Krullemientje en de toverfeeksen
door Birgit Douma
Er was eens een meisje met allemaal krullen. Zij heette Krullemientje.
Krullemientje woonde in een stad waar alles keurig geregeld was. De
huizen stonden in rijtjes en ze hadden allemaal een tuin. De mensen
zorgden dat hun tuin er netjes uitzag. En de gemeente zorgde dat de
straten er picobello bij lagen. Echt een keurig stadje. Je kon er nooit
de weg kwijt raken, want alles was duidelijk aangegeven. Er stonden
straatnaambordjes en er waren plattegronden. En als je daar niet wijs
uit werd, dan kon je een stadsbewoner vragen. Je kreeg altijd het goede
antwoord. Krullemientje woonde al jaren in dat stadje. Ze wist precies
hoe het eraan toeging in de stad en deed er vrolijk aan mee. Iedereen
wist precies hoe de wereld in elkaar zat en ze hielpen elkaar altijd.
Krullemientje was er best gelukkig.
Maar op een dag werd Krullemientje 's morgens wakker en ze voelde
zich een beetje ontevreden. Van haar moeder had ze geleerd altijd
lachend op te staan en vrolijk aan de dag te beginnen. Maar die dag
had Krullemientje er geen zin in. Ze had er genoeg van. Al dat gelach
en gedoe de hele tijd. Haar kaken deden er pijn van. En ze kreeg ook
al rimpels bij haar ogen. Lachrimpels noemde haar moeder die dingen.
Nou, ze leek er alleen maar oud door.
"Weet je wat", dacht Krullemientje, "ik ga vandaag
eens niet naar school". Bij de gedachte alleen al, ging ze blozen
van schrik. Pfiieeuw, dat had nog nooit iemand gedaan. Gewoon niet
naar school gaan. Dat was wel heel verschrikkelijk. En helemaal niet
keurig. "Weet je wat", dacht Krullemientje daarna, "ik
ga naar dat grote, wilde woud. Ja, daar ga ik vandaag naartoe."
Zo gezegd, zo gedaan. Nou ja, ze had het alleen maar gedacht, want
ze had het haar moeder maar niet verteld. Stel je voor. Die zou van
ontzetting op slag helemaal grijs worden. Nee, Krullemientje at gewoon
haar boterham, pakte haar tas op en ging de deur uit, alsof ze naar
school ging.
Maar in plaats van naar school ging Krullemientje naar het wonderlijke
woud. Daar was ze nog nooit geweest. De mensen uit de stad waren er
een beetje bang van. Iedereen zei altijd dat je daar niet moest komen.
Daar waren geen naambordjes meer en ook geen plattegronden. Daar raakte
je de weg kwijt en wat dan?? Er waren daar helemaal geen mensen die
je de weg konden vertellen. Alleen maar beesten. Misschien wel hele
enge beesten, die bijten enzo.
Onderweg naar het woud dacht Krullemientje na. Waarom was ze vanmorgen
zo ontevreden wakker geworden? Ze had geen rare droom gehad. En alles
was gewoon hetzelfde als altijd.
"Misschien is dat het wel", dacht Krullemientje, "misschien
wil ik wel eens wat anders. Maar wat dan? Wat is dat eigenlijk 'wat
anders'." Krullemientje kende alleen maar de dingen uit het stadje.
Iedereen deed het zo, zo hetzelfde. Krullemientje dacht wat verder
na en stond toen plotseling stil. Ze schrok van haar eigen gedachten.
Ze keek om zich heen en zag dat ze bij de rand van het grote boze
bos aangekomen was. "Jeetje", dacht Krullemientje, "als
iedereen hetzelfde doet, en ik doe dat ook, wie ben ik dan eigenlijk?"
Ze deed nog een paar stappen en ging het bos in, terwijl ze voor zichzelf
herhaalde 'wie ben ik eigenlijk?'.
En ineens was ze de weg kwijt. Ze draaide zich om, want daar kwam
ze vandaan, daar lag het stadje. Maar achter zich zag ze alleen maar
bomen en struiken. "He", dacht ze, "vergis ik me nu?"
