Niks om over naar huis te schrijven
door Therponaikes Jr.
illustratie van Charlotte, 9 jaar
Poep vindt Plaats
Het regende buiten en Bob verveelde zich te pletter. De hele dag was
het mooi weer geweest en net nu hij vrij was kwam de regen met bakken
naar beneden. "Ik verveel me mama.", had hij tegen zijn
moeder gezegd, "Weet jij iets wat ik kan doen?" "Je
zou je kamer kunnen opruimen.", zei zijn moeder. Hé ja,
daar had hij zin in. Soms kon zijn moeder leuke dingen verzinnen maar
vandaag niet. Bob ging toch naar zijn kamer want ma had het druk en
als ze het druk had was ze niet leuk. Hij ging op zijn bed zitten
en probeerde te bedenken waar hij zin in had. Hij dacht en hij dacht
maar hij kon niets verzinnen wat hij nu leuk vond om te doen.
Zijn kamerdeur ging open en Pjotr, de kater kwam binnen. Hij had een
grote muis in zijn bek en legde die naast Bob neer. "Alsjeblieft.",
zei Pjotr. "Weer een muis,", zei Bob, "wat moet ik
daar nu mee?" "Weet ik veel.", antwoordde Pjotr, terwijl
hij zich begon te wassen, "Ik vang ze alleen. Deze heeft me heel
wat moeite gekost. Ik was al minstens een week naar hem op jacht."
"Waarom vang jij eigenlijk muizen?", wilde Bob weten. Pjotr
dacht even na. "Uit gewoonte denk ik. Vroeger moesten alle katten
muizen jagen om in leven te blijven. Stel dat ik op een dag weer op
straat kom te staan dan moet ik zeker mijn eigen kostje bij elkaar
kunnen jagen."
"Maar je gaat toch nooit bij ons vandaan.", zei Bob. "Ik
denk het niet, maar je kunt nooit zeker weten."
"Maar wat moeten we nu met die muis doen?"
"Soms eet ik ze op. Ze smaken helemaal niet slecht."
"Ik lust geen muizen."
"Je kon iets dankbaarder zijn. Het was een lastig kreng om te
vangen."
"Ik begraaf hem wel. Ga je mee?"
"Regent het buiten?"
"Eh, nee hoor.", loog Bob.
"Ik zie wel." Pjotr hield niet van regen. Hij hield eigenlijk
helemaal niet van water. Soms moest hij wel eens in bad als hij vlooien
had. Dan hield Bobs vader Pjotr vasthouden en ging zijn moeder hem
boenen met vlooienshampoo. Bob vond het wel leuk om te zien maar Pjotr
ging dan verschrikkelijk tekeer. Hij miauwde en blies en sloeg met
zijn klauwen als een gek in het rond. Na afloop van zo'n wasbeurt
was hij minstens een week niet te genieten. Gelukkig was het opgehouden
met regenen en Bob liep samen met Pjotr de tuin in. Pjotr had de muis
weer in zijn bek en Bob had zijn schepje meegenomen. Er lagen al heel
wat muizen in de tuin begraven. "Vind je het niet zielig om zo'n
muis te vangen.", vroeg Bob. "Nee, hoor."
"Maar zo'n muis heeft jou toch niets gedaan." "Als
ik hem niet vang eet zo'n muis jouw eten op. Dan vind je opeens muizenkeutels
tussen de hagelslag. Da's toch ook niets." "Nee, dat is
waar.", bekende Bob en hij drukte zijn schepje in de grond. Maar
nadat hij een klein kuiltje had gegraven stuitte hij plotseling op
iets hards. "Wat is er?", vroeg Pjotr. "Ik weet het
niet. Het lijkt wel of hier iets begraven ligt."
"Laat es zien.", zei Pjotr en hij schoof Bob aan de kant.
