www.kinderverhalen.nl, de site voor en door liefhebbers van kinderverhalen

Het kerkhulpje van de Onze Lieve Vrouwe Kerk (waar, oh, waar doet dat
aan denken...)

door Rianne Wijmenga

Maron
Soms benauwen de muren me. Maar ze beschermen me. Volgens Frederik.
Mijn vingers glijden over mijn gezicht. Over de rode, schilferige huid.
Mensen zouden toch maar van me schrikken. Of ze zouden me uitlachen. En dat doet pijn.
Volgens Frederik.
Hij is mijn beste vriend. Ook mijn enige trouwens. Hij weet wat het beste voor me is.
Als mijn hele leven woon ik in zijn huis. Hij is tien jaar ouder dan ik.
Op zijn tiende kwam zijn moeder met mij thuis. Toen zij zeven jaar geleden stierf, nam de twintigjarige priester in opleiding Frederik de zorg voor mij op zich.
Ik kom bijna nooit buiten. Niemand weet van mijn bestaan, behalve Frederik en de achterbuurvrouw, mevrouw Twijg.
Soms mag ik in de achtertuin. Dan voel ik de zon op de gave huid van mijn rechterarm of de wind door mijn haren. Veel te snel moet ik altijd weer naar binnen.
"Jouw tijd komt nog wel," zegt Frederik altijd.
En dan buig ik me over mijn leerwerk en vraag me af hoe lang dat nog duurt, voor mijn tijd is gekomen.

Mirande
Erg veel zin om naar deze grote stad te verhuizen had ik niet, maar ik had geen keus. Mijn vader is de enige die ik nog heb en hij had hier een baan gekregen.
Na één dag miste ik ons grote huis in het dorp al. Onze flat van nu kan daar nooit tegenop.
Behalve dan het uitzicht. Dat is geweldig. Ik heb vanuit mijn kamer zich op de binnenstad, met haar mooie panden en met neonreclame versierde winkels.
En als het helder is kan ik de weilanden zien, met soms een zwart-witte vlek, verdwaalde koe.
Vandaag is de laatste dag van de vakantie. Morgen moet ik naar de nieuwe school.
Ik ben er al drie keer langs gefietst. Een kaal, grijs betonblok aan de rand van het industrieterrein.
Eergisteren was er introductie van de vierde klassen. Ik ben niet gegaan.
Het stond me tegen, al die vreemde gezichten op het plein. Groepen identieke meisjes, jongens met precies dezelfde kledingstijl, wat losse buitenbeentjes en een groep felgekleurde hippies.
Vanaf morgen hoor ik daar ook bij, dacht ik met pijn in mijn hart.
Ik ben snel doorgelopen.

Frederik
De opleiding valt me zwaar.
En daarnaast de zorg voor Maron.
Ik kom tijd tekort.
Gelukkig luistert Maron goed naar mij en laat hij zich gewillig onderrichten in de lessen van de Heer. Hij zou later een goede priester kunnen worden.
Maar hij heeft zijn uiterlijk niet mee.
De arme jongen.
Maar waarschijnlijk was dat Gods straf voor zijn moeder. Voor haar onzedige gedrag.
Het is maar goed dat ze de geboorte niet overleefd heeft. De wereld kan best zonder haar soort.

Philip
Haar ogen betoverden me, meteen vanaf het moment dat ze de klas binnen kwam.
Nu zit ze twee rijen naast me. Met een nonchalante beweging schudt ze haar zwarte haar naar achteren.
Ze heeft een beetje een zigeunerachtig uiterlijk met diepe groene ogen.
Ook mijn beste vriend Mark staart met wijd open ogen naar haar.
Misschien heeft ze het door. Af en toe werpt ze een blik onze kant uit. Mij ontwijkt ze, maar Mark kijkt ze twee keer heel even recht aan.
Dan is de les voorbij. De bel haalt me uit mijn gedachtes.
Pauze.
Misschien komt ze wel bij ons zitten.
Bij mij. Liever.
Maar mijn vriend ziet er goed uit en is nog vlot ook.
Terwijl we de klas uit lopen spreekt hij haar aan.
"Hoi."
"Hoi," antwoordt ze met een voorzichtig glimlachje.
"Waar kom je vandaan?"
"Uit Rida de Coa, een klein dorpje in het zuiden."
"Ben je hier al wat gewend?"
"Nee."
Haar plotselinge hardheid doet Mark zijn wenkbrauwen fronsen.
Ik trek hem voorzichtig aan zijn mouw, maar hij schudt mij af.
"Zal ik, zal ik je vrijdag mee uit nemen?" biedt hij vriendelijk aan. "Kun je meteen wat mensen leren kennen enzo."
Ze kijkt hem verbaasd aan. "Misschien," antwoordt ze vaag.

