www.kinderverhalen.nl, de site voor en door liefhebbers van kinderverhalen

De geest van de toren
door Heleen Huiskamp

Rustig, rustig, schreeuwde juffrouw Klaassen door de klas. Kunnen jullie nou niet één moment rustig zijn. Nee juf, riep Peter. Oké dan weten we dat, zei juf Klaassen op een rustige toon, dan gaat handenarbeid gewoon niet door. Op eens was alles stil. Goh, ik wist niet dat het zo ook kon, nou ik zal nog zien of handenarbeid door gaat. Het ligt aan jullie hoor, zei ze op een toon die iedereen kende. Jongens willen jullie deze bladzijde even lezen voor je zelf. Dong, dong. De schoolbel. En nog geen seconde later vloog de deur van groep 8 open.

Peter kwam natuurlijk eerst naar buiten en aan de voet gevolgd door Joop. Ga je vanmiddag nou met mij mee naar de toren, zei Peter ongeduldig. Terwijl ze hun jas van de kapstok pakten. Ja hoor, vanmiddag om drie uur bij de parkvijver. Ze liepen het schoolplein af en daar kruisden de wegen. Joop liep op een gemak naar zijn huis, het was maar een paar straatjes lopen van de Dorpschool af. Het was niet zo'n grote school omdat ze in een klein dorpje woonden. Toen hij thuis kwam zag hij dat de tafel al gedekt stond. Aan de trap hing een klein briefje waarop stond dat zijn moeder even boodschappen aan het doen was en dat hij zo kon gaan eten. Dat was handig, dacht Joop bij zichzelf. Hij liep snel naar boven en plofte zijn tas op de grond. Wat een hitte was er toch soms in de zomer. Gelukkig ook eigenlijk, want de verwarming deed niet meer. De prijzen waren te duur daarom betaalde ze alleen in de winter. Eerst maar even kijken wat juf had opgegeven voor huiswerk. Vlug nam hij door wat er nog moest gebeuren voor morgen. En daarna ging hij aan de slag. 14.30 gaf het klokje bij zijn bed aan. Snel sjeesde hij naar beneden en maakte een boterham klaar, die hij vlak daarna in zijn mond propte.

Bam, bam, daar ging de deurklopper. Hij keek door het keukenraam en zag zijn buurvrouw voor de deur staan. Langzaam liep hij naar de voordeur. Hij deed open en zijn buurvrouw begon meteen. Is je moeder der ook, Jopie? Nee, buurvrouw. Bah, waarom moet ze me nu altijd Jopie noemen, hij kon bijna zijn boosheid niet meer bedwingen. Nou ik wilde even vragen of ik een beetje suiker mag lenen. Uh, tuurlijk hoor even wachten. Hij pakte in de keuken het kleine suikerpotje dat moeder nog had. En deed een klein schepje in een potje dat de buurvrouw aan hem had gegeven. Sorry, zei hij toen hij bij de voordeur kwam, wij hebben niet meer. Mijn moeder is net boodschappen aan het doen. Anders kom je straks weer. Nou nee hoor dat hoeft niet, hé dag Jopie. Snel deed hij de deur weer dicht en pakte zijn jas. Had hij nou nog iets vergeten. Nee toch niet. Hij pakte zijn fiets. En ging door het tuinhekje.

Hè, hè, dat was me het ritje wel weer, zei Peter die hijgend bij de vijver stond te wachten. Ben jij moe? Vroeg Joop. Tuurlijk man moet je kijken wat ik moet fietsen. Ja, ja wel 500 meter, veel hoor, zei Joop lachend. Maar zullen we naar de toren gaan? Samen liepen ze naar de beruchte toren. Het was niet zomaar een toren. Ze zeiden dat er een geest rond zweefde. Maar ach moesten de jongens dat geloven? Nee hoor, dat deden ze niet. Peters opa had gezegd dat het wel zo was. Hij had het zelf meegemaakt.

Samen liepen ze de lange stijle trap op naar boven. Halverwege was een klein kamertje. Zullen we daarin gaan? Vroeg Peter. Ja is goed. Joop pakte de klink en trok hem naar beneden. Maar hij bleef halverwege vast zitten. Help is even, Peter, zei Joop. Peter pakte de klink vast. En samen trokken ze zo hard als ze konden. Naar een poosje zwoegen hoorde ze eindelijk kraken. Hij was open. Een stoffig kamertje met oude boeken en schriften kwam er te voorschijn. Langzaam liepen ze naar binnen. Joop pakte een oud boek die vooraan op een stoel vol met spinnenwebben zat. Er zat allemaal stof op. Hij klapte het open en zag vooraan, Dagboek staan. Langzaam las hij de eerste bladzijde voor.

20-06-1900 Zonder zorgen, liep ik hier naar binnen. Trap op en weer een trap op. Toen kwam ik hier. Het was hier heel mooi. Ik had nog nooit zoiets mooi gezien, sinds ik op de kostschool zat. Ik bleef hier zitten tot ik zo moe werd dat ik in slaap viel. 's Morgens liep ik naar boven tot aan de torenkamer. Het was er stoffig. En ik zag een muisje voorbij schieten. Het was een enge kamer, te eng om er nog langer te blijven. Snel liep ik weer naar beneden naar "het" kamertje. Net toen ik binnen was hoorde ik opeens voetstappen. De voetstappen kwamen naar boven. Wat zou er gebeuren. Ik verstopte me achter een klein tafeltje. Toen opeens stonden ze voor de deur stil. Zacht krakend ging de deur open. Er stond een grote grove man met een lelijk gezicht in de kamer rond te kijken. Hij zag er griezelig uit. Hij liep zachtjes de kamer op en neer. Toen liep hij weer terug. De voetstappen gingen naar beneden. Zou hij dan die geest zijn waar ze over hadden. O nee, wat gebeurt er nu. Ze steken een sleutel in het gat. Hij gaat op slot. Zou ik hier ooit nog uit komen, kan iemand me ooit helpen. Benarde Ohaën Koster.

Tot hoelang gaat het door hé? Vroeg Peter. Tot 23-09-1901. Wat zou er daarna gebeurd zijn. Zou hij vrijgelaten zijn? Maar hoe kan hij nou zolang blijven leven? Hij schreef dat hij altijd 's morgens op een raadselachtige manier brood en drinken kreeg het stond altijd opeens in de kamer. De jongens werden een beetje bleek om hun gezichten. Zodadelijk deed die geest dit ook bij hen. Snel liepen ze naar de deur om te kijken of hij nog open was. Gelukkig hij ging nog open. Zullen we nou nog naar het torenkamertje gaan? Vroeg Joop. Ja dat doen we het lijkt me nu wel spannend, zei Peter op een zachte toon, dat het leek of hij het toch niet zozeer meende wat hij net zei. Samen liepen ze zacht de oude trap op. Die al half doorgerot was. Tot ze bij het torenkamertje waren. Maak jij de deur maar open, zei Peter zacht. Joop zuchtte, en zei: je durft gewoon niet. Waarop hij daarna de deur opende. Geen idee ervan wat hij later zal zien.

Waar is Peter nou? Vroeg Peters moeder tegen zijn vader. Geen idee. Heeft hij niets gezegd toen hij weg ging? Jawel, hij zei dat hij naar Joop ging maar die was ook al niet thuis. En Peter moet nou toch allang thuis zijn. Het is al halfnegen. En Joop dan moet die dan nog niet thuis zijn? Vroeg Vader. Tuurlijk zijn moeder is al aan het zoeken net als ons. Alleen had Joop wel geschreven dat hij naar het park ging. Zei je park, zei vader verschrikt. Ja hoor wat is er dan? Dan zijn ze naar de toren. Kom op pak je jas we gaan nu meteen naar het park. Snel stapten ze in de auto, en reden weg.

