Het leven van een patatje
door Marjolein Zantema
Ik ben Frank: een klein Frans frietje. Ik zit in een grote patatzak.
Het is meestal wel redelijk licht in de zak, maar soms is het ook
pikkedonker. Ik zit in de zak met heel veel andere frietjes, maar
toch voel ik me erg eenzaam. Ik leef nou al twee dagen in de zak.
Wat daarvoor is gebeurd kan ik me niet herinneren. Het leven van een
patatje valt niet altijd mee. Je moet de hele dag maar stil liggen
en als je pech hebt lig je onderop. Die pech heb ik weer. Precies
bovenop me ligt Japie. Hij is de grootste en dus heeft hij alles voor
het zeggen. Er valt niet veel te zeggen in een patatzak, dus dat valt
eigenlijk wel mee. Bovenop Japie liggen vast wel meer patatjes, maar
dat kan ik niet zien.
Ineens wordt de patatzak enorm door elkaar geschud. Japie begint
op me te schelden.
"Ik doe helemaal niks!" roep ik wanhopig
Het schudden gaat nog een paar seconden door. Dan wordt de zak met
een plof ergens neergezet. Wat zal er buiten de zak gebeuren? Dat
zal ik nu wel eens willen weten.
Het is een tijdje stil maar dan wordt er weer flink geschud. De zak
wordt weer neergezet. Ineens gaat de zak geleidelijk vooruit. Dan
stopt hij weer en dan gaat hij vooruit. Nadat dat een paar keer wordt
gedaan wordt de zak voor de zoveelste keer opgetild en ergens anders
neergelegd. Soms komt er een ontzettende dreun op de zak. Dan kan
niemand zich meer bewegen. Maar ja, anders kunnen we dat ook niet.
Die tijd daarna is het ook veel van: opgetild worden en weer neergelegd
worden. Na een tijd wordt de zak in een erg koude ruimte gezet. Ik
zit nog steeds in de dichte zak, maar de kou komt ook naar binnen.
Ik lig niet meer onderop, maar een beetje middenin. Ik lig nu bovenop
Japie, die luid ligt te mopperen. Ik zie nu veel meer frietjes. Ook
die ik nog nooit heb gezien.
Het is al een hele tijd later als de zak weer wordt opgetild. Tot
mijn grote schrik wordt de zak opengemaakt! Ik ben wel bang, maar
aan de andere kant wil ik ook wel eens iets van de "buitenwereld"
zien. Boven me is de zak al open. Door het gat zie ik een bruin plafond.
Is dit nou de buitenwereld? Lang om daar over na te denken heb ik
niet, want de zak wordt een halve slag omgedraaid. Iedereen valt uit
de zak. Ik ook. Sommige proberen zich aan de zak vast te klemmen,
maar dat lukt niet. Ook zij vallen naar beneden. Een paar seconden
val ik door de lucht. Dan "plomp" ik in een soort modderig
bad. Ik weet niet hoe ik het zomaar weet maar het is vet waarin ik
lig. Op het begin valt de hitte nog wel mee, maar het wordt steeds
erger. Ik vind het vet wel lekker om in te liggen, maar de hitte mag
van mij wel wat verminderen. Door het vet kan ik niet goed om me heen
kijken, maar vaag zie ik Japie in het vet liggen. Hij is bijna niet
te herkennen, want aan de randjes van hem zit een bruin gebakken randje.
Ik kan wel zien dat hij het erg moeilijk heeft. Waarmee? Tja, dat
weet ik ook niet.
Ik lig al een tijdje in het vet, totdat een ijzeren zeef, in de vorm
van een bakje mij en alle anderen opvist. Dan worden we in een levensgrote
pan gegooid. Omdat ik 1 van de kleinste en de lichtste ben, kom ik
als 1 van de eersten op de bodem van de pan terecht. Bovenop me komen
een heleboel anderen te liggen. Het begint een beetje te regenen.
Niet met water, maar kleine korreltjes. Ik neem er een likje van.
Mmm, lekker! Het is... zout. Ja. Ik neem er nog een paar likjes van,
maar al gauw zit ik vol.
Na een tijdje wordt er een ijzeren lepel onder me geschoven. Samen
met een ander frietje lig ik op de lepel. Dan worden we op een groot,
plat ding gelegd. Ik kom naast een heel mooi meisjesfrietje te liggen.
Gelijk word ik verliefd. Ze heeft zo'n mooi bruin randje. Bovendien
is ze ongeveer net zo groot als mij.
"Hoe heet je?" vraag ik aan het meisjesfrietje
"Maartje." Zegt het meisjesfrietje
"Wat ben jij mooi," fluister ik tegen Maartje
"Jij ook. Je heet toch Frank?" vraagt Maartje
Ik knik.
"Hoe weet je dat eigenlijk?"
"Ik heb wel eens over je gehoord." antwoordt Maartje
Zo! Dan was ik dus toch beroemd in de zak! Ik ga nog iets dichterbij
Maartje liggen. Verliefd kijk ik haar aan. Verliefd kijkt Maartje
terug.
Een tijdje liggen we stil naast elkaar. Ik hoor geklop. Is dat míjn
hart of die van Maartje? Alle twee, geloof ik. Die van mij, omdat
ik opgewonden van Maartje ben geworden. Ik hoop dat Maartje dat ook
van mij is geworden, maar ik denk dat haar hart klopt omdat ze bang
is. Toch nog maar even vragen voor de zekerheid.
"Ben je bang?"
"Ja," antwoordt het zachte stemmetje van Maartje
Het liefst zal ik een arm om haar heen hebben geslagen hebben, maar
ik heb nu eenmaal geen arm, dus dat zal moeilijk gaan.