Maron
Het is weer rustig op straat. De andere van mijn leeftijd zitten al weer drie weken op school.
Hun leven is, na die lange vakantie, weer zoals het voor de vakantie was.
Maar mijn leven is altijd hetzelfde.
Al bracht hun vakantie wel wat afwisseling.
Stiekem heb ik ze bekeken. Veilig achter de gordijnen van het raam aan de voorkant van ons, nee, Frederiks huis, dat midden in het winkelcentrum van de stad staat. Veilig verborgen, zodat ze mij niet zouden zien, van me schrikken of me uitlachen.
Vrolijke meisjes, stoere jongens, verlegen kinderen met hun ouders.
Pratend, met gekleurde plastic tassen, iets te eten of te drinken en gewoon liepen ze door de stad.
Dagen achtereen heb ik ze bekeken.
Tot Frederik op een donderdag vroeg thuis kwam van college. Er was een professor ziek geworden.
En toen ontdekte hij mij.
Hij was boos!
"Maak je niet schuldig aan de zonden van de wereld," riep hij. "Al die mensen daar buiten zijn slecht, heel slecht."
Toen sloot hij me op op mijn kamer, met een bijbel. Daar moest ik mijn zonden maar overdenken, vond hij.
Dat heb ik niet gedaan.
Boos heb ik het heilige boek uit het geopende raam gegooid.
Frederik kon de pot op.
Later had ik spijt. Hij had toch zijn hele leven voor mij gezorgd? Daarom moest ik hem dankbaar zijn en gehoorzamen.
Maar soms.

Mirande
De school viel mee. Na drie weken ben ik al behoorlijk ingewerkt. Ik had niet zoveel achterstand en mijn klasgenoten zijn aardig.
Verder gaat alles gewoon zijn gangetje. Alsof we nooit verhuisd zijn.
Ik heb me op een stapel boeken van mijn moeder gestort. Ze gaan allemaal over muziek.
Als zigeuner was ze, netzo als haar voorouders, bezeten van muziek.
Ze speelde viool. Ze had een oud familiestuk, dat nu in een koffer onder mijn bed ligt.
Ooit heb ik van haar les gehad.
Terug naar de boeken; er zitten prachtige liefdesverhalen bij.
Als ik dat lees verlang ik naar mijn vakantieliefde.
Pa en ik zijn een week naar het zuiden geweest, de bergen in. Hij werkte in ons hotel, achter de bar.
Het was liefde op het eerste gezicht voor allebei en ging de hele week door.
Maar hij werd de dag voor ons vertrek ontslagen en verdween.
Nu zitten bijna alle jongens op school achter me aan.
Een Mark, die me meteen op de eerste dag al mee uit vroeg.
Tim, Allen, John en Wilco doen wat rustiger aan.
En Philip helemaal. Die gast zit me alleen aan te staren en loopt wat achter zijn vriend aan. Waarschijnlijk bang om buitengesloten te worden.
Hij ziet er wel knap uit trouwens.
Donkerblond haar, grijzige ogen, slank, maar niet te.
Misschien moet ik eens wat met hem gaan praten. Om de andere jaloers te maken. En hek verlegen.
Wel wat gemeen. Ach, ik hoop hier over twee jaar weg te zijn.

Frederik
Maron begint steeds vaker over naar buiten gaan. Hij is nu zeventien en waarschijnlijk beginnen zijn hormonen parten te spelen.
Zo betrapte ik hem in de schoolvakantie op het kijken naar dames.
Het is dat je door zijn verbrande huid niet kan zien of hij bloost, maar zijn ogen glansden van opwinding.
Ik had niet van hem verwacht dat hij zich na alle bijbelse lessen nog aan de zonde zou overgeven. Maar dat was verkeerd.
Zo vond ik de dag na dat ik hem achter het raam betrapt had zijn bijbel in de tuin! Verregend, modderig en gekreukt.
Beschaamd vertelde Maron dat hij het heilige boek naar buiten had gegooid, omdat hij boos op mij was.
Nu vraag ik je! Op mij, zijn voogd en beste vriend. De persoon die alleen het beste voor hem wil.
Ach, waarschijnlijk moet hij eerst wat van het aardse proeven, voordat hij kan concluderen dat het fout is. Voor hij zich helemaal op het hemelse van onze Vader kan toeleggen.
Vader Gérard zei, dat Maron over twee weken bij hem in de Onze Lieve Vrouwe Kerk kan intrekken. Om in de leer te gaan voor kerkhulpje.
Misschien krijgen we hem dan wat terug in het gelid.

Philip
Ze ging zomaar naast me zitten.
Mirande, de donkere schone.
Het perfecte meisje in onze klas.
Naast mij, de kluns, de meeloper en het watje.
Ik was onder geschiedenis bezig met de praktische opdracht, die ik in mijn eentje doe, aangezien Mark zich heeft aangesloten bij Tim en Steffan.
"Kan ik hier komen zitten?" vroeg ze.
Nou, ik voelde het bloed naar mijn hoofd stijgen. Ik heb maar wat geknikt en met een glimlach kwam ze naast mij zitten.
"Mag ik met jou meewerken?" vroeg ze even later, toen ze zich met haar boeken voor de computer geïnstalleerd had.
Mijn rode blossen waren net weer wat verdwenen, maar kwamen nu weer even snel opzetten.
"Ik werk alleen, en jij ook, zie ik. En het is best veel werk, dus."
"Ja, ja natuurlijk," stamelde ik snel, bang dat ze van gedachten zou veranderen.
"Mooi."