Ondertussen hadden Joop en Peter de schrik van hun leven. Er stond een oude griezelige man met een lange baard. Schrikbarend naar hen te kijken. Dat is geen goeds, moet je die man zien kijken, zei Joop zacht. Zullen we weg gaan? Vroeg Peter angstig. Terwijl hij half naar de man die nog steeds precies het zelfde stond keek. Nee joh, nou wordt het net leuk, knikte Joop terug. Opeens begon de man te praten. Hij was niet al te zeker van zijn zaak, dat kon je duidelijk horen. Wat komen jullie hier doen, zei hij heel langzaam. Uh, Wwij wilden hhier komen kkijken, zei Peter stotterend. Zo, zo, de eerste sinds 1900 die hier durft te komen. Bb, bent u die Benarde Ohaën Koster? Vroeg Joop. Ja, hoe weten jullie dat? Wij hebben uw dagboek gelezen. Vind u dat erg of? Het maakt niet uit ik ben………. Wat bent u Benarde? Ik ben hem niet. Ik ben zijn geest. Ben u die geest die zijn brood er neer legde? Zeiden Joop en Peter tegelijk, ze waren allebei zo geschrokken dat ze er niet aan gedacht hadden dat je beter kon weg rennen. Het leek net een enge droom waar ze zo uit zouden kunnen wakker worden. Ja, jongens. Joop, Peter. Joop en Peter keken achterom het waren hun vader en moeder. Ik moet weg jongens, kom mij maar eens opzoeken. Ik heb nog wat voor jullie! toen was de geest verdwenen.

En daar kwamen vader en moeder al aan. Waarom zijn jullie hier geweest? En waarom zijn jullie zo laat? Is het dan al 6 uur geweest? We waren hier gewoon aan het kijken, zei Joop met een heel onschuldige blik. Sorry mam, dat wij zo laat waren, het spijt ons, niet waar Joop? Peter keek snel naar Joop om te kijken wat voor een antwoord hij zou geven. Hij knikte. Vooruit maar laat het me niet nog een keer gebeuren. Ja, mam, zei Peter. Joop als ik jou was zou ik maar gauw naar je moeder gaan, die zou wel ongerust zijn. Je mag wel bij ons in de auto de brengen we jou wel even, zei de vader van Peter. Dank u, zei Joop. Maar dat gaat niet ik heb hier mijn fiets nog staan, maar toch bedankt voor je aanbod. Samen liepen ze naar beneden. Mam, maar ik heb de fiets ook hier staan ik fiets eerst dan wel met Joop mee en dan kom ik wel thuis is dat goed? Vroeg Peter. Ja hoor, maar wel meteen thuis komen. Ja mam, zei Peter onschuldig.

Samen fietsten ze naar Joop's huis. Onderweg vroeg Peter aan Joop: Ga jij nog een keer naar de toren? Dat denk ik wel, die geest vroeg er toch naar? Maar het kan gevaarlijk zijn joh, weet je dat dan niet. Tuurlijk wel maar daarom ook juist dan kan ik later een verhaal schrijven hoe het is gebeurd, en dan wordt het heel beroemd en dan heb ik veel geld. Droom maar lekker verder Joop, zei Peter lachend. Hmm, maar toch ga ik dat lekker wel doen. Boos ging hij achter Peter fietsen. Hij zei geen woord tot hij vlak bij huis was. Zullen we morgen afspreken, dan is het zaterdag en dan hebben we de hele dag de tijd. Is goed, morgen half elf bij de toren, zei Peter. Toen fietste Joop naar huis en Peter ging naar zijn huis.

's Morgens half elf. Waar blijft die verdomde Joop toch, dacht Peter bij zichzelf. Geen spoor van hem te zien. Het was rustig in het park. Af en toe kwam een verliefd stelletje voorbij zetten. Peter keek weer op zijn horloge. Kwart voor elf wees deze aan. Hij keek het pad af, en in de verte zag hij een schim op duiden die op Joop leek. Hè, hè, gelukkig dat zal hem zijn. Hijgend stapte Joop af. Meteen begon hij te praten. Ik was een beetje te laat ik heb me verslapen, zei hij zonder te haperen. Kom mee joh, zei Peter om zijn woede te bewaren. Samen liepen ze de trap op. Halverwege kwam het deurtje waar ze gisteren in waren gegaan. Toen moesten ze de halfdoorgerotte trap op. Eindelijk naar een inspannende tocht kwamen ze bij het torenkamertje. Wat moeten we nu doen, vroeg Joop gespannen. Maak de deur eerst open, en dan roepen we de geest, zei Peter. Oké. Joop opende de deur die wat makkelijker open ging als eerst. Ze hoefden niet eens te roepen, want de geest stond recht voor hun neus. Kom maar mee, zei hij. Peter en Joop liepen hem achterna. Oja, zei hij onderweg, en noem me trouwens maar Hendrik en niet de geest. Oké. Toen ze achterin het kamertje kwamen opende Hendrik een kleine deur. Peter en Joop liepen naar binnen. Terwijl Hendrik naar binnen zweefde. In het kleine kamertje stond een groot bouwwerk. Dat eruit zag als, ja ze wisten het niet. Hendrik wat is dat? Vroeg Peter. Dit is een tijdmachine, zei Hendrik. Alleen er is 1 ding. Ik kan hem zelf niet uitproberen want ik ben een geest, en daar is deze tijdmachine niet voor gemaakt. Dus daarom is mijn vraag willen jullie het uitproberen? Peter keek voorzichtig naar Joop om te kijken wat hij er van vond. Hij zag dat Joop het wel een tof idee vond maar het toch nog niet echt zeker wist. Ik denk…. Dat wij het wel willen, voegde Joop toe. Peter keek met grote ogen naar Joop. Wat had hij in een keer. Nou ja dan moest het maar. Ga er maar in en zeg een tijd maak dan je gordels vast, maar ik ben niet de schuldige als het mislukt jullie wilden er zelf voor op dragen. Joop, zeg jij maar een tijd ik durf niet zo goed. Joop die zelfbewuster leek dan ooit. Zei saai, doe maar 1900. Waar wil je zijn? Hier in het park. Je gaat als het goed is een uur terug in de tijd, is het niet zo dan heb je hier een knopje druk je daar op dan kom je als je eerder wilt zo terug. Is goed.

Toen duizelde ze in een blauwe cirkel. Tot opeens ze midden in het park in 1900 terecht kwamen. Verbaast keek Peter om zich heen. Hij zag allemaal mensen lopen in klederdracht met hoedjes op en franjes en al dat soort dingen. We moeten wel op passen Peter we hebben nu kleren aan die helemaal niet in deze tijd thuis horen. Ze kunnen ons als verdacht opgeven. Pas op, riep Peter plotseling. Hij trok Joop mee de bosjes in. Er kwam een politieagent langs. View, dat was net op tijd, zei Joop geschrokken. Ben ik blij dat jij nog zo paraat bent. Kom we gaan naar de toren. Om te zien of er iemand is. Samen liepen ze via een sluiproute naar de toren. Voor de toren stond een klein magere jongeman naar hen te kijken. Hij keek naar hen of hij hen op één of ander manier toch wel vertrouwde. Hé jongens, zei hij, willen jullie met me mee naar binnen? We willen eigenlijk eerst weten hoe u……….. Snel opende de jongeman de deur en sprong naar binnen met op de voet gevolgd door de jongens. Er kwam opeens een leger soldaten die netjes achter elkaar marcheerden. Dat zijn de gevaarlijke rode soldaten, zei de jongeman zacht. Jullie moeten nu heel stil zijn. Hij legde zijn wijsvinger op zijn mond. Na een kwartier lang stil zitten begon hij weer heel zacht te praten. Mijn naam is Benarde ohaën Koster. Maar noem me maar Ben. Dat is makkelijker. Is goed. Gaan jullie nu mee naar boven. De jongens keken elkaar aan. Wat zouden ze doen, ze wisten dat hij zou worden opgesloten. Maar anders werden ze gezien door andere mensen. En het uur was toch bijna voorbij. Maar Peter was daar nog niet zo zeker van. Laten we het niet doen je weet dat we worden opgesloten. En wat wil je er mee bereiken? Als ik het vragen mag tenminste. Wat moeten we in godsnaam anders. Oké jij gaat ik blijf hieronder zitten als je binnen…. Hij keek even op zijn klokje en zei, binnen 30 minuten nog niet terug bent kom ik je halen want dan hebben we precies nog 20 minuten. Stel dat ik je niet kan vinden snap je. Ja oké, ik ga met hem mee.