Ze draaide nog een stukje verder om. Dan moet daar het pad naar het
stadje liggen. Maar nee hoor, ook daar waren alleen maar bomen en
struiken. Ze schrok. "Ooo", dacht ze, "ze hebben me
nog zo gezegd om niet naar dit wazige woud te gaan. Ze hebben me wel
honderd keer verteld dat ik hier de weg kwijt raak, en wat doe ik?
Ik doe het toch." Ze kreeg tranen in haar ogen van spijt. Kon
ze maar weer gewoon terug gaan naar huis of desnoods naar school.
Kon ze maar gewoon tegen haar mammie aanzitten en lachrimpeltjes kweken.
"Niet de moed verliezen", dacht ze bij zichzelf, "ik
red me wel." En met ferme pas ging ze lopen. Richting het stadje.
Tenminste waar zij dacht dat het stadje was. Ze liep een paar minuten,
maar de keienweg naar het stadje was nog steeds niet in zicht. "Ik
heb me vast vergist", dacht ze, "en ging linksaf om een
eik en liep een stuk in die richting." Nog steeds geen weg in
zicht. Toen herinnerde ze zich ineens iets over je oriënteren
met behulp van de zon. Het was ochtend, dus de zon stond in het oosten.
En ze was zonet de stad uitgelopen met de zon in haar gezicht. Dus
als ze nu maar zorgde dat de zon op haar rug scheen terwijl ze liep,
dan kwam het uiteindelijk vast wel goed. Ze keek naar boven, of ze
de zon kon zien. Maar ze zag alleen maar bladeren en takken. Heel
veel bladeren en takken. Heel dichtbij, maar ook heel hoog. En ze
realiseerde zich dat het ook best donker was in dit weerbarstige woud.
Eigenlijk werd het steeds donkerder. Ze deed haar ogen wijd open,
misschien hielp dat wel. Maar nee, het bleef net zo donker. Krullemientje
begon zich nu wel een beetje klein te voelen in het grote woud. Haar
krulletjes krompen ineen en haar mondhoeken gingen naar beneden hangen.
"Ooo", dacht ze, "nu weet ik niet meer WIE ik ben
en ik weet al helemaal niet WAAR ik ben. Ooo, ik ben de weg kwijt."
Ze legde haar schooltasje neer op het mos en ging erop zitten. Zo
zou haar rokje niet vies worden. Een verstandig, keurig meisje als
Krullemientje was, ging ze niet zitten huilen. Dat hielp toch niet.
Er was immers niemand die haar zou kunnen troosten. Ze moest en ze
zou een oplossing vinden. Dat zeiden de mensen in het stadje toch
ook altijd? Als je het maar systematisch aanpakte, dan kwam er altijd
een oplossing. "OK", dacht Krullemientje, "ik ga het
systeem zoeken in dit banale bos, dan vind ik de uitweg wel."
Ze keek om zich heen. Ze zag bladeren, takken, bomen, stronken, struiken,
planten, kruipende beestjes, vliegbeestjes, sprietjes, zwammen, en
nog veel meer. Alles lag, liep, groeide, vloog en zat dwars door elkaar.
Met alle wil van de wereld kon Krullemientje er geen systeem in ontdekken.
Ze begon een beetje de moed te verliezen. Als er geen systeem was,
was er dan ook geen uitweg? Dat ze dan niet wist WIE ze was, OK, maar
dat ze ook niet wist WAAR ze was en daarenboven dat ze niet wist HOE
ze hier weer uit kwam, dat was veel erger. Ze voelde zich steeds kleiner
worden en het woeste woud werd steeds groter. En opeens, zonder dat
ze het kon tegenhouden, begon ze te snikken. Ze rolde door het gras
en het mos en hikte en snikte. Ze was echt helemaal de weg kwijt.
"Oh mama, wat moet ik nu?"
En terwijl ze daar lag te huilen en te jammeren kwamen er steeds
meer nieuwsgierige beesten kijken. "Wat lag daar voor raar wezen
kabaal te maken?" "Wat een rare huid had dat wezen."