Nu ben ik opeens het middelpunt van de jongensgroep.
Mirande kwam naast mij zitten.
Iedereen wil weten wat ze tegen mij heeft gezegd en niemand gelooft dat we het alleen over geschiedenis hebben gehad.
Op een stoel, aan een tafel bij het raam zit Mirande.
Met een glimlach kijkt ze naar de drukte, naar mij.
Trots. Of glimt er iets anders in haar ogen?
Zou ik een kans maken?

Maron
Ze valt zomaar van de banken af. Met een harde bons met haar hoofd op de stenen vloer.
Gespannen kijk ik om me heen. Er is niemand die haar kan helpen. Pater Gérard is net vandaag op zijn ronde.
Sinds twee weken ben ik bij Vader Gérard in de leer. De kerkvloer aanvegen (niet stofzuigen, dat maakt teveel lawaai), het altaar schrobben en, mijn leukste klusje, de klokken luiden. Of eigenlijk het mechanisme dat de klokken doet luiden inschakelen.
Frederik komt om de dag langs, maar op dit moment is hij net tien minuten weg.
Even sta ik toe te kijken, maar als het meisje niet beweegt, kom ik uit de schaduw en loop naar voren.
Ze ligt languit op de vloer, met haar voeten nog onder de stoel waarop ze net zat.
Ik zak door mijn knieën en tik haar aan.
Ze kreunt en ik vlieg een eind weg, klaar om weg te duiken achter een dikke pilaar.
Maar als ze verder niet beweegt loop ik terug.
Voorzichtig til ik haar hoofd op en veeg haar haar uit haar gezicht.
Dan doet ze haar ogen open en krabbelt verschrikt overeind.
Haar ogen staan moe, maar glimmen. Ik krijg een raar, licht gevoel in mijn buik en blijf zitten. Op mijn knieën, recht tegenover dit meisje.
Ze kijkt me wat wazig aan, maar wordt dan helemaal wakker.
Ik zie een vlaag van schrik in haar ogen en herinner me wat Frederik altijd zei: "Blijf bij de mensen vandaan, want ze zijn zondig en niet goed voor jou."
Ik schiet overeind en wil weglopen, maar het meisje loopt me achterna.
"He, wacht eens. Ik heb jou hier nog nooit gezien."
Ik jou wel. Elke woensdag, van vier tot kwart over, wil ik antwoorden. Maar ik durf niet. En Frederiks lessen houden me tegen.
Maar. zou dit meisje ook slecht zijn?

Mirande
Hij lijkt wel bang voor me. Zie ik er zo erg uit?
Ik voel me wel zo.
Een plotselinge vlaag van zware vermoeidheid overmeesterde me en ik raakte even bewusteloos.
De nachten toetsen leren lijken hun tol te eisen.
De jongen kijkt nog een keer voorzichtig om, maar wil dan door een deur, die me nog nooit eerder is opgevallen, verdwijnen.
Snel grijp ik hem bij zijn arm en trek hem terug. Meteen verbergt hij zijn gezicht met zijn handen.
"Wat is er?" mompelt hij, onverstaanbaar door zijn handen.
"Waarom verberg je je? Ben je bang voor mij? Voor wat er net gebeurde?"
Hij schudt zijn hoofd.
"Wat is er dan?"
"Ik ben lelijk. Je zal me alleen maar uitlachen of van me schrikken."
Dit verbaast me. Zoiets zeg je toch niet van jezelf? Toch?
"Wie zegt dat?"
"Frederik," antwoordt de jongen verlegen.
"Wie is dat?"
"Mijn voogd en beste vriend," mompelt de jongen, alsof hij dat heeft ingestudeerd.
"Waarom zegt hij dat?"
"Omdat het zo is."
"Dat slaat helemaal nergens op. Hij heeft ongelijk. Niemand is lelijk."
"Zeg niets over Frederik! Hij is mijn beste vriend. Hij zorgt voor me."
"Mooie vriend!"
Verontwaardigd kijkt de jongen me aan, zijn handen laat hij in een woedende beweging zakken.
Snel pak ik ze vast.
En ik bekijk zijn gezicht.
Het is verbrand en daardoor vernield. Ook zijn linkerhand voelt onnatuurlijk aan, hoewel de kleur niet veel verschilt van zijn rechter.
Maar zijn gezicht heeft een mooie vorm, zijn haar is mooi, hoewel er niets op zijn slapen groei en zijn haargrens hoger zit dan normaal.
En zijn ogen zijn levendig, nieuwsgierig en vrolijk, maar ook serieus, bewust van zijn uiterlijk.
"Je bent niet lelijk," fluister ik. "Als ik door je verbrande huid heen kijk, zie ik een knap iemand."