Ik voel het warme lijfje van Maartje tegen me aangedrukt.
"Ik blijf mijn hele leven bij jou Frank."
Als dat tot me door gedrongen is, begin ik van binnen helemaal te
gloeien. Mijn hele leven had ze gezegd. Ja, dat kan een frietje wel
zeggen. Haar hele leven kan over een paar minuten al zijn afgelopen.
De mijne ook trouwens.
Plotseling wordt een ijzeren staafje in mijn buik geprikt. Ik schreeuw
het uit van de pijn. Als ik voel dat ik omhoog ga, klem ik me goed
tegen Maartje aan.
"Frank!" roept Maartje
"Hou me goed vast, dan kan er niks gebeuren," zeg ik
Natuurlijk kon er van alles gebeuren, maar dat zei ik maar niet. Ik,
nog steeds aan het stengeltje bengelend, hou Maartje goed vast. Het
stengeltje met Maartje en ik eraan gaat omhoog. Dan worden we door
een opening geduwd en van het stengeltje af geduwd. We komen op een
waterig kussentje te liggen. Het is erg donker. Maartje ligt naast
me. Tijd om verliefd te zijn heb ik niet, want ik heb het veel te
druk met Maartje te troosten. Eigenlijk is ze zo wel het liefst: als
ze bang is.
Ineens zie ik boven me een stuk of acht grote stenen die langzaam
naar beneden komen. Ik kan niet meer aan de stenen ontkomen. Ik voel
de stenen al tegen me aankomen. Ze drukken me helemaal fijn. De pijn
die ik daarbij voel is onverdraaglijk. Naast me hoor ik geschreeuw
van Maartje, maar niet zo lang.
Dan ga ik in een soort glijbaan. Met een noodgang vlieg ik naar beneden.
Leuk vind ik het niet, want ik heb de erge pijn nog steeds. Het onderste
stuk van mijn lijf is er al af.
Dan kom ik op een zachte, modderige bodem te liggen. Het moment daarna
kan ik niks meer herinneren. Ik kan me niet bewegen, want ik heb geen
gevoel meer. Ook geen pijn. Ik zie ook niks meer.
Een klein poosje later word ik weer wakker. Ik kijk om me heen. Ik
heb al weer een klein beetje gevoel in me boven lichaam. Aan de ene
kant van me ligt een half frietje. Hij is aardig breed. Maar... Maar...
Dat is Japie! Ik schud een beetje tegen hem aan, maar hij beweegt
niet. Hij heeft een hele gekke kleur. Dan weet ik wat er aan de hand
is. Japie is dood. Ik krijg er tranen van. Ik heb Japie nooit aardig
gevonden, maar toch vind ik het heel erg. Aan de andere kant van me
ligt Maartje. Leeft zij eigenlijk nog wel? Ik fluister zacht haar
naam. Geen antwoord. Ik word paniekerig. Ik por een beetje tegen haar
aan. Steeds harder, maar ze beweegt niet. Haar ogen zijn dicht. Ik
hoor haar hard niet meer kloppen. Dood galmt het door mijn hoofd,
maar ik durf het zelf niet te geloven. Ik begin om me heen te schreeuwen
om hulp, maar niemand komt. Dat maakt eigenlijk niks uit. Maartje
is toch al dood hoe erg ik het ook vind. Dikke tranen lopen over mijn
lijf. In mijn hoofd klinken de woorden die Maartje had gezegd op het
ijzeren ding. Ik blijf mijn hele leven bij jou heeft Maartje gezegd.
Die woorden zou ik nooit vergeten. Ze heeft het wel gedaan trouwens.
Nu is het me pas opgevallen dat ik niet de enige ben die daar ligt.
Om me heen liggen allemaal frietjes. Ook andere dingen. Ik kan niet
goed zien of ze dood zijn, maar ik vrees van wel. Mijn hele leven
is niks meer waard. Zelf besef ik maar al te goed dat ik niet lang
meer leef. Ik maak me er ook geen zorgen om. Het is erg benauwd in
de ruimte waar ik me bevind. Eigenlijk wil ik nu ook dood. Niemand
die meer om me geeft. Er is zelfs niemand meer die me kent! Ik heb
pijn, ik heb het benauwd, ik ben verdrietig.
Ineens ploft er een heel groot ding boven op m'n buik. Het is een
groot, rond, hard ding. Dat is ook het laatste wat ik me kan herinneren,
want ik val in een diepe slaap. Een tijdje is het nog een diepe slaap,
maar dan ben ik dood.
Het is nu 2 dagen later. Ik herinner me de hele gebeurtenis als de
dag van gisteren. Ik kijk terug op een spannende tijd. Sommige momenten
zoals de laatste paar minuten van mijn leven waren vreselijk, maar
de tijd die ik met Maartje doorbracht was toch wel weer heerlijk.
Vlak na ik dood was gegaan was ik een tijd helemaal weg. Toen werd
ik wakker op een witte, zachte bodem. Om me heen zag ik een heel mooi
landschap. Er was eten in overvloed. Nu is het eten al bijna op, dus
het is tijd om weer een nieuw plekje te zoeken. Ik heb verder nog
geen frietjes gezien, maar die komende minuten komt daar verandering
in. Ik zie een mooi meisjesfrietje die Francien heet. Ik loop er op
af. Gelijk worden we weer verliefd. Ze doet me denken aan Maartje.
Alleen is Maartje toch een heel stuk liever dan Francien, maar trouwen
we met elkaar en krijgen wel 25 kinderen. Dat is mijn geluksgetal
dus daarom hebben we daar voor gekozen. Met z'n 27en leven we nog
lang en gelukkig...
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
H oe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home