"Dat was vast geen bosbeest." Opeens was er een windvlaag
en drong er een zonnestraal door tot de plek in het bos waar Krullemientje
lag te snuffen. Ze merkte het, en terwijl ze nog met haar gezicht
in het gras lag, rook ze een lekker luchtje. "Hoera!", dacht
Krullemientje, "daar is vast een stadsbewoner die mij kan helpen.
Ik ben gered!" En ze sprong op. Maar ze zag helemaal geen stadsbewoner.
Ze zag twee vlekken. Een rode en een groene. Ze wreef met haar vuisten
in haar ogen en zag dat de vlekken wat duidelijker werden. Er zaten
uitsteeksels aan. Ze veegde de laatste tranen uit haar ogen en zag
de twee vlekken toen heel duidelijk. Het waren twee wezens. Twee vrouwwezens.
Met lange jurken en geen voeten. Met korte haren en vriendelijke ogen.
Ze vond het maar rare figuren, maar ze zagen aardig uit. Behulpzaam,
zoals de stadsbewoners. Dus ze was niet bang. "Dag mevrouwen",
ze Krullemientje vriendelijk, netjes opgevoed als ze was. Altijd met
twee woorden spreken, dat was er goed ingeprent.
Ineens werd het donkerder. De zon verdween en de rode jurk werd donkerpaars
en de groene jurk werd bijna bruin. De ogen van de mevrouwen bliksemden
en hun haren staken priemend in de lucht. Krullemientje schrok zich
wild. "Watwatwat? Had ze iets verkeerd gedaan?" Ze kroop
in elkaar en probeerde zich achter de bosjes te verschuilen. De beesten
zaten nog altijd te kijken. Die giechelden een beetje. Krullemientje
keek naar de bosbeesten en snapte er niets van. "Waren die dieren
dan niet bang voor die twee heksen?" Een wollig konijntje huppelde
naar het paarse wezen toe en sprong omhoog. De paarse heks kietelde
het beestje achter zijn oor en glimlachte. En haar jurk werd weer
rood en haar haren zakten weer in het vriendelijke model.
"Dag klein meisje", zei het groenbruine gewaad. De stem
klonk als de donder, maar vervolgde daarna vriendelijk: "wat
doe je hier zo alleen in het wijze woud?" De jurk werd heldergroen
en ook haar haren gingen weer in het watergolfmodel. "Wie, wie
zijn jullie", stamelde Krullemientje, "zijn jullie heksen?"
Ze schrok zelf van haar onbeleefde woorden. "O,o, stel dat het
echt heksen waren, dan waren nu haar dagen geteld." Snel zei
ze er achteraan: "Nee, jullie zijn natuurlijk van die lieve toverfeeën."
"Hihi", giechelden de twee. Wat een onwetend meisje. "Nee,
meisje, wij zijn toverfeeksen. Wij zijn goed en slecht. Net hoe het
uitkomt. Net zoals alles goed en slecht is, groot en klein, mooi en
lelijk. Net zoals jij dom en slim bent." "Ik ben niet dom",
zei Krullemientje verontwaardigd, "ik ben hartstikke slim. Ik
haal de beste cijfers van de klas, hoor." De toverfeeksen schudden
hun hoofd een beetje en glimlachten.
"Zeg meisje, je hebt mijn vraag nog niet beantwoord. Wat doe
je hier zo alleen?" "Ik ben een beetje de weg kwijt",
zei Krullemientje, "kunnen jullie mij de weg vertellen?"
"Waar wil je dan heen?", vroeg de rode feeks. "Terug
naar het stadje." "Maar waarom wil je terug naar het stadje?
Vind je het hier niet leuk, dan?" Daar had Krullemientje nog
niet over nagedacht. Tja, wat vond ze er eigenlijk van? Ze had in
haar paniek dat ze de weg kwijt was, helemaal niet goed gekeken naar
waar ze was. Voorzichtig keek ze rond. Ja, die bomen en struiken en
planten en dieren, die had ze al eerder gezien. Toen leken ze heel
onheilspellend. Nu ze wat beter keek, zag ze ook dat er lieve en mooie
dingen te zien waren. Op de boomstammen groeiden kleine bloempjes.