Frederik
Daar staat Maron, recht tegenover een meisje, dat zijn handen vast houdt.
Maron lijkt boos, het meisje verbaasd.
Ze praten. Maron kortaf, het meisje vriendelijk, overtuigd.
Zou hij alles wat ik hem heb verteld vergeten zijn? Zou hij zich laten gaan voor even een moment met een meisje?
Boos been ik op hen af.
Als ze mijn voetstappen hoort laat het meisje Maron los en draait zich om.
Dan sta ik stil. Haar schoonheid overweldigt me en laat me al mijn kuise gedachten vergeten. Als ik haar zou mogen begeren, dan zou ik eeuwig gelukkig zijn.
Ik schud mijn hoofd heen en weer. Waar haal ik dat nu vandaan?
Ik beheers me, hoewel mijn hersenen lijken te krioelen in mijn hoofd en de door mijn celibataire leefwijze en opleiding opgeprikte vlinders in mijn buik los proberen te komen.
Ik trek mijn gezicht weer in de plooi en loop verder.
"Maron," zeg ik bestraffend. "Ben je al mijn lessen vergeten? Ben je vergeten wat ik je verteld heb, over je uiterlijk, over de idealen van een medewerker God?"
Maron zakt op zijn knieën en buigt beschaamt zijn hoofd.
Maar het meisje trekt hem vriendelijk overeind en wendt zich dan tot mij. Ze stapt op me toe en kijkt me uitdagend aan. "Ben jij Frederik? Ben jij die man waar hij zo tegenop kijkt, maar die zo hard voor hem is?"
Ik frons mijn wenkbrauwen, maar antwoordt met ja.
"Besef je wel wat je hem aandoet? Hij durft niet eens met mensen te praten!" roept ze verontwaardigd uit.
"Het is Gods wil. Die is ondoorgrondelijk."
Dan pak ik Maron ruw bij zijn toga-achtige kleding en verdwijn met hem door de deur naar de vertrekken van Vader Gérard.

Philip
Elke dag praten we.
Mijn verlegenheid lijkt over. We praten over van alles en nog wat en Mirande weet overal iets van.
Mijn bewondering voor haar groeit en mijn verliefdheid ook. Ik zou niet meer zonder haar kunnen.
Maar vandaag lijkt ze me wat afwezig.
Ik vraag haar ernaar en plotseling stort ze er een heel verhaal uit. Ze heeft in een katholieke kerk een jongen ontmoet (help!). Maar hij werd heel erg onder de duim gehouden door zijn voogd.
"En nu heb ik het gevoel dat ik hem moet helpen?"
"Is hij knap?" vraag ik voorzichtig.
"Ja. Ja, heel erg. Maar op zijn manier. En hij is ook heel lief verlegen en vriendelijk." Mirande kijkt doelloos in de verte.
Ik zucht. Lang dacht ik een kans te maken, maar tegen zo'n knappe jongen kan ik waarschijnlijk niet op.
Mark misschien, ik niet.
Mirande kijkt verbaasd op als ze me hoort zuchten. "Wat?"
Ze kijkt me lang aan. Ik heb het gevoel of ze alles over me leest in en achter mijn ogen.
Dan glimlacht ze. "Wees maar niet bang. Ik voel niets dan medelijden voor hem."
De bel gaat.
Mirande staat op, stapelt haar geschiedenisboeken en -schrift en trekt haar diskette uit de computer voor mij. Ze wil weglopen, maar bedenkt zich.
"Ga na school maar met mij mee. Dan kun je hem zien."
Als ze ziet dat ik aarzel, zegt ze: "Afgesproken. Na het negende uur bij het hek," en loopt weg.

Maron
De wereld leek een sprookje.
Een mooi meisje dat mij aansprak. Mijn handen vasthield en zei dat ik knap was.
Maar toen kwam Frederik.
En hij was boos, zoals hij nog nooit geweest was.
Of ik alles vergeten was. Dat vroeg hij twintig keer.
En dat ik aan mijn kuisheid moest denken, me niet mocht verlagen tot het niveau van de normale mens.
Ik heb geluisterd. Meer niet.
Het meisje heeft de betovering verbroken.
Frederik dringt niet meer door tot mijn hart. Hij is half van zijn voetstuk gestoten.
Na zijn preek ben ik voor de spiegel gaan staan. Heel langzaam heb ik mijn hele lichaam bekeken. Voor het grootste deel verbrand door de hete olie, die mijn moeder, volgens tante An, Frederiks moeder, over mij heen had gegoten.
Maar normaal, zoals ieder mens.
Langzaam vormt zich een plan in mijn hoofd.
Ik ga er vandoor.
Ik wil de wereld zien, vrijheid proeven. Al is het maar voor een dag.
Het meisje zien, fluistert een stemmetje in mijn hoofd erachter aan.
Volgende week komt ze weer.
Dan is mijn tijd gekomen.

Mirande
Hij stond op me te wachten.
Eerst hij in de vorm van Philip.
Toen de jongen uit de kerk, Maron, geloof ik.
Ik zag een vlaag van geruststelling in Philips ogen, maar die maakte plaats voor medelijden.
Gelukkig. Als de vreugde, voldaanheid was geworden had ik hem een mep verkocht.
Hoewel ik dat niet wilde. Niet bij Philip.
Maron verbaast me. Hij stapt op me af en geeft me voorzichtig een hand. Dan kijkt hij vertwijfelt naar Philip, die nog in de deuropening staat.
"Hij.?"
"Hij is een vriend. Hij zal niets doen, hij is alleen mee, voor de gezelligheid."
"Gezelligheid?" Maron kijkt me niet-begrijpend aan.
Philip fronst zijn wenkbrauwen, maar ik blijf geduldig. "Fijn samen zijn en leuke dingen doen en gezellig praten," leg ik hem uit.
Maron knikt. "Oké, dan doen we dat. Maar wel buiten."
Ik sper mijn ogen wijd open. "Maar dat mag je toch niet," roep ik uit.
Maron haalt zijn schouder op. "Voor een keertje." mompelt hij, getemperd door mijn reactie.
"Tuurlijk! Leuk!" zeg ik blij. "Philip en ik nemen je wel mee de stad in.
Gezellig." En ik sla mijn arm om zijn schouder en neem hem mee naar buiten.

