen. Kalahari keek Ura vragend aan. "Gaan we?"
vroeg hij. Ura knikte. "We gaan!" Dheli, Makayowe, Ura en
Kalahari liepen samen naar het Witte Leger. De Generaal gaf ze kort
instructies hoe ze moesten vechten en leerde ze verdedigingstechnieken.
Daar waren ze de hele dag mee bezig. Toen het begon te schemeren zei
de Generaal: "Tijd om te gaan!" Ura`s poten trilden. Hij
haatte vechten. In het Zuiden, Italië, waar hij vandaan kwam
werd er nooit gevochten. Als een jonge Wolf de leider van een roedel
uitdaagde moesten ze elkaar omver praten. Maar nu moest hij gaan vechten.
Hij keek naar Kalahari, zijn beste vriend, en zag dat ook zijn poten
trilden. Nu was hij tenminste niet alleen bang. De Generaal brulde
"Voorwaarts!" en ze gingen op weg
Eindelijk waren ze vlak bij de Stelling van Jägermann. Het was
al donker. Makayowe was vreselijk nerveus maar liet het niet merken.
Dheli was koelbloedig zoals altijd. Ura was doodsbenauwd en zijn oren
bewogen zenuwachtig op en neer. Kalahari was ongewoon kalm. De Generaal
riep opeens: "Aanvallen!!" Het Witte Leger stormde naar
voren. Ura struikelde en belandde keihard op de grond. Kalahari bleef
op hem wachten. Daarna stormde ze verder, met het Witte Leger mee.
De eerste Leeuwen, waaronder Dheli, hadden de Stelling bereikt en
beukten de deur in. Het Leger rende naar binnen. Ura en Kalahari volgden.
In de gangen lagen al de eerste gewonden te kreunen van pijn.
Een Velddokter rende rond om ze allemaal te helpen, Tijgers, Beren
en Leeuwen. Opeens kwam er uit een zijgang een Tijger die zich op
Ura stortte. Ura gaf een schreeuw en Kalahari sloeg keihard met zijn
poot, waar alle Jachtluipaarden een harde nagel hebben, op de kop
van de Tijger. Levenloos zakte de Tijger in elkaar. Ura keek Kalahari
aan. "Je hebt hem gedood!" zei hij. Kalahari keek hem verward
aan. "Het is oorlog." zei hij alleen. Ura en Kalahari liepen
zwijgend verder. Het Leger had alle gangen "schoongeveegd"
van Tijgers en Beren. Opeens gaf Kalahari een schreeuw. "Makayowe!!"
riep hij. Makayowe lag half tegen een muur aan en kreunde. "Ik
blijf bij hem en probeer hem te helpen."zei Kalahari. Ura knikte
en liep door. Hij belandde buiten. Heel het Leger keek naar de lucht.
Daar kon Ura nog net een stipje onderscheidden. Het was een helicopter.
Jägermann was weg. Opeens klonk er geschreeuw. "Meester!
Wacht op mij!" Het was Celidar. Jägermann liet zijn hulp
gewoon stikken. Ura zuchtte en keerde terug naar Kalahari en Makayowe.
Dheli was daar inmiddels ook. Makayowe ondersteunend liepen ze de
lange weg terug naar hun Roedel. De Kazachse Invasie was afgelopen,
maar dat was juist het begin
Je kunt mailen naar Stephanie: stephaniejansen@zeelandnet.nl
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home
|