www.kinderverhalen.nl, de site voor en door liefhebbers van kinderverhalen
Kabouter Pluis en de tuinkabouters
door Doortje Stam
illustraties van Doortjes dochter

Tring, tring. Het was de schoolbel. Het was negen uur. Alle boskabouterkinderen huppelden blij naar school. De mooiste school van de hele wereld. Hun school is geen gewone school. Nee, hun school is ook geen paddestoel. Hun school is een schoen. Een hele grote schoen! Die hebben ze gekregen van Jarno z'n vader. Jarno is geen kabouter. Jarno is een mens.

Op een mooie dag was Jarno met zijn ouders aan het picknicken. Bij de grote boom, aan de rand van het bos. Jarno, was eikels aan het zoeken. Toen opeens, zag hij drie kleine kabouters staan. Geen gewone kabouters. Nee, boskabouters. Boskabouters met een groene muts. Het waren kabouter Pluis, de burgemeester van de tuinkabouters, en de politieagenten Blom en Pling. Pling was eerst heel erg geschrokken, toen hij Jarno zag. Hij was gaan schreeuwen. Van schrik was Jarno ook gaan schreeuwen. Even later was niemand meer bang voor elkaar. Pluis had alle boskabouters opgehaald. Het was heel grappig. De boskabouterkinderen speelden op vader zijn schoen. Toen kreeg Pluis een idee. Hij vroeg aan Jarno' s vader of hij de schoenen mocht hebben. Om er een school van te maken.



Daarom staan er twee schoenen in kabouterdorp. Snap je nu, dat de kabouterkinderen deze school de mooiste van de hele wereld vinden. Sinds die dag komt Jarno, samen met zijn ouders, ieder jaar naar het bos. Om te gaan picknicken met de boskabouters.

Het was een mooie dag. De lucht was blauw en de zon scheen. Kabouter Pluis zat buiten, voor zijn paddestoel. Hij hoorde de schoolbel en zag de kabouterkinderen naar school gaan. Pluis plukte aan zijn lange, witte baard. Hé, wat was dat! Hoorde hij iemand roepen? Hij luisterde nog eens goed. "Burgemeester, burgemeester." Het waren de politiekabouters Blom en Pling. Ze renden zo hard ze konden. "Burgemeester, burgemeester," riepen ze. Pluis liep hen tegemoet. "Wat is er aan de hand?" vroeg hij. "Waarom rennen jullie zo hard?" "Nnou, ddaar." Blom begon te stotteren. "Rustig," zei Pluis. "Vertel, wat is er aan de hand?" "Er komen een heleboel kabouters aan. Kabouters, met een rode muts. Ze hebben een grote kar bij zich. Weet u wie dat zijn?" vroeg Pling.



"Laten we maar eens gaan kijken," zei Pluis. Met z'n drieen renden ze naar de rand van het bos. "Kijk, daar," zei Blom. Toen zag Pluis het ook. Er kwam een lange rij kabouters aan. Kabouters met een rode muts. "Wie zijn dat?" vroeg Pling. "Dat," zei Pluis, "zijn tuinkabouters. Tuinkabouters? Waar komen die dan vandaan? Blom en Pling snapten er niets van. "Tuinkabouters," zei Pluis, "wonen in tuinen. Ze verzorgen de bloemen, houden de tuin netjes." "Waarom komen ze dan hierheen?" wilde Pling weten. "Dat weet ik ook niet," zei Pluis. "Kom, we gaan het ze vragen." "Ik blijf hier wel," zei Blom bang. "Doe niet zo mal." Pluis keek Blom aan. "Deze kabouters doen niets. Ze zijn precies zoals wij. Alleen hun muts is anders."

De tuinkabouters kwamen steeds dichterbij. Je kon ze horen zingen.

Kom, ga je mee naar het bos, lekker spelen op het zachte mos. Voetballen doen we in de zon, blijf niet zitten, doe mee, en kom!

De lucht is zo mooi helder blauw, treuzel niet en kom maar gauw. Tralala, tralalie, er zit een vliegje op mijn knie.

"Wat een mal liedje," mompelde Blom. "Stil," zei Pluis, en keek boos naar Blom. De tuinkabouters waren inmiddels bij de grote boom aangekomen. Daar zagen ze de drie boskabouters staan. "Sta stil!" riep de voorste tuinkabouter. Alle tuinkabouters bleven stilstaan. Pluis liep naar voren. "Hallo," zei hij. "Ik ben Pluis, de burgemeester van de boskabouters. Dit zijn mijn politieagenten: Blom en Pling." "Hallo," zei de voorste tuinkabouter. "Ik ben Vlok, de burgemeester van de tuinkabouters. Dit zijn mijn politieagenten: Bluf en Pol." Hij duwde twee tuinkabouters naar voren. Ze gaven elkaar een hand. "Ze zijn best wel aardig," fluisterde Blom tegen Pling.