Frederik
Hij was weg! Helemaal weg. Nergens te vinden.
Ik zak op een kerkbank en buig mijn hoofd voor de heilige Maagd. Ik prevel een gebedje en zak dan weer weg in gepeins.
Waar was Maron? Hoe kon hij er nu zomaar vandoor zijn?
Ik had hem toch goed genoeg bewerkt.
Meteen kwam het meisje in mijn gedachten. Misschien had zij met haar wonderlijke verschijning ook Maron betoverd.
Zoals ze mij betoverd had.
Elke avond, in het donker, spookt ze door mijn hoofd.
Ik verdrink in haar felle ogen, voel haar mooie lippen, streel haar licht gekleurde huid.
's Ochtends voel ik me beschaamd. Ik wordt priester, later hopelijk zelfs meer.
En nu ben ik gevallen voor een vrouw.
Voor iemand van het zwakkere geslacht, een onderdanig persoon.
Een meisje van 16!
Maar een bijzonder kind.

Philip
Ik geef het niet graag toe, maar het was gezellig.
De jongen bleek Maron te heten en we hebben hem de hele stad laten zien.
En hij vond alles prachtig. De hele wereld was nieuw en bijzonder.
De neonreclame weerkaatste in zijn glimmende ogen, hij lachte om mijn mopjes uit het jaar nul en vond zelfs de chocolademelk van café Hapdéslik lekker.
Hij vond het ook niet erg dat mensen naar hem keken. Niemand lachte hem uit of schrok zichtbaar van hem, zoals die Frederik voorspeld had.
Waarschijnlijk heeft zijn beeld van deze gast een dikke deuk opgelopen.
Maron vond het erg jammer toen het donker werd en Mirande aankondigde dat het tijd werd om naar huis te gaan.
Voor de kerk hebben we afgesproken volgende week weer op stap te gaan. Dan zouden we misschien zelfs wat afspreken met klasgenoten, zodat hij meer mensen zou leren kennen.
Nu breng ik Mirande naar huis.
Zij aan zij fietsen we door de donkere straten.
Haar haar glanst in het lantaarnlicht en haar ogen staan vrolijk.
"Wat een leuke jongen is dat, die Maron," begin ik.
"Ja, hè?!" gaat ze er enthousiast op in. "Geweldig gewoon. Echt een schat."
"Hoe een schat?" floept er bij mij uit.
Verbaasd trapt Mirande op de rem. Piepend stopt ze.
Ik rem en keer, zodat ik tegenover haar sta.

Maron
Het leven was weer even een sprookje.
Mirande en Philip zijn geweldig. Ik heb nog nooit zoveel plezier gehad.
In een roes stap ik de kerk binnen.
De oorvijg van Frederik komt als een koude douche.
"Waarom," brult hij.
Gelukkig is Vader Gérard een week naar een congres in Italië!
"Waarom ben je er vandoor gegaan met die heks? Waarom onderwerp je je niet aan de wil van God? Aan mij?"
Ik krimp in elkaar om de slagen van Frederik te ontwijken. Ik heb hem nog nooit zo boos gezien. Wat is er toch?
"Ik voelde dat mijn tijd was gekomen," fluister ik.
"Dat bepaal ik wel! Nu naar je kamer!"
Frederik jaagt me naar mijn kamer en zakt daar in elkaar op mijn bed.
"Het spijt me, Maron, maar ik wil je beschermen tegen de buitenwereld. Tegen haar."
"Tegen Mirande? Waarom?"
"Ze heeft me betoverd. Ieder moment spookt ze door mijn gedachten. Door mijn gedachten! Door het hoofd van een sobere bijna-priester. Alleen een heks waagt dat te doen."
Ik zie haat en liefde voor Mirande in Frederiks ogen vlammen.
"We moeten haar uitschakelen, voor ze te gevaarlijk wordt!"
Mirande uitschakelen? Wat bedoelt hij?
Frederik ziet mijn verwilderde blik en legt uit: "We moeten haar doden."
Nee! schreeuwt het in mijn hoofd.
"Binnenkort," vervolgt Frederik.
Nee!