Joop liep achter Benarde aan. Terwijl Peter zuchtend op de traptrede ging zitten. Dit gaat nooit goed dacht hij. Opeens hoorde hij de voordeur van de toren had kraken. Snel verstopte hij zich achter een ton. Hij zag een gele soldaat die langs hem heen liep, de trap op. Gelukkig had hij hem niet gezien. Je hoorde harde stappen op de trap. Het klopte precies zoals in het verhaal toen Benarde voetstappen hoorde. En die waren natuurlijk van de gele soldaat. Maar ik betwijfel of het helemaal precies klopt, nu is Joop erbij. En hij had naar een poosje gelijk. Daar kwam Joop de trap af maar niet alleen ook de gele soldaat en Benarde. Joop en Benarde waren gevangen. Of nee Joop was alleen gevangen. Benarde liep er met een glimlach op zijn gezicht naast. O, o, wat waren hun weer dom geweest. Hij sloeg zich zelf voor zijn hoofd. Dat had hij niet moeten doen. Want de gele soldaat schrok op. Hij keek in het rond. Peter ging zo stil mogelijk in de ton zitten. Hij zag door een klein gaatje in de ton, dat de gele soldaat iets tegen Benarde zeggen. En die knikte terug. Wat zouden ze gezegd hebben. Hij wist het niet. Maar de gele soldaat gaf Joop aan Benarde en hij liep naar hem toe. Als ze hem maar niet vonden. Dan kan het gewoon niet goed aflopen. Hij kroop nog meer in elkaar natuurlijk zou het niet veel helpen maar ja je wist nooit. Langzaam aan kwam de gele soldaat naar hem toe. Toen zei Benarde plotseling: Ga is achter die ton kijken Tom. De gele soldaat die Tom heette liep naar de ton en keek erachter niemand, baas. Toen liepen ze beide naar buiten met onder de arm Joop.

Beduusd van wat er net was gebeurd zat Peter nog een paar minuten in de ton zonder iets te doen. Toen stond hij plots op en liep voorzichtig naar de achterdeur het zal een klus worden om Joop te pakken. Maar het moest lukken. Hij keek even op het klokje en zag dat hij nog 30 minuten had. Dat was veel te weinig. Hij zou eerst terug moeten en vragen wat hij het beste kon doen. Hij drukte op het knopje en vloog terug. Toen hij weer in de gewone tijd was stond de geest naar hem te kijken. Waar is je vriend jongen? Hij is gevangen maar ik moest wel terug om weer tijd te vragen. Dat kan toch? Tja, zei Hendrik dan moet ik de hele machine even verbouwen en dan probeer ik je een dag weg te kunnen laten gaan. Maar worden mijn ouders dan niet ongerust. Nee hoor, want het blijft gewoon dezelfde tijd. Het is nu precies de zelfde tijd als net. Gek, zei Peter. Dat kun je je haast niet voor stellen. Of jij wel? Ja, het is gek dat weet ik het is echt gek, zei Hendrik. Maar ik heb het klaar dus je kunt weer vertrekken. Hendrik, heb je misschien wel kleding uit die tijd voor mij en voor Joop. Even wachten ik kijk even. Hij kwam terug met twee pakken die er echt ouderwets uitzagen: twee matrozenpakjes. Peter trok het snel aan. En ging meteen daarna in de tijdmachine.

Weer duizelde hij naar 1900. Toen hij aan kwam zag hij dat hij precies op dezelfde plek was als toen hij was weggegaan. Hij keek om zich heen maar geen Joop te zien. Wat moest hij nou doen? Hoe kon hij Joop nou vinden in dat beetje tijd dat ie had. Ach ja dan loop ik gewoon maar, bedacht ie. Hij liep vanaf het park naar waar nu de school staat. Hij zag een tentenkamp. Er liepen mannen in gele pakken. Zou dit het zijn. Opeens riep iemand achter hem. Hé wat doe jij hier jongen? Hij schrok en struikelde achterover.

Hè, waar ben ik? Hij keek om zich heen. Hij zag vrouwen in het wit. En vlak boven zijn hoofd zag hij een jonge jongen naar hem kijken. Volgens mij is hij wakker, zei de jongen tegen een man naast hem. Beduusd keek Peter om zich heen. Toen werd het hem pas duidelijk. Hij was flauw gevallen. Oh, nee de tijd. Waarom moest hem dit nou gebeuren net nu hij de tijd nodig had. Hij stapte uit bed maar meteen viel hij weer terug. Rustig jongen, niet te gehaast je hebt een hersenschudding. Jongen, wie ben je eigenlijk? Vroeg hij. Peter, zei hij met een klein stemmetje. Peter, kom je hier vandaan? Vroeg hij weer. Niet te veel vragen Bernarde daar word hij alleen maar moe van. Hij heette dus Benarde. Benarde? Dacht hij geschokt. Ach wat, er waren heus wel meer die Bernarde heette. Toen viel hij weer in slaap.

Bah wat is het hier muf, zei Joop met zijn neus dicht. Om hem heen was het heel donker er stond een houten bed maar zonder matras. Hij voelde zich eenzaam. Hij zal nooit van zijn leven weer terug kunnen naar de gewone tijd. Klop, klop, toen stapte een man binnen met een bord gerstepap. Hier, zei de man kortaf, je eten voor vandaag. Dank je, zei Joop. De man liep naar buiten en Joop zette de gerstepap op het kleine tafeltje naast het bed. Door een klein raampje met ijzeren tralies kwam een beetje licht naar binnen. Joop voelde in zijn zak of hij nog iets had om het raampje open te breken. Tevergeefs niks, alleen een oude gum en een kauwgumpje. Joop ging radeloos op bed liggen. Hier kon hij nooit van zijn levensdagen uitkomen. Weer klopte iemand op de deur, dit keer was het Bernarde. Jij daar, en hij wees naar Joop, jij moet nu meteen meekomen. Joop stond op en liep sloffend achter Bernarde aan. Ze liepen naar een grote deur. Toen stopte Bernarde en draaide zich om. Blijf! Riep hij. Hij liep naar binnen en deed de deur dicht. Dit was zijn kans. Hij rende zo hard als ie kon weg. Maar al voor dat ie bij het eind van de gang was werd hij tegen gehouden door drie bewakers. Joop probeerde zich los te vringen maar het lukte niet. De drie bewakers waren veel te groot en te sterk.

