Het verhaal van Kabouter Pluis
door Doortje Stam
In een bos, vol met bomen en paddestoelen, woont kabouter Pluis. Samen met
nog veel meer kabouters. Het zijn geen gewone kabouters. Nee, het zijn
boskabouters. Je kan het zien aan hun muts. Gewone kabouters hebben een rode
muts. Boskabouters hebben een groene muts. Ze zijn zo groot als je pink.
Ze wonen in paddestoelen, met piepkleine deurtjes en piepkleine raampjes.
Natuurlijk hebben ze ook en bedje, een stoeltje, een tafeltje en een
piepklein kastje.
Zie je die kabouter daar? Die, met die lange witte baard. Dat is kabouter
Pluis. De burgemeester van het bos. Het is een oude, wijze kabouter.
Hij weet bijna alles. Heb je een vraag? Wil je iets weten? Vraag het
aan kabouter Pluis. Dan zal ik je nu het verhaal vertellen van kabouter
Pluis.
Het was een mooie dag. De zon scheen en de lucht was blauw. Kabouter Pluis
zat buiten, voor zijn paddestoel. Opeens hoorde hij geschreeuw. Het leek wel
of iemand hem riep. Hij luisterde nog eens goed. Ja hoor, daar hoorde hij
het weer. "Burgemeester, burgemeester, kom snel" Pluis ging staan. Waar kwam
dat geroep vandaan? In de verte zag hij iemand aankomen. Het was
politiekabouter Blom.
Pluis liep Blom tegemoet. "Burgemeester, kom snel. Er is iets raars
gebeurd." Blom was achter z'n adem. Hij had ook zo hard gelopen. Pluis was
nu wel erg nieuwsgierig geworden. "Vertel, wat is er." "Nnnou, ddaar," Blom
begon te stotteren. "Zo begrijp ik er niets van, vertel nu eens rustig wat
er aan de hand is," zei Pluis. Blom slaakte en diepe zucht en begon opnieuw.
"Nou, ik was met politiekabouter Pling het bospad aan het controleren.
Kijken of er geen snoeppapiertjes of andere rommel lag," Dat deden ze elke
week, want Pluis wil een schoon bos. Hij is altijd heel boos als hij in het
bos, rommel ziet liggen.
"We hebben iets gezien, dat zo verschrikkelijk groot is! We weten niet wat
het is." Pluis krabde eens op zijn hoofd. Wat kon er nu toch zo groot zijn,
dat politiekabouters er van schrikken? "Nou, dan moet ik ook maar eens gaan
kijken. Wijs me de weg maar." Samen gingen ze op weg.
Pling stond al te wachten. "Waar blijven jullie toch?" Ongeduldig liep hij
heen en weer. "Wat is er toch aan de hand?" vroeg Pluis. "Jullie maken mij
zo nieuwsgierig." Laten we maar gauw gaan." Blom ging voorop. De anderen
liepen achter hem aan. Ze liepen het bospad af, en kwamen bij de grootste
boom van het bos.
"Stil!" fluisterde Blom. "We zijn er. Kijk, daar, achter de boom." Pluis
ging naar voren.
Hij schrok zich een hoedje. Dit had hij niet verwacht. In een oud boek van
zijn opa had hij er wel eens over gelezen. Maar hij had ze nog nooit gezien.
Wat waren ze groot. Hij kon zich voorstellen, dat Blom en Pling geschrokken
waren.
"Weet je wat het is?" vroeg Blom. Pling, die zag dat Pluis niet bang was,
ging naast hem staan. Blom kwam er ook bij. Met zijn drieen stonden ze
achter de boom te kijken. "Dit," zei Pluis, "zijn mensen. Ze zijn heel
groot."
"Kijk," fluisterde Blom, " die daar heeft net zo'n baard als jij." "Alleen
een andere kleur," zei Pling. Pluis begon te vertellen wat hij gelezen had
over mensen. "Dus ze zijn niet gevaarlijk'? vroeg Blom. "Nee, ze zijn niet
gevaarlijk."
Nu wil je natuurlijk graag weten, wie die mensen zijn? Het waren een vader
en een moeder, en hun zoontje: Jarno. Ze waren aan het picknicken in het
bos. Ze hadden een mand meegenomen, met eten en drinken. Moeder had een
kleed op de grond gelegd. Daar zaten ze op. Het was heel gezellig.
De drie kabouters stonden nog steeds achter de boom te kijken. "Mag ik gaan
spelen, mam?" Ze hadden het eten op. "Dat mag, maar niet te ver weggaan,"
zei moeder. Jarno wilde graag dennennappels en eikels gaan zoeken. Moeder
gaf hem een zakje mee.
"Kijk eens wat een mooi blad." "Hier zijn eikels." Jarno vond van alles.
Intussen was hij bij de boom gekomen. Hij bukte om een blad op te rapen.
Toen zag hij de drie kabouters staan. Die konden zich niet meer zo snel
verstoppen. Van schrik begon Pling heel hard te gillen.
Jarno, die ook geschrokken was, begon mee te gillen. Vader en moeder kwamen
naar hem toe. "Wat is er, waarom gil je zo?" "Kijk, daar." Jarno wees naar
de grond. Toen zagen de anderen het ook. Drie piepkleine kaboutertjes. Blom
en Pling kropen snel weg achter de rug van Pluis.
