De kaars die dacht nooit op te branden
door Leo Versnel
In de kaarsenmakerij hadden ze naast elkaar gehangen. Karel Kaars
en Koen Kaars. Samen waren ze heel vaak ondergedompeld in dat akelig,
hete spul. Toen ze vaak genoeg hun voeten lelijk hadden verbrand waren
ze allebei door de kaarsenmaker dik genoeg bevonden om in een doos
te worden gestopt. En daar lagen ze nu. Onder hen nog drie kaarsen.
Die kenden ze geen van tweeën. Die kwamen uit een ander bad! Naast
hen nog een kaars. Hoe die in hun doos was gekomen, daar snapten ze
allebei niks van! Zo'n mager, dun kaarsje had toch nooit verkocht
mogen worden! En in hun doos hoorde dat scharminkel toch zeker niet!
Dat magere kaarsje had ook nog heel veel praatjes! "Ik mag dan niet
zo dik zijn!", riep die opschepper elk half uur, "maar ik ben dan
toch maar mooi een kaars, die nooit op kan branden!". Daar geloofden
de andere kaarsen geen woord van! Dat kon toch helemaal niet! Elke
fatsoenlijke kaars hoorde nou eenmaal op te branden! Anders was het
helemaal geen kaars! "Lelijke opschepper!", zo scholden ze dat magere
kaarsje uit. Die praatjesmaker! Heel lang lag de doos met de zes kaarsjes
in de winkel.
Maar tegen de Kerstdagen gebeurde het dan toch! Er kwam een mevrouw
de winkel binnen. Ze nam een paar doosjes met kaarsen in haar hand.
Toen pakte ze de doos met onze kaarsen in haar handen. "Dat zijn mooie,
witte kaarsen!", zei ze nog tegen haar dochter, "die doos nemen we
mee!". Zo kwamen de vijf normale kaarsen èn de opschepper in het huis
van Mara en haar ouders. Twee kaarsen werden uit de doos genomen.
Samen stonden ze even later naast elkaar op een laag tafeltje. Allebei
werden ze aangestoken en samen werden ze hoe langer hoe kleiner en
allebei doofden ze na een hele dag branden uit. Maar die opschepper,
die zat daar niet bij! Een paar dagen later werden er weer twee kaarsen
uit de doos gepakt. Deze keer was het Karel Kaars en dat magere ding,
dat zich verbeelde, dat het ook een kaars was! Karel was er van overtuigd,
dat zijn buurman op de tafel al binnen een halve dag opgebrand zou
zijn. Maar tot zijn grote verbazing bleef die opschepper maar een
lange, dunne kaars! Hij werd maar niet korter! En, toen Karel al was
opgebrand, stond die lange nog fier recht op! Koen keek naar zijn
vriend, toen een kaars naast hem uit de doos werd gehaald. "Nee toch!",
dacht Koen nog, "zou dat gekke, dunne kaarsjes nou echt nooit opbranden!".
Een paar dagen later ging de doos weer open. Meteen keek Koen om zich
heen. Ja hoor! Daar stond die stomme kaars nog steeds lang en dun
te wezen! Hoe kon dat nou toch? Weer werd er een kaars uit de doos
gehaald. Het doosje ging weer dicht en Koen zat weer in het duister!
Nu was hij helemaal alleen! Er was niemand meer in het doosje om even
mee te kunnen praten! Maar, over een poosje was Koen zelf aan de beurt!
En dan zou hij wel eens goed om zich heen kijken! Hij wilde eigenlijk
nog maar één ding! Hij wilde weten, hoe die dunne spriet het zo lang
uit kon houden. Dat was toch echt niet gewoon meer! Eindelijk was
het zover! De doos ging weer open en Koen werd er uit getild. Even
later stond hij met zijn voet in een kaarsen blaker naast de opschepper.
Koen keek eens goed naar zijn buurman maar hij kon er zo gauw niets
bijzonders aan zien. De arme Koen snapte er niets van! Hoe kon een
kaars het nou al zoveel dagen uithouden? Koen werd aangestoken. Eigenlijk
moest dat een feest zijn voor een kaars! Daar was hij toch kaars voor
geworden! Om de mensen licht en gezelligheid te brengen! Maar Koen
was alleen maar bang! Over één of misschien over twee dagen was het
voorbij! Dan bleef er van die arme Koen alleen nog maar een klein
stukje pit over! En wat nog erger was: Dan wist hij nog altijd niet
wat voor een groot geheim dat magere ding naast hem nou eigenlijk
had!
Na een paar uur begon de moeder van Mara de lichten uit te doen. Het
was tijd voor Mara om naar bed te gaan! Mara liep op de beide kaarsen
af en blies ze bijna tegelijk uit! Toen ging ze lekker slapen! Daar
stond een halve Koen naast een hele spriet! Nou wist hij nog niks!
De volgende avond werd Koen als eerste aangestoken. En wat er toen
gebeurde! Mara liep op de magere kaars af. Ze pakte de pit boven op
de kaars beet en legde die naast de kaars op de kaarsenblaker! Even
later kwam ze met een flesje olie naar de tafel toe. Ze stopte een
klein trechtertje in een gat, boven in de spriet en voorzichtig liet
ze de olie naar binnen lopen. Toen ze klaar was zette ze de pit weer
boven op de kaars. Met een lucifer stak ze daarna de pit aan. Koen
slaakte een zucht van opluchting! Hij keek nog eens goed naar zij
buurman. Toen zei hij: "Jij bent helemaal geen kaars! Jij ben alleen
maar een olielampje! Lelijke opschepper! Nepkaars!". En aan het einde
van die avond doofde Koen's kaarsenpit. Maar een echte kaars vind
dat niet erg! Die weet, dat hij daarvoor is gemaakt.
Voor meer verhalen van de Verhaaltjesopa Leo Versnel,
ga naar: http://home.hccnet.nl/l.versnel
Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren,
en je illustraties
aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben
plezier van onze verhalen.
Dus
doe mee !!

omhoog home