De mannen namen Joop mee naar de kamer waar Bernarde naar binnen was gegaan. Eén van de mannen klopte op de deur. Een klein schriel mannetje opende deur op een kiertje en zei met een schel stemmetje, Wat komen jullie hier doen? Deze jongen wilde ontsnappen, zei een grote man die blijkbaar de baas was van de bewakers, want de anderen stonden netjes in een rij achter hem. Toen hoorde Joop dat er nog iemand aan kwam. Nu ging de deur verder open en Bernarde kwam naar buiten. Hij had een brede grijns op zijn gezicht. Zo, zo, jongen dacht jij dat je kon ontsnappen en deze hel hier? Lachte Bernarde. Hel? Vroeg Joop verbaast. Weet jij dat nog niet miezerig klein mormel? Ja echt als je dat niet weet moet je wel van een andere wereld komen. Joop lachte zachtjes van binnen, dat had ie nog goed ook! Je komt hier nooit van je levensdagen meer uit, vervolgde hij, dit is het strafkamp voor alle mensen die dingen doen die niet horen. Maar wat heb ik dan gedaan? Jij hebt de toren van Katogen in gegaan. Maar u bent er toch ook in geweest? Hè, ja om jou te pakken maar meer? vroeg Bernarde. Laat maar, zei Joop onschuldig. En ik wil het nu weten! Schreeuwde Bernarde. Wat is hier aan de hand! De bewakers liepen langzaam achteruit. Maar dit had Bernarde in de gaten. Staan blijven jullie! Riep hij met een schorre stem. Nou vertel op, jongen! Uhh, kijk ik had het over mijn vriend hij heet ook Bernarde ziet u. Ja, ja, tuurlijk, zei hij rustig en kalm. Leg jij dat nog maar eens uit aan de baas hier. Hij greep Joop met één hand in de kraag en sleurde hem mee de 'kamer' in.

Daar zat een klein mannetje aan de tafel. Ja, Bernarde wat is eraan de hand? Vroeg hij aardig. Hij, dat kleine mormel daar dat, dat, dat heeft gezegd dat ik in de toren van Katogen ben geweest baas. Zo jongen is dat zo? Vroeg hij vriendelijk. Ja meneer, zei Joop. En hoe weet jij dat zo zeker? Nou zie je ik liep daar zo en opeens zag ik hem daar naar binnen gaan. Das hele……! Stil Bernarde, laat dat jongentje nou is uit praten. Toen kwam mijn vriend eraan en hij vroeg tegen mij of we ff konden gaan praten voor dat ik verder ging dus we gingen op het bankje zitten. Toen zagen we even later dat hij naar buiten kwam. Opeens pakte hij me vast en sleurde me mee zonder dat ik iets had gedaan. Poe, dat was er af, goh hij had niet gedacht dat ie zo goed kon verzinnen. Nou Bernarde heb je daar nog iets op te zeggen. Uh, nou het is gewoon niet zo ik zal nou eens mijn verhaal vertellen. Doe dat. Kijk ik zag twee jongens naar binnen gaan en ik denk nou die moet ik pakken. Tot mijn schrik zag ik opeens dat er nog maar één jongen op de trap liep, de ander had zich zeker verstopt. Ik ging erachter aan en pakte deze jongen in de kraag. Nou dat is mijn verhaal.

Het kleine mannetje pakte een pen en begon te schrijven. Joop keek in het rond, hij zag een grote zaal met allemaal porseleinen dingen en geborduurde gordijnen, ook zat er een vrouw voor het raam te breien. Toen begon het mannetje te spreken langzaam en duidelijk. Bernarde, als ik eerlijk moet zijn, ben jij de schuldige. Maar…. Stil Bernarde laat me uit praten. Maar er zit nog een jongen in het spel en die wil ik ook spreken. Waar is ie, jongen? Ik weet het echt niet toen ik was meegesleurd wilde hij de politie waarschuwen maar ik weet niet waar hij nu is. Bernarde Ohaën Koster jij gaat hem nu zoeken, met of zonder maar gewoon nu. Bernarde liep snel naar buiten terwijl je hem kon horen mopperen. En jij jongen aan jou heb ik nog een vraag en dat luid: Waar kom jij vandaan? Ik kom uit Handenwijk, maar ik ben hier gekomen voor de jaarlijkse markt en natuurlijk mijn vriend die hier ook niet woont maar wel dagelijks komt. Waar woont je vriend dan jongen? In Klapperdam. Goh, ik wist niet dat ik zo goed kon liegen dacht Joop, nou maar hopen dat die plaatsen wel bestaan en dat er ook een jaarlijkse markt is het zag er tenminste wel naar uit. En hoe vind je de jaarlijkse markt ik ga er ook elk jaar naar toe. Heel gezellig ik kom allemaal oude bekende tegen want ik heb hier gewoond en toen ik 3 was ben ik verhuisd maar toch kan ik nog veel mensen herkennen. Gek eigenlijk hè? Ja, ja zeer frappant. Hoe heet je vriend dan? Peter meneer, zei Joop onschuldig. Je hoeft geen meneer te zeggen hoor. O, gelukkig maar. Maria, wil jij even voor het eten zorgen? Ja hoor. Wat meneer? Wat wil je hebben jongen? Zeg maar Joop meneer maar ik wil wat is er? Andijvie, Sla, Bloemkool. Doe maar sla alstublieft. Maria, sla. Komt er aan.

Jongen, jongen wakker worden! Huh, zei Peter duf. Hij keek in het rond, ach ja hij was in het ziekenhuis. Je eten jongen, zei een zuster. Peter ging op bed zitten en pakte het eten. Zuster wanneer mag ik weer naar huis? Vroeg hij. Misschien over een paar weken. Maar ik moet nu naar huis echt waar mag ik heel even heel even dan kom ik straks weer terug dat meen ik echt. Heel even maar als je er niet bent dan zoeken we je op en kom je in het gevangenenziekenhuis en dat is geen pretje. Goed zuster ik kom weer snel terug in een uur zeker, zei Peter op een lieve toon. Doei, zei ze en toen liep ze weg. Peter stapte voorzichtig uit bed wankelig liep hij verder. Daar kwam de zuster weer aan met een stok. Hier jongen loop hier maar mee dat gaat wat beter. Hij pakte stok en bedankte de zuster toen liep hij weg. Buiten aangekomen ging hij achter een bosje staan en drukt op het knopje van de tijdmachine. Hij vloog weer terug naar de gewone tijd. Daar aangekomen vroeg hij Hendrik om nog meer tijd. Nog meer tijd waar wil je dat vandaan halen? Weet ik niet. Maar heel misschien kunt u wel een week doen wat mijn ouders merken het toch niet of wel? Als je een week gaat, gaat de tijd 1 uur verder. O, dan dat maakt niet uit. Maar het komt ik lig nu in een ziekenhuis en ik mag er pas over een paar weken weg maar ik hoop al morgen want het gaat al beter. En vanaf die tijd kan ik naar Joop op zoek. Voor deze keer maar maakt het niet nog gekker zodadelijk gaat er iets fout en dan ben ik er de schuldige van. Stap er maar weer in. Peter ging voorzichtig de in zitten.

Kom is terug, schreeuwde Hendrik. Wat is er? Vroeg Peter. Wat heb je precies dat je in het ziekenhuis ligt? Ik heb een hersenschudding, zei Peter. Dat maak ik wel weer goed, dat kan ik wel. Hoe dan? Vroeg Peter verbaast. O, dat is een geheimpje. Hendrik liep even weg en kwam later weer terug met een tasje. Nou moet je je ogen dicht doen. Peter sloot zijn ogen. Hendrik pakte uit zijn tasje een spulletje en deed het op Peters voorhoofd. Doe je ogen maar weer open, zei Hendrik. Peter ging voorzichtig staan en tot zijn verbazing kon hij gewoon lopen. O, dank je wel Hendrik, je hebt me echt geholpen, zei Peter blij. Ga maar in de tijdmachine. Peter ging zitten en deed zijn gordel om. Buiten de tijdmachine zag hij Hendrik op allemaal knopjes drukken. Een seconde later was Peter al in de blauwe cirkel.