"Ja, laat mij het nou eerst eens opgraven dan kunnen we het allebei
zien." "Okee, okee.", zei Pjotr beledigd. Bob groef
door en hij haalde even later een klein kistje uit de grond. "Wauw,
een echte schat."
"Mhh, het is dan zeker geen grote schat. Dat kistje is niet groter
dan een lucifersdoosje."
"Het hoeft geen grote schat te zijn. Kom we gaan naar binnen
om te kijken wat er in zit."
"Vergeet je niet iets."
"Wat dan?", vroe Bob. Pjotr wees op de dode muis. "Oh,
ja, laten we hem eerst begraven." Nadat de muis zorgvuldig was
toegedekt liepen ze terug naar Bobs kamer. Hij legde het doosje op
zijn bureau en maakte het een beetje schoon want het was behoorlijk
vies. Pjotr zat op het bureau en keek nieuwsgierig mee. "Wat
is het? Wat is het?"
"Ja, dat weet ik nog niet." Het was een klein metalen doosje
met een heel klein slotje erop. Er stonden allerlei versieringen op
en een paar vreemde woorden. Maar het mocht dan een klein doosje zijn,
het was ook een heel stevig doosje. "Wat is er?", vroeg
Pjotr. "Ik krijg het niet open." "Laat mij maar even."
Pjotr stak een van zijn pootjes uit en wrikte met een van zijn nagels
in het slotje. "Wacht even, ik heb hem bijna.", en ja hoor,
na een droge klik sprong het doosje open. "Hoe deed je dat?",
wilde Bob weten. "Ach, katten kunnen meer dan je denkt."
Gespannen keken Bob en Pjotr in het doosje. Ze zagen dat het in feite
een heel klein kamertje was. Bob pakte zijn vergrootglas om het beter
te kunnen bekijken. Pjotr schoof hem weer aan de kant. "Ja, laat
mij ook eens kijken." "Jij bent een kat, jullie schijnen
heel goed te kunnen zien." "Dat klopt ook wel maar het kan
altijd beter." Ze zagen een heel klein tafeltje met daarop een
heel klein kaarsje, een heel klein bedje met daarnaast een heel klein
nachtkastje. In dat bedje lag een heel klein kereltje dat bezig was
wakker te worden. Hij deed zijn ogen langzaam open, rekte zich eens
uit en keek om zich heen. Toen hij Bob en Pjotr zag, stapte hij uit
zijn bed en sprak hen meteen aan: "Nou eindelijk. Dat duurde
zeg. Hadden jullie me niet eerder uit de grond kunnen halen?"
Een beetje verbaasd zei Bob: "Wie ben jij eigenlijk?" "U,
wie bent u eigenlijk! Hebben ze jou geen manieren geleerd?" "Okee
dan. Wie bent u?"
"Dat is beter.", zei het kereltje. "Mhh,", zei
Pjotr, "voor zo'n klein kereltje heeft hij wel een grote bek."
"Wat is dat voor een monster.", zei het kereltje.
"Hij is geen monster ....", begon Bob, maar Pjotr onderbrak
hem: "Ik ben inderdaad een monster, en ik eet kereltjes zoals
jij voor mijn ontbijt."
"Dat mocht je willen. Weet je wel wie ik ben?"
"Rustig nou.", zei Bob, "Nee, we weten niet wie je,
eh, wie u bent. Pjotr hou je nou even koest dan kan hij uitleggen
wie hij is."
Beledigd trok Pjotr zijn neus op tegen het kereltje om zich om te
draaien en op de rand van het bureau te gaan zitten met zijn rug naar
hen toe. Schijnbaar ongeïnteresseerd begon hij zich weer te wassen
terwijl hij toch gespitst luisterde naar wat het kereltje te zeggen
had.
"Ik ben de grote Krepuskuul, koning van De Hondendrollen Waar
Je Intrapt."
"Wat?", riep Bob.
"De koning van De Hondendrollen Waar Je Intrapt."
"Ik wist niet eens dat daar ook koningen voor waren?"