"Mag ik u wat vragen? Wat, komen jullie doen in dit bos?" Pluis keek Vlok aan. "Hmm, hmm," Vlok schraapte zijn keel. "Ja, kijk, het zit zo. Wij woonden in een hele grote tuin. Nu gaan ze daar huizen bouwen. Er is geen ruimte meer voor ons. We besloten het bos in te gaan. Om hier een plekje te zoeken. Weet u misschien iets?" Hij keek Pluis vragend aan. Pluis plukte aan zijn lange witte baard. "Dat is een beetje moeilijk," mompelde hij. "We hebben geen paddestoelen meer over." "Maar burgemeester, er is nog een schoen over," zei Pling. "Je hebt gelijk," zei Pluis. Een schoen? Vlok en de andere tuinkabouters snapten er niets van. In een schoen kun je toch niet wonen? Pluis legde uit, hoe ze aan de schoenen waren gekomen. Eén schoen was niet genoeg voor alle tuinkabouters. "We kunnen aan Jarno' s vader vragen of hij nog meer schoenen over heeft. Morgen komen ze toch picknicken," zei Pluis tegen de anderen. Hoe moest het vannacht dan? "Mogen we bij jullie kamperen?" vroeg Vlok. Kamperen? Wat is dat nu weer. Blom en Pling hadden daar nog nooit van gehoord. Vlok legde hun uit wat kamperen is. Hij wees naar de kar. "Kijk," zei hij. "Daar liggen onze tenten in." "Daar kun je toch niet in slapen?" zei Blom. "Jazeker wel," zei Vlok. "Kom," zei Pluis. "Ga maar mee. We gaan naar kabouterdorp."

Pluis en Vlok liepen voorop. Daarachter kwamen Blom, Pling, Bluf en Pol. Daarachter liepen de andere tuinkabouters. Ze begonnen te zingen.

Kom, ga je mee naar het bos, lekker spelen op het zachte mos.

Omdat het liedje niet moeilijk was, zongen Blom en Pling al snel mee. Het was een vrolijke stoet, die op weg was naar kabouterdorp.

"Eén en één is twee." De kabouterkinderen waren aan het rekenen. Jossie lette niet goed op. Ze hoorden buiten zingen. Ze keek door het raam. "Meester, meester, daar komt burgemeester Pluis aan. Met een heleboel kabouters. Ze hebben een rode muts op." Meester Joep liep naar het raam. Ja, nu zag hij het ook. Pluis liep voorop, samen met een kabouter die een rode muts ophad. Daarachter Blom en Pling, en nog veel meer vreemde kabouters. Ze gingen naar buiten. Er stonden al meer boskabouters buiten te kijken. Bij het schoolplein bleef Pluis stilstaan. De boskabouters bekeken de andere kabouters nieuwsgierig. Waarom hadden deze kabouters een rode muts op?



"Allemaal in een kring!" riep Pluis. Toen alle kabouters in en kring zaten, begon Pluis te vertellen. Over de problemen van de tuinkabouters. "Vinden jullie het erg als ze bij ons in het bos komen wonen?" "Ik vind het niet erg," zei Saul de timmerman. "Alleen, waar moeten ze wonen? Er zijn geen paddestoelen genoeg." "Daar heb ik al iets op bedacht," zei Pluis. "Morgen, komen Jarno en zijn ouders weer naar het bos. Dan wil ik aan hen vragen of ze nog meer schoenen over hebben." Dat vonden de boskabouters een goed idee. "Waar slapen ze vannacht dan?" vroeg iemand. "Vannacht gaan wij kamperen," zei Vlok. Kamperen? Daar hadden de boskabouters nog nooit van gehoord.