Toen hij eruit kwam stond hij voor het ziekenhuis. Snel rende hij naar binnen. Onee, waar moest hij ook weer zijn. Hij zal wel even aan de balie vragen. Mevrouw? Vroeg Peter. Ja jongen, wat is er? Ik weet niet meer op welke kamer ik lag, zei hij. Hoe heet je dan? Vroeg ze vriendelijk. Peter, antwoordde hij. Hmm, heb je geen achternaam? Ja mevrouw, maar die staat hier niet bij want ik ben hier nog maar net. Aha, o ik zie het al zaal 3 op de eerste verdieping veel succes. Dank je wel mevrouw, zei Peter. Snel liep hij naar de trap, toen hij bij de trap was zag hij de zuster langskomen. Zuster, zuster! Riep Peter. Ja, wat is er jongen? Vroeg ze. Ik kan weer lopen moet je maar eens kijken. Peter liep een rondje om een tafeltje. Ja dat zie ik maar kun je ook rennen? Peter rende nu om een stoeltje heen, iedereen stond verbaast te kijken wat Peter aan het doen was. Hoe komt dat toch in één keer dat je zo goed kan lopen? Vroeg ze verbaast. Tja, ik weet het niet volgens mij door mijn moeder die heeft me een kopje soep gegeven en toen was ik er in eens bovenop. Hmm, wel apart maar ja ik zal wel eens met de dokter praten, zei de zuster. Maar we moeten eigenlijk eerst weten wat jou achternaam is. Bobbeldeken. Ik zal is in het telefoonboek opzoeken. Uh, nee doe maar niet. Waarom dan niet? Vroeg ze verbaast. Uh, zie je ik kan nog niet naar mijn moeder want zij woont heel ver weg ennuh weetje ik kwam pas overmorgen thuis en ze zijn nu weg. Ik zie het al, dan neem Bernarde jou wel mee. Ik zal hem wel even aan je voorstellen hij is echt heel aardig hoor. Bernarde! Riep de zuster hard. Er kwam een jonge man naar haar toe. Ja wat is er Marie? Vroeg hij rustig en kalm. Deze jongen mag naar huis maar hij woont ver weg en zijn ouders zijn er niet en of hij niet twee nachtjes bij jou kan slapen. Oh, natuurlijk ga maar met me mee hoor, zei hij aardig. Peter liep achter hem aan. Ik breng je wel even weg naar mijn huis, ging hij verder. Kom maar.

Peter stapte in de koets. Honderd meter verder zag hij het gele kamp liggen. Meneer? Vroeg Peter. Ja wat is er jongen? Waarom is dat gele kamp daar? Daar zitten de gele rijders die alles in de stad kapot plunderen onder leiding van één of andere Bernarde. Zijn baas heeft nog niks in de gaten maar dat krijg hij gauw genoeg. Maar meneer wonen er veel Bernardes hier? Vroeg Peter verbaast. Ja een stuk of 10 maar die Bernarde komt hier niet vandaan. Ik weet ook niet precies wat zijn achternaam is of zo. Maar dat zal ik wel eens een keer vragen aan één van de Gele rijders. Is dat dan niet gevaarlijk? Nee, nee, je kunt wel zien in wat voor een rang ze staan hebben ze veel medailles op dan moet je het niet vragen hebben ze er weinig kun je gerust aan die man vragen. Hoe weet je dat zo goed? Vroeg Peter door dringend. Uhm, tja dat hebben ze gezegd op het marktplein, zei Bernarde aarzelend. Waarom vraag je toch zo hele tijd? Vroeg Bernarde een beetje boos. Ik weet niet het interesseert me want ik maak er een boek over, zei Peter. Hoe kan ik toch zo goed liegen, dacht hij bij zichzelf. We zijn er, zei Bernarde om van onderwerp te veranderen. Hij maakte de deur open. Zo ik zal je je kamer laten zien. Hij liep naar boven het was een gammele trap en het was niet echt een mooi huis. Maar ach hij had tenminste een slaapplaats. Hij maakte een deur open. Peter zag een klein kamertje met alleen een bed een tafeltje met een lamp. Hier is je kamer, zei Bernarde. Ik moet weer naar mijn werk. Maak je het hier maar lekker comfortabel, ik blijf tot 5 uur weg. Dan zal ik je weer bezoeken en krijg je wat eten. Mag ik ook naar buiten? Vroeg Peter. Nee, nee, niet doen dat is gevaarlijk het is hier een gevaarlijke buurt. Oké, ik blijf wel binnen, zei Peter. Met zijn hand achter zijn rug gekruist. Hij hoorde Bernarde weer naar beneden lopen toen knalde de deur dicht.

Hij keek om zich heen. Er was een klein raampje die open stond. Hij liep naar het raampje toe. Er onder was er het steil met een regenpijp, hmm, misschien kan ik wel naar beneden, dacht hij bij zichzelf. Hij zag een moeder met een kinderwagen langslopen. Eerst maar even kijken of hij wel stevig genoeg is. Peter knalde met zijn hand tegen de pijp. Hij breek niet door midden. Mooi, zei hij hardop. Hij wringde zich door het raampje en klampte zich vast aan de regenpijp. Toen liet hij zich naar beneden glijden. Maar net voor hij beneden was kwam Bernarde er weer aan met een paar Gele rijders. Onee, wat moet ik nou doen. Bernarde was nog maar aan het eind van de straat dus besloot hij maar dat ie meteen naar beneden ging en dan achter de prullenbak die er onder stond zal verschuilen. Peter beefde van angst. Wat moest hij nou doen als ze hem hoorde hij maakte ook zo veel lawaai achter die prullenbak en het stonk ook nog. Daar kwamen ze al aan. Het enige wat hij nog kon doen is blijven zitten. Bernarde opende de deur. Maar Peter bewoog te hard en de prullenbak viel om. Bernarde keek kwaad achterom. Toen zag hij Peter. Die jongen die moeten jullie pakken. De Gele rijders rende op een drafje naar Peter. Maar Peter probeerde zo goed als kwaad weg te komen. Dat ging natuurlijk niet want de Gele Rijders waren met zijn vieren en ze konden veel harder rennen als Peter. Peter sjorde en rukte in alle macht om nog een laatste poging te doen om toch nog vrij te komen. Maar de Gele Rijders hadden hem te stevig vast. Neem die jongen mee naar het kamp en laat hem bij de andere jongen in! Schreeuwde hij luidkeels. En deur werd geopend. Peter gilde, mevrouw help me die man probeert me te vangen en ik heb helemaal niks gedaan! Mevrouw wees maar niet bang die jongen is in goede handen, hij heeft een misdaad gepleegd. Maar meneer er is de laatste tijd nog geen misdaad gepleegd dat heeft de omroeper van het dorp vanmorgen nog verteld. Wij weten wat u niet weet. Jongens lopen maar, zei Bernarde. De vrouw bleef verbluft staan en even later sloot zij de deur.