"Dan weet je dat nu."
Plotseling hoorden ze een bulderend lachen naast zich. Het was Pjotr
die gierend van het lachen op zijn rug rolde. "Woeha, woeha.
kkkk...koning van de hondendrollen ....hahaha... hadden ze niet beters
kunnen verzinnen.....hahaha."
"Het is een zeer verantwoorde baan.", zei Krepuskuul kribbig.
"Vast en zeker... woeha, woeha. .... Waarom geen koning van De
Kletsnatte Koeienvlaai. Hahaha." "Dat is mijn broer al.",
zei Krepuskuul die zichtbaar kwader begon te worden. "Dat meen
je! Hahaha." Pjotr had nog nooit zoiets grappigs gehoord en omdat
hij even niet oplette viel hij van Bobs bureau maar dat kon hem niet
schelen. Terwijl hij op de grond smakte lachte hij door. "Wacht
maar.", zei Krepuskuul. Hij deed zijn ogen dicht en plotseling
verstomde het lachen van Pjotr. "Wah... maar...wat is dit...
gadverdamme dit is een enorme...."
"HONDENDROL.", schreeuwde Krepuskuul. "Hahaha, nou
is het mijn beurt om te lachen."
"Gretverdrie wat een lucht. Ik zit er helemaal onder." "Dat
zal je leren om met De Grote Krepuskuul te spotten." Een enorme
stank vulde Bobs kamer. Pjotr stoof ondertussen woedend weg om zich
te gaan wassen.
"Zeg kun je die drol ook weer weghalen?", vroeg Bob, "Die
lucht is niet te harden."
"Ja, hoor eens ik ben geen koning Die Hondendrollen Weghaalt.
Dat is een achterneef van mij. Welnu, ik ga bezig om mijn beroep weer
uit te oefenen. Je mag nu gaan, als ik je nodig heb roep ik je wel.
Oh, ja, kun jij iets doen aan die drol die daar op de grond ligt.
Het stinkt hier enorm."
"Je vind zelf ook dat hondendrollen stinken."
"Ja, natuurlijk. Ik ben geen koning ..."
"...Die Hondendrollen Lekker Vind Ruiken. Dat is zeker je zwager."
"Nee, een oudoom van mij, een bijzonder onaangenaam riekend personage.
Nou, toedeloe." En Krepuskuul deed het dekseltje van het doosje
weer dicht.
Met tegenzin stond Bob op om de drol weg te halen. Terwijl hij naar
de keuken liep om de schoonmaakspullen te halen bedacht hij dat hij
zich niet meer verveelde maar of hij daar nu blij mee moest zijn.
In feaces veritas
Nadat Bob met veel tegenzin de hondendrol had opgeruimd riep zijn
moeder hem dat het tijd was om te eten. Normaal vond Bob het altijd
erg vervelend als zijn moeder hem riep terwijl hij aan het spelen
was maar deze keer niet. Terwijl ze zaten te eten liep Pjotr nog steeds
hevig verontwaardigd door de keuken. "Wat stinkt het hier.",
zei zijn vader, "Net alsof iemand in een enorme drol is gestapt."
Bob keek naar Pjotr die naar buiten vluchtte. Pjotr kennende zou hij
wel de hele avond kwaad blijven. Even dacht Bob eraan om te vertellen
wat hij die dag had beleefd maar het leek hem beter om dat niet te
doen, bovendien zouden zijn ouders hem toch niet geloven.
Na het eten liep hij weer naar zijn kamer maar Krepuskuuls doosje
was dicht. Er hing een klein briefje aan waarop stond "Ben aan
het vergaderen". Bob vroeg zich af met wie Krepuskuul dan vergaderde.
Hij legde zijn oor te luisteren en hij hoorde inderdaad verschillende
stemmen waaronder die van Krepuskuul. Eigenlijk was het wel goed zo.
Bob vond één drol om op te ruimen meer dan genoeg.