De eekhoorntjes sprongen dwaas van tak naar tak, omhoog en weer omlaag.
Als ze helemaal omhoog keek, zag ze door al die bladeren heen kleine
stukjes blauwe lucht. En de zonnestralen priemden er tussendoor en
waren heel mooi om te zien.
"Eh", zei Krullemientje, "ik heb eigenlijk nog niet
goed rondgekeken in dit bos." "Zullen wij jou een rondleiding
geven", zei de rode toverfeeks. "Dat lijkt me wel leuk",
zei Krullemientje, "maar ook wel een beetje eng. Enne, ik moet
om vijf uur weer thuis zijn, hoor", zei ze er voor de zekerheid
achteraan. Stel je voor dat ze heel diep het woud in zouden gaan,
en de toverkollen lieten haar alleen, dan was ze nog verder van huis.
Weer glimlachten de feeksen. Die Krullemientje, dat was nog eens een
eigenwijs kind.
De toverfeeksen namen Krullemientje bij de hand en met z'n drieën
liepen ze verder het wetende woud in. "Zeg Krullemientje",
zei een van de feeksen, "vertel ons eens een verhaaltje."
En Krullemientje vertelde het sprookje van Roodkapje en de boze wolf.
"Zeg Krullemientje", vroeg de andere feeks, "vertel
ons eens wat je later allemaal wilt gaan doen en hebben." En
Krullemientje somde op wat ze allemaal voor haar verjaardag wilde
hebben en waarheen ze zou willen met vakantie. Ondertussen liepen
ze gezellig met z'n drieën door het bos. De feeksen wezen aan
waar mooie bomen stonden. Soms lieten ze Krullemientje stilstaan en
haar ogen sluiten. "Ruik eens goed, meisje, waaraan doet dat
je denken?" En ze wezen Krullemientje ook op de gevaren van het
wilde woud. "Maar het belangrijkste, Krullemientje, is dat jij
zelf blijft opletten", zeiden de twee toverfeeksen in koor.
Plotseling waren ze weg. Krullemientje keek verbaasd om zich heen.
Waar waren die twee jurken nou gebleven? Zo snel kon niemand lopen.
Ze waren vast omhoog gesprongen. Ze keek omhoog, maar zag alleen de
bladeren en takken. "Potverdorie", dacht Krullemientje,
"nu hebben ze het me toch geflikt. En ik heb nog zo gezegd dat
ik om vijf uur thuis moest zijn." Boos schopte ze tegen een boomstam
aan. En ze stampte van woede. De planten werden er helemaal plat van.
Ze hoorde een zacht geluid, maar ze besteedde er geen aandacht aan,
zo boos was ze. Ze schopte nog eens hard tegen de boom, zo hard dat
haar schoenen ervan beschadigden. "Au, jij kleine rotmeid",
hoorde ze ineens. "Aha", dacht Krullemientje, "daar
zijn ze weer." Maar ze zag de gekleurde jurken niet. "Wil
jij wel eens wat meer respect voor ons tonen", hoorde ze zeggen.
"Wie zegt dat nou", dacht Krullemientje, "wat is hier
aan de hand?" Klap, pats, knal, daar werd ze opeens van alle
kanten op haar billen en haar hoofd gemept. Boze takken met bladeren
vlogen in het rond. Allerlei dieren stonden grommend om haar heen,
klaar om aan te vallen. "Oooo, die beesten bijten dus toch",
dacht Krullemientje in paniek. Ze werd bij haar middel gegrepen en
realiseerde zich dat de boom die ze zo nijdig had staan schoppen haar
optilde. "Oh nee hè, dat bestaat toch alleen maar in de
boekjes", gilde ze. "Heeeeelllllpp", schreeuwde ze,
"laat me los, laat me gaan!" En de boom liet haar weer vallen,
pats voorover in de modder. "Oh nee", dacht Krullemientje,
"nou zijn m'n kleren ook nog naar de Filistijnen. Nou, kom dan
ook maar met de rest. Erger kan het niet worden." Uitdagend stond
ze op en stak haar handen in haar zij. "Wie denken jullie wel
dat jullie zijn, om mij zo te behandelen?", zei ze hard. Ze hoorde
een gek geluid, een beetje een gesmoord gekreun. "Hé,
ik heb het tegen jullie hoor", riep ze. "Pgggg, mmiiihhi",
hoorde ze zachtjes en toen, "hihihi, HAHAHA." Steeds harder
hoorde ze lachen. Alles lachte, de bomen, de planten, alle dieren.
