www.kinderverhalen.nl, de site voor en door liefhebbers van kinderverhalen

De juwelen van koning Florius, deel 1
door Steven van Dinther

Let op, dit is een vervolgverhaal! Voor het vervolg, kijk onderaan het verhaal voor de link.

Het is vroeg in de ochtend. Een gedaante loopt door de lange kasteelgangen.
Wie is het? Wat is hij van plan? Het is pas vijf uur en iedereen ligt nog op één oor.
Wat doet hij daar? Hij stopt voor de juwelenkamer en pakt uit zijn rechter borstzak een sleutel.
Hij opent de deur, loopt naar binnen en sluit de deur voorzichtig achter zich.


Het is inmiddels zeven uur geworden. Er loopt een lakei door de hal van het kasteel.
Hij gaat via de trap naar de eerste verdieping. Aan het eind van de gang slaapt de koning.
De lakei klopt op de deur. “Koning Florius, het is zeven uur.” “Koning Florius, het eten staat klaar.”
De koning opent rustig zijn ogen. Hij strekt zich uit en zet voorzichtig één been uit bed.
“Hè, hè, heb ik even lekker geslapen.” “Kom binnen, lakei.” “Goedemorgen meneer,
heeft u lekker geslapen?” De koning staat op en loopt naar de badkamer.
“Vandaag, lakei, vandaag begin ik de dag met een lekker warm bad, laat jij het even vol lopen?”
De lakei doet wat er van hem gevraagd wordt. “Ik heb ook de krant bij mij, meneer, en het eten staat ook voor u klaar."
“Laat me nu maar even alleen”, zegt de koning. Ik kom over een klein uurtje naar beneden.”

In het dorp, dat een kleine honderd meter van het kasteel ligt, begint het dagelijks leven op gang te komen.
De bakkerij opent haar deuren, de postbode brengt de post al rond en de kinderen gaan naar school.
Eén iemand ligt nog lekker in zijn bedje. Het is Alexander, de journalist, tevens de detective van het dorp.
Zijn hond Max springt op bed en begint zijn gezicht te likken. “Max, hou op.” ‘Ik wil nog slapen!”
Alexander draait zich nog een keer om. Max weet niet van ophouden en begint te blaffen.
“Oké, ik kom al”, moppert Alexander. “Hoe laat is het?” Alexander pakt zijn horloge en ziet dat het half negen is.
Rustig stapt hij uit bed.


Alexander loopt naar het raam en opent het voor wat frisse lucht. Dan hoort hij in de verte zijn naam roepen.
“Meneer Alexander, meneer Alexander!” Het is Ricky, het knechtje van de bakker.
“Meneer Alexander, u moet onmiddellijk mee komen.” “Wat, waarom?
Wat is er aan de hand, Ricky? vraagt Alexander. Ricky, die helemaal buiten adem is, vertelt dat de kroonjuwelen van koning Florius zijn gestolen.
“Wat, wanneer?” vraagt Alexander. “Afgelopen nacht. Ze hebben de dader al gepakt.”
“Waarom zou ik dan met jou meegaan?” vraagt Alexander. “Ze hebben de dader al!”
"Ik zie het nut er niet van in." “Ja...maar, ze hebben bakker Bob opgepakt.” Alexander schrikt! “Bakker Bob?”
“Onze bakker Bob?” “Ja, kom alstublieft mee. u moet hem helpen.”


Alexander heeft zich ondertussen aangekleed en gaat met Ricky mee naar het politiebureau.
Voor de ingang van het bureau staat Gerard Gniep, de hoofdcommissaris, al te wachten.
“Ik wist dat jij zou komen, Alexander.” “Jij moet altijd je neus in andermans zaken steken.”
“Hallo, Gniep, zijn er nog bijzonderheden te melden?” vraagt Alexander.
“Bijzonderheden? Wat voor bijzonderheden? Bakker Bob staat onder arrest. Hij is op heterdaad betrapt. Alle sporen wijzen naar hem.”
Alexander vraagt aan Gniep of hij bakker Bob mag zien. Gniep stemt hier mee in.
“Ricky, jij gaat naar de bakkerij en gaat gewoon door met jouw werkzaamheden.”
“Ja...maar.” ‘Nee, ik denk dat bakker Bob je nu goed kan gebruiken.”