Toen ze bij het kamp aankwamen werd Peter in een hok gegooid. Hij keek verbaasd om zich heen, toen plots wie zag hij daar, Joop. Joop wat doe jij hier? Vroeg hij. Ik kan beter vragen wat jij hier doet, waarom heb jij mij niet eerder hier uit gehaald? Vroeg Joop. Dat is een lang verhaal, zucht Peter. Maar daar kon hij niet aan beginnen want de deur werd met een bonk open gegooid. Bernarde stapte binnen en pakte Peter aan de arm. Jij luistert naar mij of… de deur werd weer dicht gegooid en Joop zat weer alleen. Hij slaakte een diepe zucht. Wat heeft die Peter nu weer uitgevreten, dacht ie. Het zal in ieder geval niet goed zijn. Bats, weer ging de deur open. Dit keer stond er een Gele Rijder. Jongeman, zei hij vriendelijk, wil jij even mij komen naar mijnheer Roderick. Joop stapte op het bed kraakte. Dank je wel, kom maar mee ik wijs je wel de weg. Joop liep achter hem aan. Tot aan de grote deur. De Gele Rijder bonkte drie maal. En toen deed het kleine mannetje weer open. Want wil je nu Henk? Deze jongeman moest ik van Bernarde afleveren aan mijnheer Roderick. Is goed, ik neem hem mee naar binnen maar als het niet zo is je weet wat er dan gebeurd ja Monsieur Babai. Het is dus een Fransman, dacht Joop. Mijnheer Roderick deze jongeman moest ik van Bernarde afleveren aan u klopt dat? Vroeg hij verbeten. Ja, zei Mijnheer Roderick. Mijnheer ik wist helemaal niet dat u zo heette, zei Joop. Nee, maar nu wel, zei hij streng. Ik hoorde dat je vriend hier ook was klopt dat. Volgens mij wel, zei Joop. Klop, klop, en daar stapte Peter en Bernarde binnen. Zo, zo, blijf je niet eerst even wachten tot er iemand de deur open deed? Vroeg Mijnheer Roderick verbaast. Tja, ikkuh dacht dat er niemand was. Mmuphml, zei Peter die een zakdoek in de mond had. En waarom heeft die jongen een prop in de mond? Uh, tja kijk hij had een misdaad gepleegd…. Mumm, zei Peter onverstaanbaar. Doe bij die jongen is de zakdoek uit de mond. Bernarde trok hem eruit. Ik heb geen misdaad gedaan! Schreeuwde Peter. Wat heb je wel gedaan dan? Niks, ik ben gevallen toen kwam ik in het ziekenhuis toen heeft een zuster gezegd dat ik wel met hem mee kon omdat hij dat wel vaker deed en opeens pakte hij mij samen met de Gele rijders, en bracht me hier heen. Is dat zo Bernarde? Nee, ik liep in de winkelstraat toen er opeens één man om hulp schreeuwde, ik rende er na toe hij zei dat er iemand hem had beroofd en toen wees hij naar die jongen daar. Dus ik rende er naar toe en hij rende natuurlijk ook weg. Maar ik pakte hem toen de Gele rijders ook hielpen. Nou en nu heb ik hem. Weet je Bernarde wat nu zo toevallig is? Nee, zei hij schijnheilig. Kijk dit is de vriend van deze aardige jongen hier. Oh, dat wist ik niet. Nee, nee het zal wel weer niet ik ken jou leugentjes wel hoor. Maar meneer ik heb nog een vraag aan Bernarde. Je gaat je gang jongen. Nou Bernarde speel jij twee Bernardes? Nee, hoe kom je daar bij? Vroeg hij heel nep verbaast. U lijkt zoveel op de Bernarde uit het ziekenhuis. En hoe wist u dat ik bij de andere Bernarde zat? Ik hoorde een aanklacht in de buurt en ik moest er naar toe. Meneer hebt u dat gehoord hij zegt opeens een ander verhaal! Zei Joop hard. Ja, jongen dat ik heb wel gehoord hoor. Ik weet ook wel dat hier iets achter zit maar wat. Ik neem jullie even mee naar een kamer waar jullie mogen blijven tot jullie weggaan. O dank u wel.

De jongens liepen achter Mijnheer Roderick aan. Na een paar trappen en wat slungel gangetjes kwamen ze in een luxe kamer aan. Ik moet nog één ding vertellen. Misschien vertrouwen jullie me niet vertrouw me asjeblieft ik kan alleen er niks aan doen met de zaak Bernarde want zolang hij niks bijzonders zegt kan ik niks doen. Oké, doei mijnheer, zei Joop. Mijnheer? Vroeg Peter. Ja, zo heet hij. Doei, jongens, tot snel, zei mijnheer Roderick. Meteen kwam Joop ter sprake hoelang hebben we nog? 5 dagen zo ongeveer of 6 ik heb na een dag een week gevraagd. Gelukkig dan kunnen we het nog uitzoeken. Wat uitzoeken? Vroeg Peter verbaast, Dombo, dat van Bernarde. Maar hoe komen we hier dan uit? Hmm, ja dat is een probleem. Joop keek om zich heen eerst de deur toen een klein schilderijtje een kale muur toen het raam. Het stond open. Door het raam, zei hij. Oh, nee hè loop er eens heen en kijk dan naar buiten je zult waarom het dan niet kan. Joop liep eigenwijs als het maar kon naar het raam. Het liep stijl naar beneden en je kon er nergens aan vast klampen. Alleen aan het begin was een soort afdakje gemaakt. Hé Peter! Riep hij. Rustig maar ik sta al naast je. Ik ga op dat afdakje staan misschien kunnen we naar boven klimmen. En wat wilde je daar dan gaan doen? Vroeg Peter rustig. Er boven op gaan zitten en wachten tot Bernarde langs komt. Uh, nou nee niet echt misschien is er een andere weg vanaf het dak naar beneden, zei Joop die langzamerhand ongeduldig begon te worden. Klim er maar op, zei Peter. Joop klom uit het raam en ging op het afdakje staan. Hij keek naar boven. Kun je naar boven klimmen? Vroeg Peter. Uhm, ja ik denk het wel ik kan het wel even proberen. Als je mij even helpt. En ook Peter klom op het afdakje. Ik ga op je handen staan en dan pak ik me vast aan het dak. Ja hallo wil je mijn hand soms bezeren met je gewicht, zei Peter boos. Oké dan klim jij maar naar boven, zei Joop en hij ging kwaad klaar staan. Ga nou op mijn handen staan. Rustig nou maar. En Peter ging met één voet op zijn handen staan. Kun je erbij? Ja net, ik heb hem vast, nog even volhouden, zei Peter met een klein stemmetje. Het gaat haast niet meer schiet op Peter, riep Joop naar boven. En opeens viel Peter op het afdakje. Auhwwwww! Riep Peter schreeuwend van pijn. Kun je niet nog even volhouden ik wilde met net naar boven trekken man! Sorry, ik kon echt niet meer, zei Joop onschuldig. Gaat het weer een beetje? Ja, zo'n beetje wel ga jij maar naar boven ik kan echt niet meer, zei Peter Joop stapte op Peter zijn handen. En omdat Joop een stuk groter was kon hij zo zich vast pakken handig en lenig trok hij zich naar boven. Zie je iets? Vroeg Peter naar boven. Ja, ik zie aan het eind een trappetje zo'n brandtrap of zoiets. Mooi, trek mij ook ff naar boven. Bonk, bonk, bonk er werd op de deur geklopt onee, blijf rustig zitten Joop iemand klopt op de deur, zei Peter gehaast. Peter opende deur waar een jong dienstmeisje voor stond. Hè, zei ze verbaast, ik dacht dat jullie met zijn tweeën waren. Ja, zijn we ook maar mijn vriend is naar de wc. Wat is er? Vroeg hij. Ik wilde jullie het eten geven voor vandaag. Wilt u even wachten. Tuurlijk hoor, zei hij vriendelijk. Het dienstmeisje liep weg en kwam terug met een groot blad met allemaal lekkere dingen. Heel erg bedankt, zei Peter ontdaan. Alstublieft, zei ze. Waar naar ze weg ging. Joop, eten! Riep Peter. Ja, hallo hoe kom ik hier af? Vroeg Joop krampachtig, die zich haast niet meer vast kon houden. Uhmm… Een stoel, riep Joop. Peter keek om zich heen in de hoek stond een klein stoeltje. Snel pakte hij hem op en liep naar het afdakje. Hij staat onder je, zei Peter. Langzaam liet Joop zich zakken. Tot hij de stoel voelde. Wat heb jij voor een lekkers? Vroeg hij. Uhm, een broodje kaas een broodje ham en Spruitjes. Haha, wat zijn we weer leuk, net of er zes allemaal dingen erop hebben gedaan wat ik niet lekker vind, zei Joop kwaad. Het is maar een geintje hoor, zei Peter verbaast over hoe Joop uitviel. Sorry, ik kan er niks aan doen ik word hier gewoon helemaal gek, ik wil zo snel mogelijk thuis zijn. Van mij mag je we kunnen zo terug hoor, zei Peter. Nee, dat wil ik ook weer niet eerst moeten we het verhaal van Bernarde onderzoeken. Laten we eerste maar eten, dan kunnen we er na uit het huis ontsnappen. Is goed, zei Joop.