De volgende dag toen Bob wakker werd en hij naar zijn bureau keek,
zag hij dat de koning bezig was met zijn ochtendgymnastiek. Hij rende
rondjes om zijn doosje en hij deed rek en strek oefeningen.
"Goedemorgen, ...... ehm Majesteit."
"Ook goedemorgen.", zei Krepuskuul, "Wat slaap jij
lang uit zeg. De helft van de dag is al bijna voorbij."
"Ja, ik .... ehm ik moet naar school."
"Aha.", zei Krepuskuul, "Dan ga ik mee. Dit is een
mooie kans om te zien hoe mijn koninkrijk ervoor staat."
"U ... wilt ... mee?", vroeg Bob verbaasd. "Jawel,
ik kan ook de krant gaan lezen maar daar ben ik uren mee bezig, al
was het alleen maar om de pagina's om te slaan." "Maar wat
moeten mijn klasgenoten wel niet denken als ik plotseling met de Koning
van de Drollen Waar Je Intrapt, aan kom zetten?"
"Ze moeten niets denken, ze moeten zich gewoon gedragen zoals
men zich tegenover een koning hoort te gedragen."
Het leek Bob helemaal geen goed idee om de koning mee naar school
te nemen. Zeker niet omdat hij wist wat Krepuskuul deed als hem iets
niet beviel. Aan de andere kant, een koning moest natuurlijk wel weten
wat er allemaal in zijn koninkrijk gebeurde.
"Okee, ik kan u wel meenemen maar dan moet u wel in uw doosje
blijven want mijn klasgenoten zouden misschien schrikken."
"Schrikken?", merkte Krepuskuul verbaads op.
"Ja, euh, ze hebben nog nooit een koning van dichtbij gezien.
Misschien dat het ze dan teveel wordt. Van sommigen denk ik dat ze
zelfs flauw kunnen vallen als ze een koning van uw formaat in levende
lijve ontmoeten. Zoiets moet je langzaam opbouwen."
Krepuskuul dacht even na. "Ja, daar kon je wel eens gelijk in
hebben."
"Bob, kom je eten.", klonk het van beneden, "Je moet
zo naar school."
"Aha, ontbijt.", zei Krepuskuul, "Lekker, het is al
zo'n honderd vijftig jaar geleden dat ik voor het laatst heb ontbeten."
"Nee, nee.", zei Bob haastig, "U kunt niet mee naar
beneden."
"Waarom niet?"
"Een koning eet toch niet met zijn bedienden."
"Dat is waar."
"Als u even wacht dan kom ik u zo uw ontbijt brengen."
Krepuskuul stemde toe en Bob ging naar beneden. Terwijl hij zijn boterham
at probeerde hij te bedenken hoe hij Krepuskuul zonder problemen naar
school kon krijgen. Dat doosje kon hij zondermeer naar binnen smokkelen
maar hij was bang dat Krepuskuul zich niet koest zou kunnen houden.
Onderhand had hij al een beetje door hoe hij zijne majesteit moest
behandelen maar helemaal gerust was hij er toch niet op. Voordat hij
weer naar zijn kamer ging bedacht hij dat hij nog iets te eten mee
moest nemen. Een korreltje hagelslag zou waarschijnlijk voldoende
zijn.
Krepuskuul zat al klaar in zijn doosje achter zijn tafeltje dat netjes
gedekt was. Bob legde het korreltje op het bordje. "Wat is dit?"
"Dit is hagelslag. Een zeer duur ontbijt. Slechts goed genoeg
voor enkele vooraanstaande edelen en koningen."
"Het ziet eruit als een drol."
Bob moest even grinniken. "Het is toch geen drol?", zei
de koning argwanend. "Nee, hoor. U bent gewoon teveel met uw
werk bezig daarom ziet u overal drollen. Proef het maar eens."
Voorzichtig sneed Krepuskuul een stukje af en stak het in zijn mond.