Mirande
Daar staan we dan. In het donker, bijna midden op de weg. Recht tegenover elkaar, met een voelbare spanning tussen ons in.
"Hoezo hoe een schat?"
Philip schuifelt verlegen met zijn voet over de grond. "Oh. Hum. Nu., eigenlijk."
"Hou maar op, het is al duidelijk."
Ik ga op mijn zadel zitten en zet mijn voet op de trapper, klaar om weg te rijden.
"Je bent jaloers."
Philip kijkt verschrikt op.
"Omdat Maron zoveel aandacht krijgt. Omdat hij zo onschuldig is, zo vrolijk.
En je bent blij dat jij niet zo verbrand bent als die arme jongen. Dat jij geen moeder had die woedeaanvallen had."
Philip fronst zijn wenkbrauwen en schudt dan driftig nee. "Nee, zo is het niet."
Maar ik trap weg. Philip voorbij.Hij blijft verbaasd achter.
Heb ik zo wel goed gehandeld, vraag ik me een paar straten verderop af.
Wat als hij het zo niet bedoelde?
Ik pijnig mijn hersenen, tot me te binnen schiet dat., .dat hij ook wel eens verliefd op mijn zou kunnen zijn.
Dat die verlegenheid van hem niet alleen aangeboren was, maar ook omdat ik een meisje was. Een leuk meisje voor hem.
Ik keer onmiddellijk en fiets terug, maar Philip is natuurlijk al verdwenen.

Frederik
Er stond zomaar een jongen voor de deur waarachter Maron en ik praten.
Ik vraag me af wat hij gehoord heeft, maar aan zijn gezicht te zien niets.
Hij staat naar het beeld van de heilige Maagd te staren.
"Kan ik je helpen, jongeman?"
"Nee," antwoordt hij. "Ik kijk wat."
Ik haal mijn schouders op, groet Maron en loopt weg.
Als ik me bij de uitgang nog even omdraai, praat de jongen tegen Maron.
Zouden ze elkaar kennen?

Buitengekomen stap ik tevreden in mijn auto.
Binnen enkele dagen zal ik van het meisje dat me in bezit genomen heeft af zijn.
Maar hoe?
En hoe kan ik de schuld op Maron schuiven?
Oh, wat een gemene gedachte.
Ik zend een gebedje naar de hemel, maar pieker daarna rustig verder. (Waar zijn mijn zedige waarden en normen gebleven?)
Het zal een straf voor Maron zijn. Enkele jaren opgesloten zitten zal zijn ziel zuiveren van het kwaad en hem als een geslagen hond bij mij terug brengen. En dan kunnen we zijn opleiding voltooien.

Philip
Ik heb haar de hele vrijdag ontweken.
En de maandag erna ook.
Maar we hadden dinsdag het op een na laatste uur geschiedenis. En toen moest ik wel.
We hebben in stilte aan ons project gewerkt.
Tot de laatste vijf minuten.
"Waarom ontwijk je me?" fluistert ze.
"Waarom beschuldig je me van dingen die ik nooit zou doen?" stel ik een wedervraag.
"Sorry, het spijt me. Ik realiseerde me te laat wat ik gezegd had."
Het is weer even stil.
"Ik ga straks naar Maron. Even gedag zeggen. Ga je mee?"
"Nee, sorry, ik moet naar pianoles."
"Pianoles?" Mirande kijkt me met grote ogen aan. "Ik wist helemaal niet dat je piano speelde!"
"Je bent de eerste," mompel ik.
"Leuk, joh, ik speel wat viool!"
De bel onderbreekt ons gesprek.
"Nou, ik zie je morgen wel weer. Doei!" En Mirande verdween. Haar dag zit erop.
Te laat bedacht ik waar ze heen ging.

Maron
Hij wil haar doden.
Frederik wil Mirande doden.
Het meisje dat mijn wereld kleur heeft gegeven.
Mirande, op wie ik verliefd ben. Voor zover ik het gevoel dat ik voor haar heb kan verklaren als de verliefdheid, waar ze het in boeken over hebben.
Hij heeft mij een mes laten zien.
Een gouden lemmet, versierd met nepedelstenen.
"Dit komt haar toe," zei hij, doelend op het mooie wapen, maar ook op het dodelijke ervan.
Ik zucht. Het klinkt hol in de kerk.
Plotseling.
"Maron!"
Haar stem klinkt even hol, maar toch niet.
Ze vult de hele ruimte met haar verschijning.
"Mirande! Ga weg!" roep ik.
Ze blijft verbaasd stil staan.
"Ga weg. Hij wil je pijn doen!"
Mirande kijkt nog verbaasder.
"Wie?"
Dan daalt de steel van de bezem, waarmee ik de kerk elke dag aanveeg, op haar hoofd neer.

Mirande
Alles werd zwart.
Als ik bijkom, zitten mijn handen vast en ben ik aan het altaar voor in de kerk vastgebonden.
Mijn achterhoofd doet pijn.
Voor me doemt het gezicht van Frederik op. Een wrede glimlach speelt om zijn lippen.
"Jij kwam je vriendje opzoeken, niet?!"
Ik draai mijn hoofd weg, maar Frederik trekt me terug en dwingt me te kijken.
Op de leuning van een stoel staat Maron met een strop om zijn nek. Paniekerig probeert hij rechtop te blijven staan.
"Maron." fluister ik. "Jij., jij." Ik heb geen woorden voor Frederik.
"Wat ben ik? Zeg het maar?"
Weer probeer ik mijn hoofd af te wenden.
"Ik weet wel wat jìj bent." Hij spuwt de woorden ik mijn gezicht. "Een heks.
Een vuile zigeunerin."
Hij stopt even.
"Je hebt me betoverd."
Ik? Hem betoverd? Ik zou niet durven.
"Je spookt door mijn hoofd. Door mìjn hoofd! Door het hoofd van een bijna-priester."
"Wat? Ik snap het niet. Wat bedoel je?"
"Hij houdt van je!" roept Maron vanuit de verte. "Hij wil het niet toegeven dat hij, een priester, gevallen is voor een meisje van zestien."
"Hou je mond jij!"
Frederik springt op en holt naar de jongen toe.
Oh, die arme Maron. Hij moet doodsangsten uitstaan!