Alexander volgt een agent naar de cellen. Daar zit in celnummer drie bakker Bob.
“Hoi Alexander, wat ben ik blij jou te zien. Ik heb niks gedaan, je moet me helpen.”
“ Rustig, Bob. Eerst moet ik wat gegevens van je hebben.” Alexander en Bob zitten een klein uurtje te praten.
“Oké, ik weet nu genoeg. Je moet nog wat geduld opbrengen, Bob. ik ga maar eens een kijkje nemen op het kasteel.”
Bob geeft Alexander een hand en wenst hem veel succes.

Alexander gaat eerst naar huis terug, om het één en ander op te schrijven. Dan besluit hij om naar het café te gaan.
De eigenaar van het café, Sjaak, is leverancier voor het kasteel. Hij zou Alexander kunnen helpen om het kasteel binnen te dringen.
Het enige wat Alexander te doen staat, is de nogal norse café eigenaar zien te overtuigen dat bakker Bob onschuldig is.
Na een lang en vermoeiend gesprek komt het tweetal tot de conclusie dat bakker Bob niet de schuldige is.
Sjaak gaat er voor zorgen dat Alexander het kasteel binnen kan dringen.

De volgende ochtend gaat het tweetal vroeg naar het kasteel.
Ze lopen naar de achterkant van het kasteel, waar vrouw Koeimans, het hoofd van de huishouding, al staat te wachten.
“Zo ben je daar eindelijk”, zegt mevrouw Koeimans enigszins geïrriteerd.
‘Sorry, mevrouw, maar mijn nieuwe knecht kon zijn bed niet uitkomen.”
Met z’n drieën lopen ze naar binnen. Ze komen in de keuken. “Sjaak, je weet wat je te doen staat; over een uur kom ik wel weer kijken.”
“Ja hoor, mevrouw koeimans.” “Nou, je hoort het Alexander, je hebt één uur om het bewijs bij elkaar te rapen.”

Alexander loopt de keuken uit. Hij kijkt naar links en naar rechts. “Niemand!”
Voorzichtig loopt hij richting de grote ridderzaal. Aan de muur hangen schilden en zwaarden.
In het midden is een grote open haard. Je kan het verbrande hout nog ruiken.
Aan beide kanten van de haard staan harnassen. Vanuit deze zaal kan Alexander naar de eerste verdieping lopen.
Wat Alexander niet merkt is dat hij in de gaten wordt gehouden door een schilderij dat boven de open haart hangt.
Het is een portret van de koning. Twee ogen zien hoe Alexander de trap oploopt.

Alexander doet een grote, zware deur open. De deur kraakt. “Oeps, ik hoop dat niemand mij hoort.
Aan het eind van de gang moet de juwelenkamer zijn.” Langzaam loopt hij richting de kamer. Hij kijkt goed om zich heen.
“Hé, wat is dat?” Alexander ziet aan de deurknop wat zitten. “Hm, het is bloem.”
Tot zijn verbazing blijkt de deur niet op slot te zitten. “Vreemd!” Hij gaat naar binnen.
In eerste instantie is er niks op of aan te merken. Alles ziet er normaal uit.
Hij loopt naar de vitrine waar de juwelen uit gestolen zijn. “Bloem, bloem en nog eens bloem.
Heel de vitrine zit vol met bloem. Zou bakker Bob dan toch?”

Wat hem opvalt is dat er nergens scherven liggen. “De dader moet dus een sleutel hebbeb gebruikt.”
uit zijn linker borstzak pakt Alexander een klein flesje met poeder.
Hij doet wat van het poeder op de glazen plaat en wrijft rustig met een kwastje over het poeder.
Dan komen er een aantal vingerafdrukken tevoorschijn. “Interessant...heel interessant”, denkt hij.
Hij pakt een plakbandje en neemt de afdrukken hierop over. “Ik weet genoeg, ik ga terug.”
Op dat moment gaat de deur open. Alexander schrikt!
“Zo...zo, meneer Alexander, onze dorpsspeurneus. Bent u opzoek naar iets?”
Alexander zegt niets, hij staat oog in oog met...?

Hoe zal dit aflopen? Wie staat er tegenover Alexander?
Is bakker Bob toch schuldig?

Ga verder naar deel 2


Ook jij kunt hier je kinderverhalen publiceren, en je illustraties aan kinderverhalen toevoegen.
Hoe meer mensen mee schrijven en tekenen, des te meer kinderen hebben plezier van onze verhalen.
Dus doe mee !!


omhoog    home