Piet zit aan de rand van het meer, zijn armen om zijn benen geklemd.
Wat hij drie jaar geleden heeft meegemaakt heeft hem nog steeds
niet losgelaten. Dat zijn beste vriend Willem zoiets heeft kunnen
doen. Hij wist dat Willem haar verafschuwde, maar dan nog is het
iets vreselijk. Hij heeft nu een meisje ontdekt dat op haar lijkt.
Meteen moest hij weer aan haar denken. Zou ze het toestaan als hij
met haar verkering zou nemen? Hij wist niet wat hij moest doen.
Hij sloot zijn ogen. Hij moest terug denken aan de tijd dat hij
haar ontmoette en haar ook weer verloor. Het meisje zonder moeder,
het meisje waar hij van hield, Nel.
Nel liep het café binnen. Daar zat Piet ook. Hij zag het meisje
naar binnen lopen. Ze was mooi. Ze had lange zwarte haren, een rond
gezichtje en was niet erg groot. Wat hem aan haar opviel waren die
grote bruine ogen. Ze leerden elkaar al sNel kennen. Nel de heks
en Piet de onervaren tovenaar. 'Ik leer je, je kunsten beheersen.'
had ze tegen hem gezegd. Erg veel magie had ze zelf niet, maar wist
wel hoe ze Piet zijn krachten moest leren. Elke dag kwamen ze bij
elkaar. In het begin voor de lessen later voor wel meer dingen.
Piet praatte vaak met zijn beste vriend Willem over haar, maar hij
zei niet dat hij met haar omging. Willem had een grote afschuw van
Nel.
'Houd je handen gespannen.' zei Nel tegen Piet. 'Doe ik!' 'Je moet
vandaag nog dingen naar je toe kunnen halen met je magie, anders
stop ik ermee.' Nel en Piet waren weer eens bij het meer aan het
oefenen. Piet deed net of hij het kunstje nog helemaal niet onder
de knie had, maar Nel en Piet zelf wisten wel dat hij een beetje
zat te dollen. 'Probeer het nog één keer.' zei Nel. Piet spande
zich in. Tenminste hij deed alsof. Dit trucje koste hem helemaal
geen moeite. Nel voelde zich van de grond komen. Ze zweefde! Piet
trok haar naar zich toe. Hij kuste haar. Het was een prettig gevoel
om bij Nel te kunnen zijn. Nog nooit had hij zich écht gelukkig
gevoeld bij een meisje.
De volgende dag op school zaten ze, zoals gewoonlijk, gescheiden
in de pauze. Om geen argwaan te wekken bij de andere leerlingen.
De bel ging en zonder met elkaar te praten (Willem liep naast hen)
liepen ze de trap op. Vanuit zijn ooghoeken keek Willem naar Nel.
Wat haatte hij haar! In de kleuterklas had ze met haar magie zijn
broek naar beneden getrokken. Wat had hij zich toen geschaamd. Zelfs
nu vele jaren voorbij zijn gegaan wilde hij nog wraak op haar nemen.
Nu liep ze naast hem! Een buitenkansje. Voor hun doemde een raam
op. Toen kwam er een idee in Willem's hoofd op. Ze zaten nu op de
vierde etage, als hij haar nu eens...? Ja, dat ging hij doen. Nel
voelde zich door een sterke hand vast gegrepen worden. Wie trok
haar mee? Verbaasd zag ze dat het Willem was. Het trekken werd duwen.
Ze liepen de trap verder op en ze verwachtte dat ze de bocht naar
de lokalen zouden omgaan. Wat ze verwachtte deed zich anders voor.
Ze liepen regelrecht op het raam af. Haar verbazing werd angst.
Wat was Willem van plan? Ze probeerde zich te verzetten, het lukte
niet. Hij was te sterk. Ook haar magie liet haar in de steek. Wat
moest ze doen? Piet zag dat Willem Nel naar het raam duwde. Even
keek hij het vol onbegrip aan. Toen herinnerde hij zich de verhalen
die Willem hem had verteld. Dat hij wraak op Nel wilde. Dit was
het moment van wraak. Maar wat wilde hij doen? O, nee! Hij gaat
haar door het raam gooien! Hij probeerde zijn vriend tegen te houden,
maar hij was te laat. 'Nel!' schreeuwde hij. Iedereen keek hem verbaasd
aan. Willem schopte het raam kapot en gooide haar naar buiten.
Hij zag de ziekenauto wegrijden. De school kreeg vrij. Meteen rende
Piet naar het ziekenhuis. Hij moest weten hoe het met zijn vriendin
ging. Hij liep de ziekenkamer van Nel binnen. Ze had allemaal slangetjes
in zich en een kapje om te helpen ademen. De dokter kwam naar hem
toe lopen. 'Het spijt me, maar....' Piet liet de man niet uitpraten.
'Gaat ze het redden?' vroeg hij. De dokter sloot de ogen en schudde
zijn hoofd. Piet voelde tranen over zijn gezicht lopen. Het deed
hem pijn om die grote bruine ogen, die altijd naar hem lachten,
nu gesloten te zien. Plotseling deed ze haar ogen open. Ze keek
Piet recht in de ogen aan. Ze greep naar haar hals en trok het medaillon
dat ze altijd droeg af en gaf het aan Piet. Ze lachte. Één traan
liet ze. 'Ik ga naar mamma' kwam moeilijk uit haar stem. Ze sloot
de ogen weer. Op de hartslagmeter zag je haar hartslag overgaan
in een lange lijn. Huilend rende Piet het ziekenhuis uit. Piet opende
zijn ogen. Hij keek naar het medaillon dat hij in zijn hand had,
opende het en las de woorden die erin stonden. "volg je hart".
Hij glimlachte. Vastberaden liep hij naar het huis van Digna. Ze
deed zelf open toen hij aanbelde. 'Kan ik je spreken?' vroeg Piet.
'Ik loop wel even met je mee. Het is toch mooi weer.' Piet liep
samen met Digna naar het meer. Toen ze aan de oever zaten vertelde
hij haar alles, over hem en Nel. 'Waarom vertel je me dit?' vroeg
ze toen hij klaar was met zijn verhaal. 'In jouw, Digna, zie ik
Nel weer voor me opdoemen.' Zwijgend bleven ze daar zitten. Digna
keek schuin naar Piet en glimlachte. Piet staarde gedachteloos in
het water. Hij voelde een gebaar dat hij had gemist. Digna had hem
op de wang gekust en keek hem liefdevol aan. Piet wist niet wat
hij moest denken. 'Volg je hart.' De stem van Nel galmde van ver
weg in het hoofd van Piet. In het water zag hij haar gezicht. Ze
glimlachte. 'Ik volg mijn hart.' fluisterde Piet.