Frederik
Op het laatste moment bedenk ik me.
Nee, ik zal Maron niet doden.
Hooguit even plagen.
Pesten misschien.
Als straf voor het jarenlang parasiteren op mijn leven.
Rustig loop ik terug naar Mirande, die met afgewend hoofd tegen het altaar zit.
Voor haar kniel ik op de harde, stenen vloer.
De kou trekt door mijn hele lichaam.
Maar haar warme adem strijkt over mijn gezicht als ik haar hoofd naar me toe draai.
Dwingen plaats ik mijn lippen op de hare, zoen haar lang en hard.
Mijn handen tasten langs haar lichaam. Haar armen, haar buik, haar benen.
Mirande spartelt heftig tegen, maar het heeft geen effect.
Ik voel me oppermachtig.
Helemaal door het mes dat in een leren lemmet aan mijn riem hangt en dat mijn lusten in mijn lijf lijkt aan te vuren.
Mijn handen glijden om haar kleren en voelen haar warme lichaam.
"Kies," mompel ik, "tussen mij en het niets."
Ik kijk haar recht aan en laat haar lippen even met rust.
Ik zie haar ogen, gevuld met woede, haat misschien, maar nog steeds ondeugend, jong, levendig glimmend.
Dan haalt Mirande diep adem.
En spuugt me in mijn gezicht.

Philip
De economieleraar kijkt me verbaasd aan als ik opeens een gil geef, midden in de les.
Ik spring op, smijt mijn boeken in mijn tas en ren naar de deur.
"Waar gaan wij heen, meneer De Haan?" vraagt hij met zijn zware bromstem.
"Ik moet weg," stamel ik. "Een zaak van leven en dood. Ik haal de les morgen wel in."
De deur valt met een klap achter me dicht.
Mijn voetstappen klinken hol op de tegels.
Ik smijt mijn tas op het kluisjesplein, trek mijn jas van de kapstok en ren naar buiten.
Waar is mijn sleutel?
Ik raak in paniek als ik mijn fietssleutel niet kan vinden.
Bijna wil ik lopend op weg naar de kerk gaan, als ik 'm in de binnenzak van mijn jas voel.
Ernaast. Weer ernaast. Pas de derde keer schiet de sleutel in het slot.
Dan race ik het plein af.
Ik deed alsof, maar ik had wel degelijk gehoord wat Frederik zei.
"We moeten haar uitschakelen, voor ze te gevaarlijk wordt!"
Ik had de zin duidelijk gehoord.
Maar hij moest met zijn poten van mijn Mirande afblijven.
En anders wel van Marons Mirande.
Maar het liefst van mijne.
Alles zat tegen, alles stoplichten stonden op rood en alle auto's en fietsers en voetgangers zaten in de weg.
Toch bereik ik de kerk.
Op tijd?

Maron
Ik kon alleen toekijken.
Hoe hij aan haar zat.
Aanranding. Dat woord kende ik uit de krant.
Bedoelende ze dit?
Ik verplaats mijn voet een paar millimeter.
De strop knel om mijn hals, het touw om mijn polsen snijdt in mijn vlees.
Ik wist niet wie slechter af was, Mirande of ik.
Ik kan alleen maar bidden, hopen op redding.
Maar wie zou ons hier vinden?

De volgende momenten leken eeuwig te duren.
Tot Frederik 'klaar' was met Mirande.
Plotseling snijdt hij haar touwen door en jaagt haar weg.
Maar er liggen een paar zware stenen voor de deur, dus ze kan er niet uit.
In paniek vlucht ze terug naar het altaar, zigzaggend tussen de banken door.
Want Frederik zit haar achterna.
Hij maakt er gewoon een spelletje van!

Mirande
Ik heb geen idee waar ik heen moet.
De kerkdeur is afgesloten, Frederik zit me achterna en ik weet de weg in de kerk niet.
Ik voel de tranen over mijn wangen lopen.
Ik voel zijn handen nog steeds overal.
Ik schiet tussen de kerkbanken door, probeer aan Frederik te ontsnappen.
Uiteindelijk schiet ik een kamertje binnen.
Ik barricadeer de deur met een stoel onder de deurkruk en ren verder.
Het kamertje blijkt uit te komen op de trap. De trap de kerktoren in.
Ik zucht diep, teleurgesteld niet een achteruitgang gevonden te hebben.
Dan begin ik de klim.
Achter me hoor ik steeds zachter wordend gebonk tegen de deur.
Ik ben snel doodop, mijn benen zijn loodzwaar, maar ik moet door.
Door, door.
Helemaal, als het gebonk ophoudt.
Als er voetstappen op de stenen treden onder me klinken.