"Mmh, helemaal niet slecht."
"Ziet u nou wel. Goed, we gaan nu naar school maar ik moet u
met klem vragen om zo stil mogelijk te zijn zodat niemand doorheeft
dat er een koning op school is." Krepuskuul stemde toe en Bob
stak het doosje in zijn zak.
Eenmaal op school stopte hij het doosje heel snel in zijn vak en hoopte
dat de koning zich een beetje koest zou houden. Gelukkig hield Krepuskuul
zich heel stil en eigenlijk ging alles heel goed. Af en toe keek Bob
hoe het met hem ging en hij zag hoe hij aantekeningen maakte van alles
wat de meester zei. In tegenstelling tot Bob vond hij het kennelijk
wel leuk om naar school te gaan. Zo ging de koning elke dag mee naar
school. Elke keer verstopte Bob het doosje snel in zijn vak maar na
een paar dagen ging het mis. Noch hij noch Krepuskuul kon daar iets
aan doen maar de gevolgen waren verschrikkelijk.
Het begon ermee dat Bob op een dag het doosje nog even bekeek voordat
hij het in zijn vak stopte. Naast hem zat Kees en die zag Bob's doosje.
"Wat is dat?", vroeg hij. "Oh, niks, gewoon een doosje."
"Waarom neem je het dan mee? Hoe kom je eraan? Mag ik het eens
zien?" "Eh, straks." "Waarom niet nu?" "De
meester komt er zo aan." "Aah, dat wil wel. Aah, toe nou."
Kees was een aardige jongen maar hij kon soms verschrikkelijk zeuren.
Bob keek om zich heen. Als Kees' gezeur nog lang doorging zou het
opvallen dat Bob iets' had. Als hij het doosje snel liet zien
kon het misschien wel. Voorzichtig pakte hij het en liet het aan Kees
zien. "Oh, wat een mooi doosje.", zei hij net iets te hard.
Alicia, die achter Kees en Bob zat keek op en zag het doosje. "Ja,
da's een heel mooi doosje. Laat es zien."
"Nee.", wilde Bob zeggen maar het was al te laat. Sandra,
die naast Alicia zat zag het doosje ook. Voordat Bob er iets aan kon
doen had ze het doosje uit zijn handen gepakt. "Kom eens kijken,
Bob heeft een doosje.", riep ze luid. Alle kinderen kwamen aangelopen
om Bobs doosje te bekijken. Hij wilde het weer terugpakken maar Sandra
hield het stevig vast en omdat ze veel sterker was dan hij lukte het
hem niet. "Wat zit erin, wat zit erin?", vroeg Eelco. Sandra
schudde het doosje driftig heen en weer. "Ik weet het niet. Bob
wat zit erin?" "Niets, het is gewoon mijn doosje. Geef terug!"
"Ik geloof je niet.", zei Sandra en omdat ze het niet open
kon krijgen schudde ze het nog harder.
Plotseling hoorden ze de stem van de meester. "Iedereen zitten.
Wat is dit!" Hij keek naar Bob die in het middelpunt van de belangstelling
stond. "Bob heeft een heel mooi doosje bij zich maar hij wil
niet zeggen wat erin zit.", zei Sandra. "Wel, dat is zijn
zaak. Geef dat doosje maar hier dan krijgt hij het na de les terug.
Nu, iedereen zitten." Sandra gaf het doosje aan de meester. "Tsja,
het is inderdaad een heel mooi doosje. Maar we gaan nu .... Gadverdamme!
Wat ... wie ...." Een ongelooflijke stank verspreidde zich in
het klaslokaal. Datgene waar Bob bang voor was had nu plaatsgevonden.
Iedereen keek naar de meester wiens rechtervoet in een drol van behoorlijke
afmetingen stond. Voorzichtig trok hij zijn voet omhoog en terwijl
hij het doosje in zijn borstzak stopte keek hij woeden om zich heen.