"Hallo, ik ben Jarno." Jarno ging op zijn hurken zitten. "Kijk, dit zijn
mijn papa en mama. Wie zijn jullie?"
"Uche, uche." Pluis kuchte voor hij begon te praten. "Ik ben Pluis, de
burgemeester. En dit zijn Blom en Pling. Politieagenten." Hij duwde Blom en
Pling naar voren. "Waar komen jullie vandaan?" Jarno wilde alles weten.
Pluis plukte aan zijn baard. De mensen leken wel aardig. Hij begon te
vertellen. Over het kabouterdorp. De andere kabouters. De paddestoelen waar
ze in wonen. "Het is net als bij ons," zei Jarno. "Alleen wonen wij in
huizen."
"Gaan kabouterkindjes ook naar school?" Pluis knikte. "Ja, kabouterkindjes
gaan ook naar school. Naar de schoolpaddestoel. Maar de paddestoel wordt te
klein. We moeten een nieuwe school hebben. Maar er is geen lege paddestoel
meer in kabouterland. Ik moet nog iets bedenken."
"Mogen we zien waar jullie wonen?" vroeg Jarno. De drie kabouters keken
elkaar aan. "Oké," zei Pluis. "Maar ik denk dat jullie niet te dichtbij
kunnen komen. Jullie voeten zijn te groot.
Samen gingen ze op weg. Blom en Pling liepen voorop. Toen kwam Pluis. En
daarachter Jarno, met zijn ouders. Ze liepen op hun tenen. Want de paden
werden steeds smaller. "Kijk, daar! Oh, wat mooi." Ze zagen in de verte het
kabouterdorp. Wat was dat klein met heel veel paddestoelen. Pluis vroeg of
ze niet verder wilden lopen. "Ik ga de kabouters eerst vertellen wie jullie
zijn. Anders schrikken ze, net zoals wij deden. Blom en Pling blijven hier
bij jullie wachten."
Na een poosje kwam Pluis terug. Hij was niet alleen. Achter hem aan
liepen een heleboel kabouters. Allemaal met een groene muts op. Ze
maakten veel lawaai. Iedereen praatte door elkaar heen. "Stil!" riep
Pluis. Het was stil. Jarno, vader en moeder waren op hun hurken gaan
zitten. De kabouters gingen in een kring om hen heen staan. Pluis
plukte aan zijn baard. Je zag hem denken. "Uche," begon hij. "Ik zal
jullie voorstellen. Dit is Jarno, met zijn vader en moeder." "Ik ben
Ollie. Ik ben Lillie. Ik ben Gompie." De kabouters begonnen weer door
elkaar heen te praten. De kinderkabouters klommen op vaders schoenen.
Vader begon te lachen. Er zaten wel twintig kabouters op zijn schoen.
Pluis, die dat ook zag, kreeg ineens een idee.
"Mag ik u wat vragen? Heeft u nog meer schoenen? Vader knikte. Ja, hij had
thuis nog veel meer schoenen. "Waarom wil je dat weten?" vroeg hij.
"Ik durf het bijna niet te vragen, maar mag ik deze schoenen van u?" De
andere kabouters keken Pluis aan. Wat moest Pluis nu toch met zulke grote
schoenen.
Pluis keek zijn kabouters aan. "Jullie weten dat onze school te klein is
geworden. We hebben geen lege paddestoelen meer in het bos. Nu had ik zo
gedacht, misschien zijn deze schoenen wel groot genoeg voor een school."
Wat en idee. De kinderkabouters begonnen te juichen. "Joepie. Joepie, een
nieuwe school." "Maar dat is geweldig," zei vader. "Natuurlijk mag je deze
schoenen. Ik kan wel op mijn sokken naar huis. Het is mooi weer vandaag. Zal
ik ze uitdoen?"
Nu kwam het volgende probleem. De schoenen moesten naar het kabouterdorp.
Hoe moest dat nu? Iedereen keek weer naar Pluis. Zoals altijd had Pluis weer
een oplossing. Hij wees naar Jarno. "Jij hebt de kleinste voeten. Als jij op
je tenen loopt, trap je nergens op. Wil jij met ons mee? Dan kun jij de
schoenen dragen."
Jarno ging met de kabouters mee. De anderen bleven in het bos op hem
wachten. "Waar zal ik ze neerzetten?" Pluis wees een plek aan. Naast de
schoolpaddestoel. "Ik ga weer naar papa en mama. Daag, tot een volgende
keer."
Jarno zwaaide. De kabouters zwaaiden allemaal terug. "Kom je nog eens weer?"
vroeg Ollie. "Ja, als het mag?" Pluis knikte. Hij was zo blij. Eindelijk
hadden ze weer een nieuwe school.
Nu staan er twee schoenen in het kabouterdorp. Kaboutertimmerman Saul heeft
er deurtjes en raampjes in gemaakt. Natuurlijk moest er ook een dak op.
Voor de raampjes hangen fleurige gordijntjes.
Het was een mooie dag. De zon scheen en de lucht was blauw. Kabouter Pluis
zat buiten voor zijn paddestoel. Opeens hoorde hij geschreeuw. Weet je wat
dat was.?
De bel ging. Het was drie uur. De school ging uit. Kabouter Pluis plukte aan
zijn baard, en dacht: wat fijn, dat grote mensenschoenen ook scholen kunnen
zijn.
Je kunt je reactie naar Doortje mailen:dstammaandag@hotmail.com
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home