Na het eten maakte Peter eerst een briefje er stond op dat ze in bad waren en daarna gingen ze slapen en of ze hun niet wilde storen. Zo nou komen ze gelukkig niet meer hier, zei Joop. Ze liepen naar het afdakje. Misschien kun je wel via de stoel naar boven. Probeer is, zei Peter. Joop stapte op de stoel en klampte zich vast aan het randje van het dak. Ja lukt, riep Joop hard. Stil man, anders horen ze het nog joh, zei Peter. Joop trok zich omhoog en ging op het dak zitten. Nu jij, zei hij. Peter rekte zich zo ver mogelijk uit en kon zich net vastpakken. En ook hij trok zich omhoog. Toen liepen ze vasthoudend aan de dakpannen naar het brandtrapje. Joop was er als eerste. O nee, moet je zien Peter het lijkt wel een bouwval. Tja, we moeten het wel proberen anders komen we nooit eraf. Jij gaat maar eerst hoor, zei Joop een beetje angstig. Peter stapte stoer op de eerste trede. Er gebeurt niks hoor, zei hij. Bats zijn been was door de trede gegaan. Uh, ik denk dat we maar heel snel naar beneden moeten lopen, zei Peter lachend. Tja, als jij het zegt doen we dat maar, zei Joop gniffelend. Peter rende snel naar beneden. Nou jij Joop! Riep hij toen hij beneden was. Ja, kom er aan hoor, zei Joop geduldig. En even later rende ook Joop naar beneden. Gelukkig was er niks kapot gegaan, alleen een gat bovenin. Waar gaan we nu naar toe Peter? Vroeg Joop. Eerst naar het ziekenhuis. Weet jij dan waar dat is? Vroeg Joop weer. Tuurlijk ik heb toch in het ziekenhuis gelegen joh. En zo gingen ze op weg naar het ziekenhuis. Het was een end lopen maar dat hadden de jongens er wel voor over. Toen ze aankwamen zag Peter de zuster die hem had geholpen. Hoi zuster, is Bernarde er misschien. Ja hoor, maar moet jij niet in Bernardes huis zitten? Ja, zei Peter. Waarom ben je er dan uit? Tja, dat is een lang verhaal, zei Peter. Maar wil je Bernarde even halen? Vroeg Peter ongeduldig. Ja, ga daar maar even zitten dan komt hij er zo aan. Toen liep ze weg. Na een poosje kwam Bernarde de aan. Wat is er Peter waarom ben je hier hoe kom je uit je kamer? Een Bernarde die precies eruit zag als jou………. Maar dat is mijn broer, oh nee hè, sorry ga verder. Die heeft mij gepakt en mee genomen naar het… Gele rijders kamp, maakte Bernarde de zin af. Oh, wat haat ik mijn broer, het zou eigenlijk niet mogen maar het is echt zo. Altijd gaat hij me achterna en pakt hij de kinderen die bij mij komen. Daarom doe ik de laatste tijd altijd de kamer dicht. Ik hoop dat jullie het geloven, maar het is echt mijn broer, zei hij. We dachten eerst dat het de zelfde Bernarde was. Maar nu weten we dus wel beter, zei Peter. Maar hoe moeten we het uitleggen aan Mijnheer Roderick? Vroeg Joop hulpeloos. Ik ga wel met jullie mee en dan zullen we het met zijn allen uitleggen aan Mijnheer Roderick. Ik zal het even zeggen tegen Marie, dat is het meisje dat jou heeft geholpen, zei Bernarde. En hij liep weg.

Even later kwam hij weer terug. En liep met de jongens mee. Bernarde, ik heb nog één vraag, zei Peter. Wat dan? Vroeg Bernarde. Zijn jullie tweeling en waarom heten jullie allebei Bernarde? Wij zijn tweeling ja, maar ik heet echt Bernarde en hij heet Ohaën. Maar hij vond het geen mooie naam en zijn vriend heet Bernarde Ohaën. Dus bedacht hij de naam Bernarde Ohaën. Peter en Joop keken elkaar plotseling aan. Bernarde komt zijn vriend uit een kostschool? Vroeg Joop. Ja, maar hoe weten jullie dat? Vroeg Bernarde. Wij… … … Het was stil ze konden niks zeggen anders zou hij erachter komen dat ze niet uit 1901 kwamen. Wat wij? Vroeg Bernarde verbaast. Uh wij kennen die jongen, zei Peter vlug. Oh, zeg dat dan meteen. Sorry, zei Joop. Maar we hebben de afgelopen tijd niks meer van hem gehoord weet u dat misschien? Dat is een vervelend verhaal maar ik zal het maar vertellen, zei Bernarde. Bernarde Ohaën Koster want zo was zijn echte naam. Was op een dag uit de kostschool gevlucht hij was naar de Beruchte Toren gegaan. Maar kwam niet meer opdagen. Ohaën is hem toen gaan zoeken. Maar kon hem niet vinden. Vlak erna kwamen de Gele Rijders in de stad. Ze waren hier alleen om orde te hand haven en waren hartstikke aardig. Ohaën wilde er ook bij. En dat mocht hij zou mensen opzoeken die bijv. ruitjes inkinkelden diefstallen deden. Zodat ze een straf kregen van 3 dagen. Toen mocht je gewoon nog in de Toren. Maar Ohaën had bedacht dat je niet in de Toren mocht en als je dit wel deed zal je ter dood veroordeeld worden of 10 dagen in de cel komen. Elke dag maakte Ohaën een rondje in de Toren. Meteen de eerste dag kwam hij Benarde Ohaën Koster tegen. Hij werd opgepakt en ter dood veroordeeld door zijn eigen vriend Ohaën. Nu zeggen ze dat de geest van Bernarde Ohaën Koster in de Toren zweeft. Om op een dag wraak te nemen op Ohaën. Ze kwamen aan bij het kamp. Bernarde wil jij alsjeblieft bij de deur staan wachten tot wij boven op het dak zijn en bel dan aan zeg dat je voor Peter en Joop komt en dat ze het gevraagd hadden aan jou. Zeg dat je broer hier ook is. Waarom gaan jullie dan niet gewoon bij de deur staan? Vroeg Benarde verbaast. Wij zijn gevlucht om jouw te gaan zoeken. Maar we zijn via het dak gegaan. Dus wil je dat doen? Vroeg Joop. Tuurlijk ik wacht tot jullie op dak zijn dan bel ik aan. Joop en Peter gingen snel de Brandtrap op. Toen ze op dak kwamen belde Bernarde aan. En net toen Joop en Peter binnen waren werd er op de deur geklopt. Ja, wat is er? Vroeg Peter. De is hier ene Bernarde die van jullie mocht komen, zei een vrouw met een schelle stem. Is goed, laat hem maar binnen komen. Hoi Bernarde, zei Joop. Is het gelukt? Jep, helemaal. Nu op naar Roderick, zei Benarde.