"WIE HEEFT DIT GEDAAN?", maar niemand reageerde. "KOM
OP ZEG, DROLLEN ONTSTAAN NIET UIT HET NIETS." Het bleef echter
stil en iedereen in de klas keek voor zich uit.
"GOED, IEDEREEN NABLIJVEN TOTDAT IK WEET WIE DIT GEDAAN HEEFT."
Hij werd daarna iets rustiger maar hij bleef kwaad. "Jij en jij.",
en hij wees Sandra en Bob aan, "Meekomen. De conciërge heeft
wel iets om die troep mee weg te halen." "Maar ik heb het
niet gedaan.", begon Bob. "Niets mee te maken." Als
de meester eenmaal kwaad was kon je niets meer met hem beginnen en
Bob bedacht dat dit de tweede drol zou zijn die hij door Krepuskuuls
toedoen zou moeten ruimen. Terwijl de meester de klas uit hinkte liepen
Sandra en Bob achter hem aan. De rest van de klas in een verschrikkelijke
stank achterlatend. Krepuskuul had zijn best gedaan. Als het hele
avontuur voorbij was moest Bob hem toch eens vragen waar hij al die
drollen vandaan haalde..
Wie poep zaait zal drollen oogsten
Helaas zou het nog wel even duren voordat Bob hem die vraag zou kunnen
stellen. Terwijl hij en Sandra naar de conciërge liepen was de
meester bezig zijn schoen schoon te maken. "Waarom heb je me
m'n doosje gewoon niet terug gegeven. Dan was er niets gebeurd.",
zei Bob kwaad tegen Sandra. "Hoezo? Wat heeft dat doosje met
die drol te maken?"
"Niets maar het is gewoon mijn doosje."
"Wat zit er eigenlijk in?"
"Niets."
"Welles, ik hoorde iets rammelen."
"Weetikveel, het zit op slot en ik kan het niet open krijgen."
"Oh, maar dat kan ik wel. Als je me een ijzerdraadje geeft dan
heb ik dat doosje zo open."
Maar door hun gepraat hadden ze niet door dat de meester achter hen
stond.
"Ik wil niets meer over dat doosje horen! Opschieten jullie!"
Het was nog een heel karwei om de drol en alle sporen die hij achterliet
weg te halen. Maar ondanks de hoeveelheid schoonmaakmiddel die Bob
over de vloer gooide, de stank bleef en daarmee ook het slechte humeur
van de meester.
Aan het einde van de dag moesten alleen Bob en Sandra nablijven totdat
ze verteld hadden hoe die drol in de klas terecht was gekomen. Maar
geen van beide konden ze dat. Bob omdat hij het geheim van de Koning
van de Drollen Waar Je Intrapt niet wilde onthullen, en Sandra kon
niets zeggen omdat ze het niet wist.
"Dus jullie beweren dat je geen van beide weet hoe die drol in
de klas terechtkwam?"
Bob en Sandra knikten. "Kijk daar geloof ik dus geen zier van.
Bob, hoe kom jij aan dit doosje?" "Dat heb ik gevonden in
onze tuin.", vertelde Bob naar waarheid maar hij voelde dat de
meester het maar half geloofde. "Zozo, en weet je wat er op dit
doosje staat?" Bob schudde van nee. De meester pakte het doosje
uit zijn borstzak, en gelukkig deed hij dit een stuk voorzichtiger
dan Sandra. Er staat op: "In Feaces Veritas.", hij wachtte
even terwijl hij hen doordringend aankeek. "Weet je wat dat betekent!?"
Bob schudde wederom van nee maar hij vermoedde wel dat het iets belangrijks
moest betekenen want het humeur van de meester was zwaar beneden peil.
"Mmh, dat zal wel. Nou jullie kunnen gaan maar dat doosje blijft
hier todat ik weet hoe die drol in de klas is terechtgekomen, want
ik geloof er helemaal niets van dat jullie er niks mee te maken hebben."