Ze lagen helemaal dubbel. Het was een komisch gezicht. Konijnen die
schaterlachend op hun rug lagen te rollen in het gras. Bomen die met
hun kruinen tegen de grond aan stonden te schudden van de lach. Grassprieten
die giechelend in elkaar draaiden. Ze moest er zelf ook wel een beetje
om lachen, die Krullemientje. Ja, ze voelde zich ook wel een beetje
voor aap staan, zo met haar onbeholpen houding en bemodderde gezicht.
"Wat kan ik me toch aanstellen", dacht ze. "Sorry,
dat ik jullie pijn gedaan heb. Zijn jullie nog boos op me?",
zei ze zachtjes. "Nee hoor, lieve meis", zei de knoestige
boom met zware stem, "wij kunnen wel tegen een stootje. Maar
waarom laat jij je alsmaar uit het veld slaan?", vroeg hij aan
Krullemientje. "Is dat zo", dacht Krullemientje, "ben
ik zo'n onevenwichtig tiepje?" "Ik weet het niet, boom",
zei ze. "Weet je", zei de boom, "je hoeft niet alles
te weten. Wie je bent, waar je bent, hoe je er komt. Wat belangrijker
is, is dat je gewoon kijkt en ziet. En misschien vind je het nog wel
leuk ook, wat je allemaal ziet." "Ja maar", zei Krullemientje,
terwijl ze dacht aan wat ze altijd had geleerd in het stadje, "alles
moet toch duidelijk zijn en een doel hebben enzo?" De boom zweeg.
De toverfeeksen kwamen aanwandelen. "Zeg Krullemientje",
zeiden ze, "vertel ons eens, hoe vond je het vandaag hier in
het wilde woud? Heb je nog wat meegemaakt?" "Jaaha",
dacht Krullemientje, "zoveel als ik vandaag beleefd heb, heb
ik in mijn hele leven bij elkaar nog niet meegemaakt. En het loopt
telkens nog goed af ook." "Krullemientje", vroeg de
groene feeks, "wist je vantevoren wat er allemaal zou gaan gebeuren
vandaag?" "Nee", zei Krullemientje. "En Krullemientje,
voel je je nog net zo ontevreden als vanmorgen." "Nee",
zei Krullemientje, "ik ben eigenlijk heel opgewonden. Zoveel
avonturen als vandaag heb ik nog nooit beleefd. Ik heb zelfs op school
nog nooit zoveel geleerd over het waanzinnige woud en alles wat daarin
leeft." "Ben je dan tevreden, Krullemientje", vroeg
de rode toverfeeks. "Ja", zei Krullemientje, "ik heb
het hier eigenlijk heel goed naar mijn zin. Weet je wat", jubelde
ze toen ineens, "ik ga gewoon elke ochtend een wandelingetje
maken in dit buitenissige bos. Wie weet wat ik nog meer te zien krijg!"
Ze greep de toverfeeksen bij de hand en met z'n drieën maakten
ze een rondedansje. "Meisje", zongen de feeën, "hou
je ogen en je oren open, kijk en luister, zie en hoor, en ga zo zingend
en dansend het leven door" (dat rijmt).
Ze dansten in het rond en Krullemientje sloot van plezier haar ogen.
Ze voelde zich zo licht, dat ze zelfs de handen van de toverfeeksen
niet meer voelde. Ze opende haar ogen en tot haar stomme verbazing
stond ze op de keienweg naar het stadje. "De wereld zit vol verrassingen",
zei ze hardop. Huppelend ging ze terug naar het stadje, terwijl de
zon in haar gezicht scheen. En of ze nog lang en gelukkig leefde weten
wij niet, maar ze heeft in ieder geval de raad van de toverfeeksen
opgevolgd.
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home