Frederik
Dit voelt goed.
Ik voel me net een god.
Uit de Griekse Oudheid.
Een jonge, wilde god, die een knappe nimf achterna zit. Ze rennen door de bossen, langs het water en het meisje raakt vermoeid. Ze smeekt hem haar met rust te laten, maar de god is onvermurwbaar.
Hij wil haar.
Zoals ik haar wil.
De jacht op de trap duurt lang.
Te lang.
Het mes danst tegen mijn been, wachtend op zijn tijd.
Maar ze raakt uitgeput.
En zo vindt ik haar, bijna boven.
Zwaar hijgend en liggend op de trap.
"Alsjeblieft, laat me met rust."
Maar ik kan mezelf niet bedwingen.
Mijn handen vinden als vanzelf hun weg over haar lichaam.
Dat geeft haar een wonderbaarlijke kracht.
Ze wringt zich los en vlucht verder omhoog.
Mijn lach weerkaatst door de toren, ik ben me bewust van de duivelse klank.
Dan ga ik haar achterna.
Boven heb ik haar weer.
Ik trek haar blouse open en zoen haar.

Philip
De deur was zwaar.
Het koste me veel moeite om 'm open te krijgen.
Als ik eindelijk door een kier naar binnen kan glippen, zie ik de stenen die net nog voor de deur lagen.
Logisch dat ik 'm niet open kreeg.
Dan zie ik Maron.
Hij staat te zwabberen op de rand van de kerkbank.
Ik ren naar hem toe, snijdt, met mijn zakmes, met vijf driftige halen het touw om zijn nek door en vang hem op, zo goed en zo kwaad als het gaat.
"Ze zijn," kreunt de jongen, "de toren in."
Meteen laat ik hem alleen en ren in de richting die Maron me wijst. Wel gooi ik hem mijn telefoon toe. "Bel het alarmnummer. Onder toets 4," roep ik, als ik zijn verbaasde gezicht zie.
Door de open deur, de trap op.
De klim is lang en zwaar, vooral met mijn tempo, dat net iets te hoog ligt voor mijn conditie.
Maar dan zie ik ze.
Frederik ligt boven op haar en zoent haar in haar nek.
Een grotere woede dan ik ooit gevoeld heb laait in me op. Met al mijn kracht schop ik Frederik in zijn zijde, zodat hij van Mirande afrolt.
Meteen spring ik op haar, om haar te beschermen.
In een flits zie ik iets het zonlicht weerkaatsten.
Een mes! Hij heeft een mes.
Ik hoor Mirande snikken.
Ik ruik mijn angstzweet.
Voor me doemt Frederik op, het mes in de aanslag.
Als een kat in het nauw zak ik door mijn knieën, klaar voor de aanval.
Dan voel ik de punt van het mes op mijn schouder.
Ik spring omhoog.

Maron
Het is voorbij.
Het licht van de zwaailichten van de politieauto's en ambulance weerkaatste tegen de buitenmuren van de kerk en de huizen rondom.
Ik zit met een deken om mijn schouders tegen de muur.
Recht voor me ligt Frederik.
Op een brancard.
Onder een wit laken.
Op de plaats waar zijn hoofd ligt, is het laken rood gekleurd.
Hij heeft de val van de toren niet overleefd.
Hij zal nooit priester worden.
Ik vraag me zelfs af of hij in Gods hemelse koninkrijk wordt opgenomen.
Ik ben ik ieder geval vrij.
Vrij van alles.
Vrij van Frederik.

Mirande
Het is voorbij.
Ik zal dit nooit vergeten, hoe graag ik het ook wil.
Frederik, Philip en ik, boven op de kerktoren.
De wind, die om ons heen draait.
Alsof wij de enigen op aarde zijn.
Dan.
Philips sprong.
Frederik die zijn evenwicht verliest en over de balustrade tuimelt.
De diepte in.
Het mes met gouden, versierd heft dat in Philips schouder steekt.
Het bloed dat zijn shirt kleurt.
Zijn hand die mij overeind trekt, zijn armen die mijn troostend omhelzen.
"Nu is alles voorbij," fluisterde hij in mijn oren.
"Hoe." fluisterde ik.
"Ik had hem met Maron horen praten," leg ik uit.
"Het spijt me dat ik je verdacht. Van die, euh, dingen."
"Het is goed. Je had wel gelijk, ik was jaloers. Op Maron. Op de aandacht die je hem gaf."
"Sorry. Ik heb er niet bij nagedacht."
We zijn even stil.
Dan vinden onze lippen elkaar en proef ik een echte zoen.
Voorzichtig gleden mijn handen over zijn schouders en trokken het mes eruit.

Philip
Het is voorbij.
De pijn nog niet.
Mijn schouder is dik ingepakt met verband, dat al een rode vlek begint te vertonen.
Maar Mirande leunt tegen mijn andere schouder.
Mijn angst om haar, mijn jaloezie jegens Maron, mijn argwaan voor Frederik.
Allemaal voorbij, haast verdwenen als sneeuw voor de zon.
Met Frederik.
Hij is dood, Maron is vrij en Mirande is van mij.


Je kunt je reactie op het verhaal direct naar Rianne sturen: rcwijmenga@zonnet.nl

Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren, en je illustraties aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben plezier van onze verhalen.
Dus doe mee !!


omhoog    home