Terwijl Bob en Sandra de klas verlieten zag Bob hoe hij het doosje
op de kast achter zijn bureau legde.
Bob voelde zich helemaal niet prettig toen hij naar huis liep maar
Sandra scheen de humor van de situatie wel in te kunnen zien. "Wat
een grap zeg. Wat was hij kwaad. Zeg weet je echt niet hoe die drol
daar kwam?"
"Nee!"
"Jammer, anders had ik het wel willen weten."
"Vast en zeker."
"Heb je dat doosje echt in jullie tuin gevonden?"
"Ja, en hou er nou over op."
"Okee, okee, nou ik moet hierin. Tot morgen."
"Ja, doei."
Terwijl Sandra haar straat in danste keek Bob haar na. Sandra was
het mooiste en sterkste meisje van de klas. Eigenlijk was ze bijna
de sterkste van de klas. Alleen Fred was nog sterker dan zij. Bob
had het niet zo op met Sandra. Ze hield zich, samen met een paar andere
meisjes, alleen bezig met meisjeszaken waar Bob helemaal niets van
begreep en waar hij ook niets van wilde begrijpen. Achteraf had hij
Krepuskuul nooit mee moeten nemen met haar in de buurt. Natuurlijk
was ook Kees schuldige in deze situatie maar toch kon die er minder
aan doen. Maar eigenlijk was dat niet zo belangrijk meer want Krepuskuul
zou een waar drollenoffensief kunnen beginnen als dit nog langer doorging.
Bob moest dit doosje terug zien te krijgen en er was maar een iemand
die dat voor hem zou kunnen doen. Het probleem was dat diegene een
pesthekel aan Krepuskuul had.
"NEE!"
"Aah, toe nou?"
"Komt niks van in. Weet je wat die minuscule drollenfabrikant
heeft gedaan?"
"Ja, dat weet ik maar ...."
"Niks te maren. Het heeft me een week gekost om die lucht kwijt
te raken. En weet je hoe katten zich wassen?"
Bob knikte terwijl Pjotr verder ging: "Ik heb die smaak nog steeds
in mijn bek. En weet je hoe dat smaakt....."
"Het is al goed. Ik begrijp dat je er geen zin in hebt maar jij
bent de enige die mij zou kunnen helpen."
"Waarom moet dat kereltje, die omhooggevallen poepproducent,
eigenlijk gered' worden? Hoe verder hij hier vandaan is des
te beter."
"Jamaar, je weet niet wat hij gaat doen."
"Ik weet heel goed wat hij gaat doen."
"Luister, ik ga enorm in de problemen kon als Krepuskuul nog
langer op school blijft. De meester denkt dat ik iets met die drol
te maken heb."
"Dat is toch ook zo!"
"Je weet best wat ik bedoel. Alsjeblieft Pjotr. Ik moest vandaag
al nablijven. Als Krepuskuul nog meer drollen rond gaat strooien dan
moet ik de rest van mijn leven op school blijven."
Pjotr dacht even na. "De rest van je leven?"
"Of nog langer."
"Mmmh, okee dan."
"Te gek. Kijk ik had het zo gedacht. Als je..."
"Maar!", onderbrak Pjotr, "Maar, als ik nog een keer
door de keutelkoning besmeurd wordt dan is hij nog niet jarig."
Bob bedacht zich dat hij geen idee had hoe Krepuskuul zou reageren
maar dat probleem zou hij later wel oplossen. Hij beloofde Pjotr dat
de koning waarschijnlijk heel erg dankbaar zou zijn. Bovendien zou
hij zelf proberen een stukje vlees uit de koelkast te stelen als beloning
voor Pjotr. Vooral dat laatste scheen hem wel te bevallen. Bob legde
uit hoe hij bij de school moest komen en waar het doosje lag. Gelukkig
was het een klein doosje. Nadat Pjotr en Bob de route hadden doorgenomen
ging de zwarte kater op weg. Eigenlijk vond hij het wel leuk want
Pjotr hield wel van een avontuur. Bob liet hem via zijn kamerraam
naar buiten en wachtte.