"Is hier een veldje zonder bomen?" vroeg Vlok aan Pluis. "Ja hoor, daar." Pluis wees naar het voetbalveld. De tuinkabouters brachten de kar naar het voetbalveld. Daar laadden ze alle tenten uit. De boskabouters keken nieuwsgierig toe, hoe de tenten werden opgezet. Al gauw waren ze aan het helpen. Even later stonden er heel veel piepkleine tenten op het voetbalveld. De kinderboskabouters, speelden met de kindertuinkabouters. "Weet je wat!" zei Pluis. "Laten we vanavond, met z'n allen gaan barbecuen." "Barbecuen in het bos? Is dat niet gevaarlijk?" vroeg Vlok. "We hebben daarvoor een speciaal veldje," zei Pluis. "Er staan geen bomen en we zetten altijd emmers water klaar." Toen vond ook Vlok het een goed idee. Na de barbecue gingen alle kabouters slapen. De boskabouters in de paddestoelen. De tuinkabouters in hun tenten. "Welterusten, en tot morgen," zei Pluis. "Welterusten," klonk het van alle kanten.

Eindelijk was het dan zover. De dag van de picknick. Al vroeg verzamelden alle kabouters zich bij de school. "Is iedereen er?" vroeg Pluis. "Is iedereen er?" vroeg Vlok. "Kom, we gaan! Loop maar achter ons aan." Pluis en Vlok gingen voorop. Op weg naar de grote boom; aan het eind van het bos.

Jarno en zijn ouders waren al bij de boom. Moeder had een kleed op de grond gelegd. Ze hadden een grote mand meegenomen. Met eten en drinken. Moeder had voor de boskabouters piepklein broodjes gebakken. Jarno, stond al op de uitkijk. Hij hoorde zingen.

Kom, ga je mee naar het bos, lekker spelen op het zachte mos.

"Mam, pap, daar komen ze aan. Ik hoor ze zingen." Met z'n drieen stonden ze te kijken. "Hé," riep Jarno. "Het zij er veel meer dan vorig jaar. Ik zie ook kabouters met een rode muts. Hoe kan dat nou?" Hij keek vragend naar zijn ouders. Die snapten er ook niets van. "Gelukkig, heb ik genoeg broodjes gebakken," zei moeder lachend.

"Hallo Jarno," riepen de boskabouters, toen ze Jarno zagen. "Hallo Jarno," riepen ook de tuinkabouters. Toen ze bij de grote boom aankwamen, zei Pluis dat ze in een kring op het kleed moesten gaan zitten. "Wat zijn dat voor kabouters, met die rode muts op? vroeg Jarno. "Dat," zei Pluis, "zijn tuinkabouters. Ze woonden in een hele grote tuin. Daar worden nu huizen gebouwd. Ze zijn naar ons toe gekomen, om te vragen of ze bij ons in het bos mogen wonen. Dat kan wel, maar we hebben een probleem." "Ik weet al wat dat is," roept Jarno. "Jullie hebben geen paddestoelen genoeg." "Pluis knikte. Hij keek naar vader. "Ik durf het bijna niet te vragen," zei hij. "Heeft u nog meer schoenen?" Vader en moeder begonnen te lachen. "Natuurlijk," zei vader, "hebben we schoenen voor jullie. Laten we eerst gaan eten. Dan ga ik na het eten naar huis en haal de schoenen voor jullie op." Wat waren de tuinkabouters blij. Kamperen is wel leuk, maar een schoen als huis, lijkt ze toch veel leuker. Het werd een gezellige picknick. Iedereen at zijn buikje vol. Na het eten ging vader schoenen ophalen. Hij kwam terug met een heleboel schoenen. Ook deze keer mocht Jarno mee, om de schoenen naar kabouterdorp te brengen. Op zijn tenen liep Jarno over de smalle paden.

Nu staan er geen twee schoenen in kabouterdorp. Nee, er staan een heleboel schoenen. Kaboutertimmerman Saul heeft er deurtjes en raampjes in gemaakt. Natuurlijk moesten er ook daken op. Voor de ramen hangen fleurige gordijntjes. Het was een vrolijk dorp geworden. De tuinkabouters hadden bij elke schoen, een tuintje gemaakt. Vol met bloemen. "Pluis vroeg of ze ook bij de paddestoelen tuintjes wilden maken. "Natuurlijk," zei Vlok. "Wij heten toch niet voor niets tuinkabouters?"

Het was een mooie dag. De zon scheen en de lucht was blauw. Kabouter Pluis, zat, samen met kabouter Vlok, op een bankje, voor de school. Pluis plukte aan zijn baard, en zei tegen Vlok: "Wat is het toch fijn, dat grote mensenschoenen, niet alleen scholen, maar ook huizen kunnen zijn."




Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren, en je illustraties aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben plezier van onze verhalen.
Dus doe mee !!


omhoog    home