Samen liepen ze naar de grote kamer. Joop klopte op de deur. Het kleine mannetje deed weer open. Meteen draaide hij zich om en zei tegen Roderick dat de jongens er waren. Laat ze maar binnen, zei Mijnheer Roderick. Hoi Mijnheer Roderick, zeiden Joop en Peter. Zo, wat zie ik daar zijn jullie opeens vrienden geworden van Bernarde? Vroeg Mijnheer Roderick lachend. Nee, dit is zijn broer, Bernarde, zei Peter. De Bernarde wat jij zegt heet eigenlijk Ohaën dit is zijn tweelingbroer. Aha, en wat wilde jullie mee vertellen? Ohaën is schuldig aan alles wat hij ons heeft aangedaan. Hij moet de cel in zolang mogelijk voor eeuwig en al helemaal omdat hij zijn vriend heeft gedood om niks, zei Peter giftig. En wie heeft er bewijzen van? Vroeg Mijnheer Roderick. Hij zijn broer. Mijn broer Ohaën, is op alles schuldig ik werk bij het ziekenhuis en als er kinderen zijn die nog niet naar huis kunnen om wat voor een redenen dan ook nam ik ze altijd mee naar huis. En elke verdween die. Op een dag bleef ik stiekem thuis. Mijn broer die een sleutel van mijn huis heeft kwam binnen en kraakte de deur en nam het kind mee naar buiten. Ik kon niks doen want er waren drie Gele Rijders bij. Ik deed er extra sloten op maar het hielp niet. Met hem is het zelfde gebeurt ik had hem mee naar huis genomen omdat hij nog niet naar zijn moeder kon omdat zij weg was. Hij is ook ontvoerd. Ohaën had bij u altijd wel een smoesje klaar om zo de kinderen in de cel te stoppen. Ik weet niet wat hem in het hoofd is geschoten maar hij zal wel een steekje los hebben. En er zijn nog zo veel dingen gebeurd. Hij gebruikte zijn hoge stand in het Gele Rijderschap. Ook toen hij erbij kwam had iedereen een hekel aan de Gele Rijders terwijl de Gele Rijders altijd vroeger iedereen hielpen. Ik verklik mijn broer nu wel maar het is om de bestwil van de hele stad. Ik hoop dat ik u genoeg heb medegedeeld. Ja, hoor Bernarde, zei Mijnheer Roderick. Ik zal hem hier na toe sturen. Hij fluisterde wat in het oor van het mannetje. Die daarna wegliep. Wat hebt u gezegd? Vroeg Peter. Dat hij moest vertellen dat hij weer iemand moet oppakken want dan komt hij zo, lachte Roderick. En ja hoor daar kwam Ohaën al aan. Hij schrok toen hij de deur open deed. Even stond hij stil hij wilde terug lopen maar het kon niet erachter stond een horde Gele Rijders. Hij moest wel naar Mijnheer Roderick hij kon niet terug. Langzaam liep hij naar Mijnheer Roderick. Waar moet ik naar toe? Vroeg hij nog. Het had geen zin. Jij moet nergens naar toe. Je broer heeft alles al uitgelegd. Je had het gewoon moeten vertellen nu je dat niet hebt gedaan is het je eigen schuld. Maar….. Je hoeft je niet te verontschuldigen dat heeft geen zin. Sorry broer, zei Bernarde, het moest je had de kinderen te veel aangedaan. Ik had bijna ontslag gekregen. Nu krijg ik weer een schone lij. Het spijt me, zei hij nogmaals. Het geeft niet broer het is mijn eigen schuld ik ben zo geworden na Bernarde Ohaën Koster ik kon er niet meer tegen toen ik het altijd had verdrukt werd het me te erg, zei hij huilend, maar het zij zo ik kan er niet meer achteruit. Dood me maar! Riep hij hard. Dit doen we niet maar je komt je leven lang niet meer los we doen je in een cel niet een cel waar je Joop in hebt gegooid maar een iets andere dit hebben we besloten met zijn allen. O, wat ben ik jullie dankbaar, zei hij huilend. Wil je tegen mam zeggen dat het me spijt en dat ik als ik ooit nog los kom alles anders ga maken ik ga een stichting maken voor dakloze kinderen en zo, zei hij snikkend. Mijnheer Roderick, wilt u de straf iets lichter maken als hij nu niet doet wat hij zegt kan hij moet hij gewoon weer de cel in en dan voor altijd, zei Peter. Wat moet ik dan geven? Vroeg hij. Doe maar 6 maanden. Laat hem los maar volg hem wel de hele tijd, minstens 1 jaar. Gaat het dan nog goed. Kun je hem met rust laten maar het staat wel vast dat als hij wordt gepakt moet hij altijd de bak in ook al is het voor een klein diefstalletje, zei Joop.

Toen werd Ohaën mee genomen en in een soort cel gestopt. Laten we een klein feestje bouwen, zei Bernarde. Vanavond om 20.00 uur moet je gewoon hier komen, zei Mijnheer Roderick. Peter keek Joop aan. Mijnheer mogen we eerst even naar onze kamer? Tuurlijk wel, alleen nu niet stiekem weggaan. Ja hoor, lachten Joop en Peter. Wat moeten we doen eigenlijk moeten we terug, zei Joop. Wat wil jij? Vroeg Peter. Eigenlijk wil ik naar huis, zei Joop. Laten we het dan gewoon zeggen, zei Peter. Samen gingen ze naar beneden. Mijnheer Roderick wij moeten vanavond thuis zijn kunnen we nu niet even een feestje bouwen? Tuurlijk ik zal de echte Bernarde even roepen. Hij liep weg en even later kwamen ze samen terug. Ook kwamen er obers met lekker hapjes. Samen gingen ze aan tafel. Heerlijk aten ze en praatten na over de dingen die waren gebeurd. Toen was het moment van de waarheid aangebroken. Ze moesten afscheid nemen. Komen jullie nog een keer terug? Vroeg Bernarde. Zullen we het vertellen? Vroeg Joop zacht aan Peter. Ja, wat maakt het uit we kunnen zo weg. Wij moeten jullie iets vertellen wat je toch niet begrijpen maar wat wel waar is. Vertel maar hoor jongens, zei Mijnheer Roderick. Wij komen uit de toekomst, zei Peter, zo gelukkig die zin was eruit dacht Peter bij zichzelf. Bernarde lachte, je kunt van alles bedenken maar dit niet uit welke tijd komen jullie dan? Het jaar 1950, zei Joop. Maar nu moeten we echt gaan. Doei! Zeiden Peter en Joop.

Ze liepen het pad af op weg naar hun eigen huis. Peter drukte op het knopje en zo vlogen ze naar hun eigen tijd. Hè, hè zijn jullie daar eindelijk? Vroeg Hendrik. Ja, gelukkig wel. En hebben jullie alles uitgevonden? Vroeg hij. Ja alles helemaal. Toen opeens waren Hendrik en de tijdmachine weg. Hendrik! Riep Peter, maar het was tevergeefs. Hij was er niet meer. Samen liepen ze naar huis. Weetje, zei Peter, ik zou eigenlijk best wel willen weten hoe het met Ohaën en Bernarde afliep. Alsjeblieft, lachte Joop, we hebben nu wel genoeg dingen meegemaakt.


Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren, en je illustraties aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben plezier van onze verhalen.
Dus doe mee !!


omhoog    home