Na een uur of twee kwam Pjotr weer terug. Hij zat onder het stof maar
in zijn bek had hij het doosje van Krepuskuul. "Geweldig!",
zei Bob. "Jij bent de beste kater ter wereld Pjotr."
"Dat weet ik.", zei deze nadat hij het doosje op het bureau
van Bob had gelegd. Bob tikte er even tegen en zei: "Bent u daar,
majesteit?" Het doosje ging open en het was meteen duidelijk
dat ook de koning zeer ontstemd was door de gebeurtenissen. Hij was
dan wel niet zo kwaad als me meester maar het scheelde niet veel.
"Kan iemand mij uitleggen wat er gebeurd is!? En het mag wel
een zeer aannemelijk verhaal zijn want ik heb een paar drollen in
gedachten dat wil je niet weten."
Zo goed en kwaad als het kon begon Bob de situatie uit te leggen waarbij
hij sommige details wegliet en andere zaken, zoals de reddingspoging
van Pjotr aandikte, om het hele verhaal aantrekkelijker te maken.
Wonderwel slikte Krepuskuul alles en zijn woede verdween als sneeuw
voor de zon.
"Dus als ik het goed begrijp heeft deze prachtige kater. Mij
met gevaar voor eigen leven gered?"
"Dat klopt majesteit.", zei Bob.
"Wel dan is het niet meer dan normaal dat ik deze kater een koninklijke
onderscheiding geef."
Hij richtte zich tot Pjotr: "In naam van ..."
"Wacht even.", zei Pjotr verdacht beleefd, "Ik kan
u niet goed horen."
"Heu?", zei de koning.
"Ik kan u niet goed horen! Kijk, als u hier op deze boeken plaatsneemt
dan kan ik elk woord van uw toespraak goed tot mij door laten dringen."
Dat klonk redelijk vond de koning en met behulp van Pjotrs poot beklom
de koning een stapeltje boeken op Bobs bureau. Wederom begon hij aan
zijn toespraak. "In naam van ...."
Plotseling tikte Pjotr met een van zijn nagels tegen Krepuskuul aan
die van de boeken afviel recht in een enorme ...
"Kattendrol.", schaterde Pjotr, "Die had je nog tegoed.
Hahaha."
Met afgrijzen zag Bob hoe de koning kopje onder ging in een drol die
Pjotr heimelijk achter de boeken had gelegd. Het was verbazingwekkend
hoe snel hij een drol kon draaien maar op dat ogenblik kon Bob daar
geen bewondering voor koesteren. In zijn hoofd zag hij al hoe Krepuskuul
zijn hele kamer met een tapijt van drollen zou bedekken. "Hahaha,
heb ik die even een poepie laten ruiken. ....... Een poepie laten
ruiken! ..Woeha, woeha."
Met enig moeite klom Krepuskuul uit de kattendrol maar tot Bobs verbazing
was hij niet kwaad, integendeel.
"Een poepje laten ruiken. Hahahah. Geweldig.", schaterde
Krepuskuul.
"Ja, daar kreeg je een poepje van eigen deeg. Hahaha.",
gierde Pjotr.
"Ja, een goeie drol is het halve werk.", zei de koning.
"Ha ha ha, die is goed, en neem deze dan. Waar gepoept wordt
vallen drollen."
Met een zucht van verlichting stond Bob op. Terwijl Krepuscuul en
Pjotr dolle pret hadden met drollen die niet ver van de boom vielen
en mensen die niet in zeven drollen tegelijkertijd liepen was Bob
blij dat dit alles goed was afgelopen. Het enige nadeel was alleen
dat dit de derde drol werd die hij zou moeten opruimen.
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home